menu

Hier kun je zien welke berichten Sounds of Purpose als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Eurythmics - 1984 (1984)

Alternatieve titel: For the Love of Big Brother

4,5
Een (ten onrechte) zeer onderschat album van The Eurythmics. Voor mij behoort het absoluut tot het beste dat de band heeft voortgebracht. Sexcrime - Nineteen Eighty-Four en Julia vormen de meer toegankelijke nummers, terwijl het overige werk meer naar het experimentele neigt, vooral de instrumentale nummers.

Ik ben een groot liefhebber van de film van Michael Radford waarvoor deze filmmuziek werd opgenomen. John Hurt, Richard Burton, Suzanna Hamilton en Cyril Cusack geven allemaal prima vertolkingen ten beste. Het zou zelfs Burton's laatste filmrol blijken voordat hij in 1984 op 58-jarige leeftijd overleed.

Het knappe van de score van Stewart en Lennox is dat zij de uiteenlopende emotionele tonaliteit van de film in hun muziek weten te vangen: conformisme, angst, verzet, liefde, hoop, gebrokenheid: het komt allemaal voorbij. En dat allemaal doortrokken van de grauwe, uitzichtloze realiteit van het leven onder een dictatoriaal regime waarin elke vorm van individualiteit wordt gezien als staatsgevaarlijk.

Ik heb begrepen dat een groot deel van de muziek die The Eurythmics voor deze film schreven de uiteindelijke montage niet gehaald heeft. Of dit een verstandige beslissing is geweest weet ik niet maar, gelet op de kwaliteit van de muziek die wel gebruikt is, maakt het mij erg nieuwsgierig naar deze 'restmuziek'.

@Fedde: George Orwell's 1984 is idd een fenomenale roman, maar Radford heeft zeker een film afgeleverd die, in alle opzichten, recht doet aan Orwell's magnum opus.

King Swamp - King Swamp (1989)

4,0
Prima plaat die, gezien het geringe aantal reacties hier, niet de bekendheid geniet die deze verdient. Verder kan ik me niet vinden in de vergelijking met INXS. Mijns inziens overschat je daarmee INXS, en doe je King Swamp ernstig tekort. Op zich is er niets mis met INXS, maar Hutchence en consorten zouden hebben gewild deze mate van vurig talent tijdens hun debuut aan de dag te kunnen leggen. Met name in nummers als 'Year Zero', 'Original Man', 'Blown Away' en 'Louisiana Bride' rockt en swingt King Swamp dat het 'n aard heeft. Minpunten zijn er ook: 'Is This Love?' en 'The Sacrament' klinken té gepolijst, glad en commercieel, en zijn overduidelijk bedoeld als crowd pleasers. Maar afgezien van deze (nog steeds very passable) mindere goden blijft er nog steeds een afwisselende en intense plaat over die staat als een huis. Dat zal zeker te maken hebben gehad met het feit dat de bandleden, voordat ze in 1988 in Londen de studio indoken om dit pareltje op te nemen, een tijd lang in New Orleans verbleven. Deze stad kan immers bogen op muzikale wortels die diep reiken in diverse genres als blues, jazz, country, cajun, zydeco en rhythm & blues. Tevens zagen in de befaamde Kingsway Recording Studio in New Orleans ook prachtplaten zoals Daniel Lanois' Acadie en Emmylou Harris' Wrecking Ball het levenslicht. Het geluid van King Swamp's eersteling uit 1989 is dan ook meer doortrokken van het zompige, broeierige klimaat van Louisiana dan van het bleekneuzerige, kille regenklimaat dat we doorgaans met Engeland associëren (en dat 'slechts' bandjes als The Beatles en The Rolling Stones opleverde. En, vooruit, één icoon: David Bowie).

Gezien hun talent en zeer solide sound is het op z'n minst vreemd te noemen dat King Swamp nooit door is gebroken naar een groter publiek, al heeft gitarist Dominic Miller na het uiteengaan van de band in 1990 nog wel de nodige faam verworven aan de zijde van Sting (gitarist op o.a. The Soul Cages (1990)). De rest van de band is ieder zijns weegs gegaan en helaas grotendeels in obscuriteit verdwenen (voor zover ik weet, tenminste). Hun tweede en laatste album Wiseblood (1990) ken ik niet, maar het titelloze debuutalbum van King Swamp is in ieder geval een dijk van een plaat. Zo één waarvan het pijn doet om te lezen dat mensen die nu per toeval bij de kringloopwinkel scoren (gezien KS' aanzienlijke talent, bedoel ik dan).

Zo zie je maar dat talent en gedegen muzikaal vakmanschap niet altijd vaste voorwaarden zijn voor succes. Management, productie, marketing en het hebben van een eigen smoel spelen ook een rol.
En misschien was King Swamp's noodlot wel dat ze, ondanks hun talent, muzikaal niet onderscheidend genoeg waren. Maar gezien het aantal bands dat eind jaren 80 / begin jaren 90 succesvol werd zonder maar een fractie van KS' talent en muzikale kwaliteit te bezitten, mag het uitblijven van een doorbraak voor KS op z'n minst een paar opgetrokken wenkbrauwen opleveren. Ach ja, daar raakt desondanks geen enkele planeet van uit zijn baan.

Tot slot: afsluiter 'Glow' is niet alleen erg goed, het is ook nog eens helemaal een product van zijn tijd: het geladen nummer handelt over de angst voor een nucleaire holocaust, zoals die eind jaren 80 nog zeer reëel leek. Inmiddels heeft de geschiedenis King Swamp ingehaald, maar staan we nu weer aan hele andere gevaren bloot. Waarvan de overvloed aan ondermaatse muziek nog wel het minste is - maar ergerlijk blijft het. Ik op mijn beurt zet deze kwaliteitsplaat van King Swamp maar weer eens op, en geef me over aan nostalgische mijmeringen.

Ride - Nowhere (1990)

3,5
Ik ben van jaargang 1970, dus was 20 toen deze schijf uitkwam, op het hoogtepunt van de Britpop-hausse die toentertijd over Nederland heen denderde. Ik was begin jaren 90 in Engeland voor een studiereis, en zag Ride daar live. Ik had in NL de schijf al aangeschaft, en was dus al bekend met hun muziek (BTW ik heb altijd een enorme hekel gehad aan de term shoegazer - een gemakkelijke, bijna infantiele verzamelnaam, die op geen enkele manier recht doet aan de muziek in kwestie). Ride maakte muziek die dromerig, opzwepend, stuwend en uitgesponnen klonk, met als belangrijkste constanten de bezwerende zang van Andrew Bell (die voor mij altijd klonk als een kostschooljongen) en de vaak heerlijk solide wall of sound van gitarist Mark Gardener.

Helaas maakte Ride voor mij hun reputatie live niet helemaal waar: de set was rommelig, de zang en het geluid benedenmaats (OK, kun je daar de band op afrekenen? Misschien niet, maar zij dienen er toch mede voor te zorgen dat hun muziek goed klinkt) en bovenal: de heren waren onvervalste posers. Nu wilde ik ze dat nog wel vergeven, het was immers nog een stel jonge honden die toen met Nowhere internationaal hoge ogen gooiden. Maar als posing niet gepaard gaat met het talent dat daarbij hoort wordt het gênant.

Daarna zag ik ze nog 'n keer live tijdens het Metropolis-festival (Rotterdam, 1993). Hun opvolger, Going Blank Again was toen alweer ruim een jaar uit, en die plaat loste voor mij de belofte van Nowhere zeker niet in. Helaas was hun optreden in R'dam al niet veel beter dan toentertijd in de UK, iets dat door hun voorgangers in de line-up, de Amerikaanse band Cracker, flink werd gehekeld ("You guys waiting for that poser-shit?"). Het is altijd pijnlijk als je muzikanten die je hoog hebt zitten zo keihard van het paard ziet vallen. Het meest bevreemdende was nog wel dat praktisch alles dat Ride in die jaren uitbracht door de gehele muziekpers (inclusief OOR) collectief de hemel werd ingeschreven. Toen heb ik geleerd niet al te veel waarde te hechten aan recensies en zogenaamd deskundige critici, maar in plaats daarvan te vertrouwen op hetgeen ik zelf hoorde en zag. Maar goed, zo zal mijn verhaal straks ook wel beoordeeld worden door iemand die Ride wél te gek vond/vind. En dat is natuurlijk prima, over smaak...

Soms luister ik nog wel 'ns op YT naar songs van Nowhere, en dat is bij vlagen toch wel weer genieten. Maar in mijn achterhoofd hoor ik Iggy Pop, die in het nummer Character knauwt:

Well, I 'll tell you
One good thing at least about some
Of these junkies was
They had some character
They may have driven me nuts
Sometimes and screwed up
But at least when they played
That damn guitar they' d play it
Like they fuckin' meant it
Those white bread boys nowadays
Knowin' all the score,
Don' t even know how to puke

Robbie Robertson - Robbie Robertson (1987)

5,0
Een voor mij onverwoestbare plaat (#1 in mijn persoonlijke top 10) die op een eclectische manier put uit diverse genres: rock, blues, jazz, gospel, Indiaanse muziek en alles daartussen. Het is zo’n plaat die ik, ongeacht hoe ik me voel, kan opzetten en niet alleen beluisteren maar ook beleven. Om me daarna weer gesterkt te voelen. Dat heb ik zeker niet met iedere plaat (ben een behoorlijk kieskeurige luisteraar), maar praktisch alles van Talk Talk vanaf The Colour of Spring (1986), David Sylvian’s Secrets of the Beehive (1987) en Daniel Lanois’ Acadie (1989) blijven een dergelijke uitwerking op me hebben: een rijke bron van muziek en emoties waaraan ik me kan laven.

Niet voor niets is laatstgenoemde ook verbonden als producent en muzikant aan dit solo-debuut van Robertson. Lanois is met zijn unieke instrumentatie verantwoordelijk voor de bezwerende, geladen en broeierige sfeer van het album, alternerend tussen stuwende rock, naar gospel neigende ballads en een jazzy/bluesy vibe op het merendeel van de composities.

De ontstaansgeschiedenis van het album is fascinerend: in 1983 kondigde Robertson na een lange muzikale rustpauze aan dat hij opnieuw de studio in wilde gaan. Filmproducent Art Linson en Robertson brachten in dat jaar beiden hun zomervakantie door in Rome, waar Linson Robertson aanmoedigde een soloproject te ondernemen. Robertson conceptualiseerde toen ‘The Shadowland’, een fictieve, mythische setting waar de songs van het nieuwe album plaats zouden vinden. ‘The Shadowland’ verandert van plaats en verschijnt aan de hand van de wolken die erboven zweven. Robertson zelf functioneert als meereizende verteller die verhaalt over de gebeurtenissen die in ‘The Shadowland’ plaatsvinden.

Er is natuurlijk niet al te veel verbeelding voor nodig om in ‘The Shadowland’ Amerika te zien, en de bewogen geschiedenis van dit continent vormt de staalkaart waartegen Robertson’s soloplaat is afgezet: roem en de schaduwzijden ervan – in het bijzonder voor James Dean, Elvis Presley en Marilyn Monroe: (‘American Roulette’), de Vietnam-oorlog (‘Hell’s Half Acre’), de dreiging van een nucleaire oorlog (‘Showdown At Big Sky’) en (racistisch) geweld (‘Sonny Got Caught In The Moonlight’). Maar ook meer persoonlijke songs passeren de revue: album-opener ‘Fallen Angel’ is opgedragen aan Richard Manuel, Robertson’s voormalige bandgenoot in de legendarische Canadees/Amerikaanse rockformatie The Band, die zichzelf in 1986 van het leven beroofde. ‘Somewhere Down The Crazy River’ is een in verhalende stijl opgenomen song die handelt over de tijd dat Robertson en Band-collega Levon Helm samenwoonden in Arkansas.

In 1990 vermeldde OOR’s Popencyclopedie over het album: “Robertson's soloplaat klinkt als de ontbrekende schakel tussen Peter Gabriel's So en U2’s The Joshua Tree.” Nu ben ik het grotendeels wel eens met deze omschrijving, al is dit natuurlijk iets te kort door de bocht. So (1986) werd geproduceerd door Lanois én Gabriel, terwijl The Joshua Tree (1987) geproduceerd werd door Lanois én Brian Eno. Hetgeen veel uitmaakte voor de vorm en diversiteit waarin genoemde albums uiteindelijk het levenslicht zagen. Tevens wordt met een dergelijke omschrijving ook voorbij gegaan aan de enorme muzikale erfenis van The Band en Robbie Robertson, en de invloed hiervan op andere muzikanten. Niet voor niets geven zowel Gabriel als U2 acte de présence op dit solo-album, deels uit respect (vermoed ik), deels omdat producent Lanois hen hierbij betrok.

Maar het valt niet te ontkennen dat, naast Robertson, Lanois’ unieke, bezwerende instrumentatie en zijn talent als producer een belangrijk stempel drukken op dit album. Lanois zou later als producent ook verantwoordelijk zijn voor kwalitatief sterke albums van uiteenlopende muzikanten als Bob Dylan, Emmylou Harris, The Neville Brothers en opnieuw Peter Gabriel en U2.

Interessant weetje: oorspronkelijk had U2’s The Joshua Tree twee werktitels. Eén was ‘The Two America’s', de andere was ‘Desert Songs’. En die laatste klinkt voor mij ook duidelijk door op Robertson's solo-eersteling: weids, stoffig, uitgestrekt en verlaten. Lanois geeft Robertson de ruimte om zijn eigen muzikale roots center stage te zetten, en dat levert een sfeervolle en intense plaat op die laveert tussen uitgelatenheid en ingetogenheid, licht en duisternis, persoonlijke geschiedenis en een groter geheel.

Voor mij is ‘Sweet Fire Of Love’, waarop naast Robbie Robertson ook de voltallige bezetting van U2 aantreedt, het absolute jubelnummer. En naast de Ierse rockers verleenden een keur aan muzikanten hun medewerking aan dit album: Rick Danko en Garth Hudson van The Band, Peter Gabriel, BoDeans, Manu Katché, Tony Levin, Gil Evans, Bill Dillon, Ivan Neville van The Neville Brothers. Met zoveel talent aan de instrumenten en achter de knoppen kon dit solo-debuut van Robbie Robertson eigenlijk alleen maar een succes worden, een belofte die ook ruimschoots ingelost is. Natuurlijk zullen puristen liever The Band horen en daarom dit album hoogstwaarschijnlijk afdoen als overgeproduceerd en onevenwichtig muzikaal gezwabber, maar ik bewonder Robertson om het feit dat hij zijn eigen muzikale en artistieke groei voorrang geeft en uit de bekrompen, kleingeestige hokjes breekt waarin dit soort ‘fans’ hem tot in lengte der tijden willen opsluiten. Zoals hij zelf zingt in afsluiter ‘Testimony’: “You got nothing to lose, but your chains”
Truer words...

The Sound - From the Lions Mouth (1981)

5,0
Klopt, dat zou je kunnen verwachten. Maar voor mijn top 10 heb ik een selectie gemaakt van échte desert island albums - muziek waar ik, met het verstrijken der jaren nog steeds naar toe terugkeer en (nieuwe) waardevolle dingen uit haal. En hoe fantastisch The Sound en From The Lions Mouth ook zijn, zij behoren daar gewoonweg niet toe. Wat niets afdoet aan de kwaliteit en relevantie van The Sound, maar voor mij behoorde dat tot een muzikale periode die ik inmiddels afgesloten heb. Ik word nu aangesproken door andere dingen, en wordt geraakt door andere muziek. Of beter gezegd: anders geraakt door de muziek die ik in mijn top 10 heb staan. Dus misschien is de werkelijke les hier wel, Mausie en Choconas, dat je noot te rigide verwachtingen moet hebben - anders is teleurstelling verzekerd

En laat dit nou aub niet het begin zijn van een discussie over hypocrisie of morele uitverkoop van mijn kant: muzikaal gezien heb ik mijn voorkeuren, net zoals jullie die ook zullen hebben, en daar zijn we natuurlijk allemaal vrij in. Gelukkig maar. Maar dat je als persoon (en dus ook als luisteraar) muziek anders gaat waarderen is juist een teken van groei.

Wat mijn naam betreft: die heb ik gekozen omdat muziek (sounds) voor mij voornamelijk twee doelen (purpose) dient: het richt de blik op de wereld om ons heen, en het richt de blik op onze eigen innerlijke wereld. Dus vandaar Sounds of Purpose. Ik had natuurlijk ook voor Sounds With A Purpose kunnen gaan, of Sound of Purposes of Purposeful Sounds, maar dat is zo'n pretentieuze mond vol. Mijn naam staat dus los van The Sound, hoewel ik me kan voorstellen dat, zeker gezien mijn eerste post, hier verwarring over kan ontstaan.

BTW: voor mijn avatar heb ik gekozen voor een afbeelding van Bowie als The Thin White Duke, terwijl Bowie in mijn top 10 ook niet voorkomt. Hetgeen niet wegneemt dat ik zijn muziek fantastisch vind. Het lijkt me verstandig om mensen niet te beoordelen op (of te laten definiëren door) hun top 10.
Mensen omvatten meer dan dat. Citizen Kane gezien? Het woord 'Rosebud' vertelde ook niet het hele verhaal van Charles Foster Kane. Zie wederom mijn verhaal over te rigide verwachtingen.

Hetzelfde geldt voor aannames. Zoals de Britten zo mooi zeggen: When you assume, you make an ass of u and me