Muziek / Algemeen / Columns, discussie in andere topic
zoeken in:
0
geplaatst: 24 juli 2007, 18:13 uur
MuMe-column 1: Vier in, zes uit
Hoewel de Tour in volle gang is en Les Négresses Vertes niet uit mijn cd-speler te branden zijn, wil het maar niet echt zomeren. In Jip-en-Jannekeboekjes heette dat altijd lelijk weer, zo'n druilerige dag als vandaag. Heerlijk om op de bank het fietsen te volgen en lekker veel muziek te draaien, maar buiten moet je doorgaans niet wezen. Tenzij je als redelijk fanatiek atleet je duurloopje nog moet doen, natuurlijk.
Aangezien mijn trainingsschema een van de weinige dingen is waarin ik wel enige zelfdiscipline aan de dag weet te leggen en Nederland op de buienradar geheel onder een grote blauwe vlek verborgen ging, besloot ik dus toch maar de regen in te gaan hollen. Het leuke bij zo'n duurloopje is dat je dan ineens ongemerkt liedjes gaat ademen. 'Verdorie', denk je dan soms, 'ik vind het eigenlijk niet echt prettig dat ik hier nu Easy Lover van ome Phil aan het hijgen ben'. Gelukkig was het vandaag een betere dag: ik begon de training met Black Soul Choir van 16 Horsepower.
Begeleid door een dolenthousiaste hond begaf ik mij in het toen nog redelijk begaanbare park. Regen is best koud en ik loop liever in een zeiknat kort broekje dan in een zeiknatte (en loodzware) lange broek. Tempootje hoger dan de geplande zone 1 (voor leken: dat betekent 50-60 slagen onder de maximale hartslag) dan maar. Op hartslag lopen betekent wel dat het met de liedjesadempret snel gedaan is. Een beetje gecontroleerd ademhalen kan dan geen kwaad.
En dan kom je er elke keer weer achter dat de mooiste muziek tijdens het lopen gewoon je eigen ademhaling is. Vijf passen lang inademen, vijf passen lang uitademen. Af en toe onderbreek ik dit ritme om hond Sjoerd tot de orde te roepen of mijn speeksel te lozen. En als je dan toch al doorweekt bent en simpelweg niet meer natter kán worden, blijkt in de regen lopen ineens heel prettig. Niemand waagt zich meer in het park, niks geen honden waaraan Sjoerd zich eventueel nog kan vergrijpen. Ook opmerkingen als 'ze hebben 'm al' en 'hup één twee drie' blijven nu achterwege.
Na een minuutje of 25 bereik ik dan ook een soort van euforische staat. Of het aan de zuurstof in de lucht ligt, weet ik niet, maar ik draai heerlijk. Het blijft maar gieten, maar ondanks het behoorlijke tempo en de niet al te lage hartslag word ik maar niet moe. Verstand op nul, alleen die ademhaling lekker controleren. Ik schakel halverwege over op een ander ritme. Vier passen in, zes passen uit. Eigenlijk loopt dat nóg lekkerder.
Ik ga steeds lekkerder lopen: dit blijkt zo'n training die je maar heel af en toe tegenkomt. De welbekende 'flow' dient zich aan. Eigenlijk had ik veertig minuten zone 1 in de planning. Ik loop de hele tijd al een intensiever tempo dan beraamd, maar na die veertig minuten krijg ik onder het lopen ineens geweldig de slappe lach. Ik ga nu toch echt niet stoppen, zeker! Het is stil buiten, de paden in het park staan half blank en de duurloop verwordt tot een cross-country. En ik loop zo verschrikkelijk lekker. Vier passen in, zes passen uit. Technisch voelt het super: hoog op de voorvoet en de benen doen het werk. Ik kan de hele wereld aan.
Na een uur laat ik het verstand maar prevaleren boven het gevoel. Dit was al langer en intensiever dan een duurloop tijdens het baanseizoen zou moeten zijn. Ik loop langs de atletiekbaan en kom een bekende tegen. Blij toe, want ik moet aan iemand kwijt hoe geweldig deze training mij vergaan was. Thuis spring ik snel onder de douche, het was verdorie helemaal geen lelijk weer. En muziek luister ik graag, maar tijdens zo'n duurloop heb ik toch liever mijn eigen ademritme. Vier passen in, zes uit![/quote]
Hoewel de Tour in volle gang is en Les Négresses Vertes niet uit mijn cd-speler te branden zijn, wil het maar niet echt zomeren. In Jip-en-Jannekeboekjes heette dat altijd lelijk weer, zo'n druilerige dag als vandaag. Heerlijk om op de bank het fietsen te volgen en lekker veel muziek te draaien, maar buiten moet je doorgaans niet wezen. Tenzij je als redelijk fanatiek atleet je duurloopje nog moet doen, natuurlijk.
Aangezien mijn trainingsschema een van de weinige dingen is waarin ik wel enige zelfdiscipline aan de dag weet te leggen en Nederland op de buienradar geheel onder een grote blauwe vlek verborgen ging, besloot ik dus toch maar de regen in te gaan hollen. Het leuke bij zo'n duurloopje is dat je dan ineens ongemerkt liedjes gaat ademen. 'Verdorie', denk je dan soms, 'ik vind het eigenlijk niet echt prettig dat ik hier nu Easy Lover van ome Phil aan het hijgen ben'. Gelukkig was het vandaag een betere dag: ik begon de training met Black Soul Choir van 16 Horsepower.
Begeleid door een dolenthousiaste hond begaf ik mij in het toen nog redelijk begaanbare park. Regen is best koud en ik loop liever in een zeiknat kort broekje dan in een zeiknatte (en loodzware) lange broek. Tempootje hoger dan de geplande zone 1 (voor leken: dat betekent 50-60 slagen onder de maximale hartslag) dan maar. Op hartslag lopen betekent wel dat het met de liedjesadempret snel gedaan is. Een beetje gecontroleerd ademhalen kan dan geen kwaad.
En dan kom je er elke keer weer achter dat de mooiste muziek tijdens het lopen gewoon je eigen ademhaling is. Vijf passen lang inademen, vijf passen lang uitademen. Af en toe onderbreek ik dit ritme om hond Sjoerd tot de orde te roepen of mijn speeksel te lozen. En als je dan toch al doorweekt bent en simpelweg niet meer natter kán worden, blijkt in de regen lopen ineens heel prettig. Niemand waagt zich meer in het park, niks geen honden waaraan Sjoerd zich eventueel nog kan vergrijpen. Ook opmerkingen als 'ze hebben 'm al' en 'hup één twee drie' blijven nu achterwege.
Na een minuutje of 25 bereik ik dan ook een soort van euforische staat. Of het aan de zuurstof in de lucht ligt, weet ik niet, maar ik draai heerlijk. Het blijft maar gieten, maar ondanks het behoorlijke tempo en de niet al te lage hartslag word ik maar niet moe. Verstand op nul, alleen die ademhaling lekker controleren. Ik schakel halverwege over op een ander ritme. Vier passen in, zes passen uit. Eigenlijk loopt dat nóg lekkerder.
Ik ga steeds lekkerder lopen: dit blijkt zo'n training die je maar heel af en toe tegenkomt. De welbekende 'flow' dient zich aan. Eigenlijk had ik veertig minuten zone 1 in de planning. Ik loop de hele tijd al een intensiever tempo dan beraamd, maar na die veertig minuten krijg ik onder het lopen ineens geweldig de slappe lach. Ik ga nu toch echt niet stoppen, zeker! Het is stil buiten, de paden in het park staan half blank en de duurloop verwordt tot een cross-country. En ik loop zo verschrikkelijk lekker. Vier passen in, zes passen uit. Technisch voelt het super: hoog op de voorvoet en de benen doen het werk. Ik kan de hele wereld aan.
Na een uur laat ik het verstand maar prevaleren boven het gevoel. Dit was al langer en intensiever dan een duurloop tijdens het baanseizoen zou moeten zijn. Ik loop langs de atletiekbaan en kom een bekende tegen. Blij toe, want ik moet aan iemand kwijt hoe geweldig deze training mij vergaan was. Thuis spring ik snel onder de douche, het was verdorie helemaal geen lelijk weer. En muziek luister ik graag, maar tijdens zo'n duurloop heb ik toch liever mijn eigen ademritme. Vier passen in, zes uit![/quote]
0
geplaatst: 24 juli 2007, 18:36 uur
MuMe column 2: Chauvinisme
Als voetbal- en muziekliefhebber heb ik veel eredivisiewedstrijden bezocht en ben ik menig concert en festival afgegaan. Het eerste doe ik anno 2007 nog sporadisch, het laatste des te meer.
Als FC Twente-supporter heb ik acht jaar een seizoenskaart gehad en bezocht ik een paar jaar fanatiek uitwedstrijden. Daar ben ik toch maar mee gestopt, omdat me niet thuisvoelde tussen de supporters. Opgefoktheid, oogkleppen en domheid zijn drie woorden die de sfeer in de harde supporterskern van een voetbalclub goed weergeven. Afgelopen weekend was het weer raak. Een groep hersendoden (het woord mongolen, dat geregeld als synoniem voor hooligans wordt gebruikt vermijd ik, dit is een belediging voor de geestelijk gehandicapte medemens) besloot dat vaders met kleine kinderen niet mochten genieten van een oefenwedstrijd tussen Go Ahead Eagles en Ajax.
Hoe anders is de sfeer tijdens concerten en festivals. Iedereen is relaxt en ruzies zie je zelden. Net als bij voetbalwedstrijden zijn hier tienduizenden mensen op de been, maar op de één of andere manier lukt het mensen hier wel vreedzaam met elkaar om te gaan. Zelfs als je op Rock Werchter bij een temperatuur van 35 graden voor je stoelgang afhankelijk bent van broeierige dixi’s blijft de sfeer geweldig. Die enkele keer dat ik iemand zag uitflippen was er overduidelijk sprake van geestverruimende middelen (hoewel ik dat woord nooit heb begrepen, geestbeperkend lijkt me hier beter op zijn plaats).
Waarom gaat het bij concerten en festivals bijna altijd goed, en bij voetbalwedstrijden altijd mis? Bij beide zijn grote menigtes op de been, die een behoorlijke hoeveelheid drank en drugs nuttigen. Maar de ene menigte is de andere niet. De Dijk kan met een gerust hart optreden in Den Haag, zonder dat Golden Earring-fans daar komen rellen. Moet je eens kijken als Ajax tegen ADO Den Haag moet spelen. De vergelijking tussen een band en een voetbalclub lijkt krom, maar blijkbaar roept een band veel minder chauvinistische gevoelens op dan een voetbalclub. Een voetbalclub vertegenwoordigt een stad of streek, bij een band is dat minder. Maar ook bands die heel duidelijk voor een streek staan, zoals Normaal (Achterhoek) of Rowwen Hèze (Limburg), kunnen gewoon in andere streken optreden. Dat lijkt ook de gewoonste zaak van de wereld, maar als je het afzet tegen de belachelijke taferelen die bij voetbalwedstrijden plaatsvinden, zou je je bijna afvragen hoe lang dat nog goedgaat.
Als voetbal- en muziekliefhebber heb ik veel eredivisiewedstrijden bezocht en ben ik menig concert en festival afgegaan. Het eerste doe ik anno 2007 nog sporadisch, het laatste des te meer.
Als FC Twente-supporter heb ik acht jaar een seizoenskaart gehad en bezocht ik een paar jaar fanatiek uitwedstrijden. Daar ben ik toch maar mee gestopt, omdat me niet thuisvoelde tussen de supporters. Opgefoktheid, oogkleppen en domheid zijn drie woorden die de sfeer in de harde supporterskern van een voetbalclub goed weergeven. Afgelopen weekend was het weer raak. Een groep hersendoden (het woord mongolen, dat geregeld als synoniem voor hooligans wordt gebruikt vermijd ik, dit is een belediging voor de geestelijk gehandicapte medemens) besloot dat vaders met kleine kinderen niet mochten genieten van een oefenwedstrijd tussen Go Ahead Eagles en Ajax.
Hoe anders is de sfeer tijdens concerten en festivals. Iedereen is relaxt en ruzies zie je zelden. Net als bij voetbalwedstrijden zijn hier tienduizenden mensen op de been, maar op de één of andere manier lukt het mensen hier wel vreedzaam met elkaar om te gaan. Zelfs als je op Rock Werchter bij een temperatuur van 35 graden voor je stoelgang afhankelijk bent van broeierige dixi’s blijft de sfeer geweldig. Die enkele keer dat ik iemand zag uitflippen was er overduidelijk sprake van geestverruimende middelen (hoewel ik dat woord nooit heb begrepen, geestbeperkend lijkt me hier beter op zijn plaats).
Waarom gaat het bij concerten en festivals bijna altijd goed, en bij voetbalwedstrijden altijd mis? Bij beide zijn grote menigtes op de been, die een behoorlijke hoeveelheid drank en drugs nuttigen. Maar de ene menigte is de andere niet. De Dijk kan met een gerust hart optreden in Den Haag, zonder dat Golden Earring-fans daar komen rellen. Moet je eens kijken als Ajax tegen ADO Den Haag moet spelen. De vergelijking tussen een band en een voetbalclub lijkt krom, maar blijkbaar roept een band veel minder chauvinistische gevoelens op dan een voetbalclub. Een voetbalclub vertegenwoordigt een stad of streek, bij een band is dat minder. Maar ook bands die heel duidelijk voor een streek staan, zoals Normaal (Achterhoek) of Rowwen Hèze (Limburg), kunnen gewoon in andere streken optreden. Dat lijkt ook de gewoonste zaak van de wereld, maar als je het afzet tegen de belachelijke taferelen die bij voetbalwedstrijden plaatsvinden, zou je je bijna afvragen hoe lang dat nog goedgaat.
0
Ace
geplaatst: 25 juli 2007, 09:21 uur
MuMe-column 3: De Meesterknecht
Als wielerliefhebber begaf ik me afgelopen week met 6 vrienden naar Tignes. Op zondag zou een prachtige etappe beëindigd worden met een finish bergop in het Franse skioord.
Vroeg in de middag nestelden we ons, uitgedost in zeer herkenbaar Oranje en omhangen met Rabobank-vlaggen, een kilometer of vier van de eindstreep. Koelboxen tot de nok afgeladen met bier werden meegezeuld en vervolgens werd er rustig gewacht op het circus dat Tour de France heet. Geïnspireerd door onze gemeenschappelijke held Maarten Ducrot werden de wielerclichés in rap tempo, zonder dat we het eigenlijk zelf in de gaten hadden, aan onze reguliere woordenschat toegevoegd. Wanneer de koelbox open ging om het zoveelste biertje te pakken werd er ‘even aan de boom geschud’. Dronk iemand niet door dan was de kans vrij groot dat hij er wel eens snel ‘afgepierd’ kon worden. Passerende fietsers die de grote mannen na probeerden te doen werden quasi-lollig nageroepen: ‘Kijk, die roept om zijn moeder!’. Kortom, de Oranje-wieleronderbroekenlol was niet van de lucht en de Oostenrijkers, Duitsers, Fransen, Belgen en Denen om ons heen hadden al snel in de gaten dat er met ons niet te spotten viel! Als ware pioniers hadden wij ons eigen stukje berg afgebakend. De enige mensen die zich op het door ons met grote zorg afgebakende territorium mochten bevinden waren wijzelf en die ene Nederlandse buurman die zo helder was geweest zijn wereldontvanger mee te nemen.
Op het moment dat de reclamecaravan het hamstergedrag en oerinstinct van een ieder op de berg naar boven bracht, trilde er iets in mijn broekzak. Ik pakte mijn telefoon en opende het zojuist ontvangen sms-je: “Leuk daar bij de Tour? Even wat anders: de gitarist van Madrugada is dood gevonden en de doodsoorzaak is nog niet bekend. Apart verhaal hè? Veel plezier nog daar!”. Ik werd er stil van en een naar idiote groene, door het welbekende PMU gesponsorde, handen graaiende vriend, uitgedost in zojuist verkregen Bouygues Telecom shirt, keek me aan en vroeg: “Is er wat?”. Hij kwam er even bij zitten en luisterde naar mijn verhaal. Hoe ik vele malen naar zalen als Melkweg, Paradiso, Tivoli en De Effenaar ging om daar één van mijn favoriete bands, het Noorse Madrugada, op te zien treden. Dat ik de muziek zo geweldig vind en hoe enerverend die liveoptredens wel waren. De geforceerd spastisch bewegende zanger Sivert Høyem die met zijn prachtige donkere stem de zaal in vervoering bracht. “Nou”, zei ik: “De gitarist van die band is dood, 31 jaar oud geworden. Hij heette Robert Burås”. Hij keek me quasi-medelijdend aan en vroeg wat voor muziek het is, waar je dat nou mee kan vergelijken. Tja, ik kon hem niet direct een pasklaar antwoord geven.
Op het moment dat ik druk aan het verzinnen was en de ene na de andere potentiële vergelijkingsartiest uit de categorie ‘die kent iedereen wel’ mijn gedachten liet passeren, begon een brommend geluid zich steeds meer naar de voorgrond te verdringen. Voor ik me goed en wel realiseerde wat het eigenlijk was sprong mijn luisterend oor van kort daarvoor op en riep, zich half verslikkend in zijn bier: “Hé, de helikopters! Daar komt Rasmussen!”. Ik drukte me met moeite uit mijn stoel, verschanste me op een strategische plaats, klemde mijn Rabo-vlag in mijn handen, boog me gewapend met fototoestel als een wannabe Joop van Tellingen over de weg en zag in de verte een iel in oranje gekleed mannetje, begeleid door de ploegleiderwagen van Erik Dekker, opdoemen. Ik nam mijn gewenste foto, gooide snel het toestel aan de kant en schreeuwde de Deen de laatste kilometers van de eerste door Rabobank gewonnen etappe van de Tour de France 2007 in.
Een paar uur later in ons appartement bekeken we de samenvatting van de op die dag bezochte etappe. Het is natuurlijk hartstikke leuk om al carnavallend de renners de berg op te schreeuwen, maar uiteindelijk zie je niet meer dan 100 meter van een etappe die vele uren en vele kilometers lang was. Zo hadden we weinig meegekregen van het feit dat een gedeelte van de Rabo-ploeg flink tempo had gemaakt. Michael Boogerd, die naar het op het moment van schrijven blijkt wellicht bezig is aan zijn beste Tour ooit, was in flink tempo de berg opgegaan. Rijdend voor zijn kopman Denis Menchov of kandidaat voor de bolletjestrui en uiteindelijke etappewinnaar Michael Rasmussen, was zijn taak simpel: zo hard mogelijk rijden voor je kopmannen en uiteindelijk, wanneer het gros van de concurrenten krakend gelost is en je zelf uiteindelijk ook ‘eraf gepierd’ dreigt te worden, overschakelen op ‘de overlevingsstand’ en in eigen tempo naar boven rijden. Ik bedacht me hoe ondankbaar de taak van knecht, en in het geval van Boogerd meesterknecht, eigenlijk is. Je rijdt je helemaal kapot, bent een van de belangrijkste schakels in het geheel en de uiteindelijke glorie is voor een ander.
Terwijl de aftiteling van het programma door het beeld trok en de glimmende schedel van de Franse versie van Mart Smeets plaatsmaakte voor een reclamespotje van Skoda, vroeg de vriend die ‘s middags nog gediend had als nazorg: “Zeg, die band hè, waar je het vanmiddag over had… Heb je daar ook een cd van bij je?”. Ik pakte het meesterwerk Industrial Silence en zette het op. Niet te hard uiteraard, daar ik me er terdege van bewust was dat ik omringd werd door een stel muzikale proleten. Terwijl de eerste klanken van openingsnummer Vocal door de kamer voerden, dwaalden mijn gedachten af naar een jaar of twee geleden. Madrugada trad op in De Effenaar in Eindhoven en gaf een geweldig concert. Ik liet de setlist over mijn netvlies en langs mijn trommelvlies passeren en zette de opname even stil op het moment dat de Noorse band het prachtige Majesty ten gehore bracht. Het ingetogen nummer van het album Gritt werd op majestueuze wijze gespeeld. Na een paar minuten ingetogen zang van Sivert Høyem ging deze erbij zitten en droeg het stokje over aan gitarist Robert Burås. Het op zichzelf al kippenvel opwekkende Majesty werd door de gitarist nog een paar minuten uitgerekt met een schitterende solo. Zo’n solo die je zo af en toe eens hoort; niet te lang, niet te kort. Gewoon precies goed. Het publiek was dolenthousiast. De meesterknecht kreeg van zijn kopman even de ruimte om zelf op de hoogste trede van het podium te staan.
Op het moment dat ik een slokje nam van mijn zoveelste biertje van die dag en me opmaakte voor een avondje stappen in het Tour Café, realiseerde ik me dat ik er in deze samenstelling nooit meer getuige van zal mogen zijn.
Robert Burås overleed op 12 juli 2007. Hij werd slechts 31 jaar.
Als wielerliefhebber begaf ik me afgelopen week met 6 vrienden naar Tignes. Op zondag zou een prachtige etappe beëindigd worden met een finish bergop in het Franse skioord.
Vroeg in de middag nestelden we ons, uitgedost in zeer herkenbaar Oranje en omhangen met Rabobank-vlaggen, een kilometer of vier van de eindstreep. Koelboxen tot de nok afgeladen met bier werden meegezeuld en vervolgens werd er rustig gewacht op het circus dat Tour de France heet. Geïnspireerd door onze gemeenschappelijke held Maarten Ducrot werden de wielerclichés in rap tempo, zonder dat we het eigenlijk zelf in de gaten hadden, aan onze reguliere woordenschat toegevoegd. Wanneer de koelbox open ging om het zoveelste biertje te pakken werd er ‘even aan de boom geschud’. Dronk iemand niet door dan was de kans vrij groot dat hij er wel eens snel ‘afgepierd’ kon worden. Passerende fietsers die de grote mannen na probeerden te doen werden quasi-lollig nageroepen: ‘Kijk, die roept om zijn moeder!’. Kortom, de Oranje-wieleronderbroekenlol was niet van de lucht en de Oostenrijkers, Duitsers, Fransen, Belgen en Denen om ons heen hadden al snel in de gaten dat er met ons niet te spotten viel! Als ware pioniers hadden wij ons eigen stukje berg afgebakend. De enige mensen die zich op het door ons met grote zorg afgebakende territorium mochten bevinden waren wijzelf en die ene Nederlandse buurman die zo helder was geweest zijn wereldontvanger mee te nemen.
Op het moment dat de reclamecaravan het hamstergedrag en oerinstinct van een ieder op de berg naar boven bracht, trilde er iets in mijn broekzak. Ik pakte mijn telefoon en opende het zojuist ontvangen sms-je: “Leuk daar bij de Tour? Even wat anders: de gitarist van Madrugada is dood gevonden en de doodsoorzaak is nog niet bekend. Apart verhaal hè? Veel plezier nog daar!”. Ik werd er stil van en een naar idiote groene, door het welbekende PMU gesponsorde, handen graaiende vriend, uitgedost in zojuist verkregen Bouygues Telecom shirt, keek me aan en vroeg: “Is er wat?”. Hij kwam er even bij zitten en luisterde naar mijn verhaal. Hoe ik vele malen naar zalen als Melkweg, Paradiso, Tivoli en De Effenaar ging om daar één van mijn favoriete bands, het Noorse Madrugada, op te zien treden. Dat ik de muziek zo geweldig vind en hoe enerverend die liveoptredens wel waren. De geforceerd spastisch bewegende zanger Sivert Høyem die met zijn prachtige donkere stem de zaal in vervoering bracht. “Nou”, zei ik: “De gitarist van die band is dood, 31 jaar oud geworden. Hij heette Robert Burås”. Hij keek me quasi-medelijdend aan en vroeg wat voor muziek het is, waar je dat nou mee kan vergelijken. Tja, ik kon hem niet direct een pasklaar antwoord geven.
Op het moment dat ik druk aan het verzinnen was en de ene na de andere potentiële vergelijkingsartiest uit de categorie ‘die kent iedereen wel’ mijn gedachten liet passeren, begon een brommend geluid zich steeds meer naar de voorgrond te verdringen. Voor ik me goed en wel realiseerde wat het eigenlijk was sprong mijn luisterend oor van kort daarvoor op en riep, zich half verslikkend in zijn bier: “Hé, de helikopters! Daar komt Rasmussen!”. Ik drukte me met moeite uit mijn stoel, verschanste me op een strategische plaats, klemde mijn Rabo-vlag in mijn handen, boog me gewapend met fototoestel als een wannabe Joop van Tellingen over de weg en zag in de verte een iel in oranje gekleed mannetje, begeleid door de ploegleiderwagen van Erik Dekker, opdoemen. Ik nam mijn gewenste foto, gooide snel het toestel aan de kant en schreeuwde de Deen de laatste kilometers van de eerste door Rabobank gewonnen etappe van de Tour de France 2007 in.
Een paar uur later in ons appartement bekeken we de samenvatting van de op die dag bezochte etappe. Het is natuurlijk hartstikke leuk om al carnavallend de renners de berg op te schreeuwen, maar uiteindelijk zie je niet meer dan 100 meter van een etappe die vele uren en vele kilometers lang was. Zo hadden we weinig meegekregen van het feit dat een gedeelte van de Rabo-ploeg flink tempo had gemaakt. Michael Boogerd, die naar het op het moment van schrijven blijkt wellicht bezig is aan zijn beste Tour ooit, was in flink tempo de berg opgegaan. Rijdend voor zijn kopman Denis Menchov of kandidaat voor de bolletjestrui en uiteindelijke etappewinnaar Michael Rasmussen, was zijn taak simpel: zo hard mogelijk rijden voor je kopmannen en uiteindelijk, wanneer het gros van de concurrenten krakend gelost is en je zelf uiteindelijk ook ‘eraf gepierd’ dreigt te worden, overschakelen op ‘de overlevingsstand’ en in eigen tempo naar boven rijden. Ik bedacht me hoe ondankbaar de taak van knecht, en in het geval van Boogerd meesterknecht, eigenlijk is. Je rijdt je helemaal kapot, bent een van de belangrijkste schakels in het geheel en de uiteindelijke glorie is voor een ander.
Terwijl de aftiteling van het programma door het beeld trok en de glimmende schedel van de Franse versie van Mart Smeets plaatsmaakte voor een reclamespotje van Skoda, vroeg de vriend die ‘s middags nog gediend had als nazorg: “Zeg, die band hè, waar je het vanmiddag over had… Heb je daar ook een cd van bij je?”. Ik pakte het meesterwerk Industrial Silence en zette het op. Niet te hard uiteraard, daar ik me er terdege van bewust was dat ik omringd werd door een stel muzikale proleten. Terwijl de eerste klanken van openingsnummer Vocal door de kamer voerden, dwaalden mijn gedachten af naar een jaar of twee geleden. Madrugada trad op in De Effenaar in Eindhoven en gaf een geweldig concert. Ik liet de setlist over mijn netvlies en langs mijn trommelvlies passeren en zette de opname even stil op het moment dat de Noorse band het prachtige Majesty ten gehore bracht. Het ingetogen nummer van het album Gritt werd op majestueuze wijze gespeeld. Na een paar minuten ingetogen zang van Sivert Høyem ging deze erbij zitten en droeg het stokje over aan gitarist Robert Burås. Het op zichzelf al kippenvel opwekkende Majesty werd door de gitarist nog een paar minuten uitgerekt met een schitterende solo. Zo’n solo die je zo af en toe eens hoort; niet te lang, niet te kort. Gewoon precies goed. Het publiek was dolenthousiast. De meesterknecht kreeg van zijn kopman even de ruimte om zelf op de hoogste trede van het podium te staan.
Op het moment dat ik een slokje nam van mijn zoveelste biertje van die dag en me opmaakte voor een avondje stappen in het Tour Café, realiseerde ik me dat ik er in deze samenstelling nooit meer getuige van zal mogen zijn.
Robert Burås overleed op 12 juli 2007. Hij werd slechts 31 jaar.
0
geplaatst: 30 juli 2007, 13:20 uur
MuMe-column 4: Een dag in het leven
(Was: A day in the life)
Is dit nu leven?
…
Is die vraag niet al beantwoord?
Nou ja.
In de vakantie word ik wakker geroepen om 13.00, als de lunch van de meeste mensen zijn weg vindt naar de mond van de bewust lunchende Nederlander.
Het daadwerkelijke opstaan gaat voor een luiwammes als mij relatief snel.
Eerst kijk ik naar de klok om te zien wanneer ik het beste de stand van zaken kan controleren eer ik mezelf met mijn dagelijkse dosis goed gif (22 eenheden strikt) kan injecteren, vervolgens komt het beste begin van een luie morgen: Mijn Mp3-speler.
387 nummers en ik draai er maar een, hoogstens twee, als ik wakker word.
Muziek is een goed begin van eigenlijk elke dag., want geloof me: Ik wil liever een beetje bepalen waar ik zelf langzaam wakker mee word in plaats van dat ik Giel Beelen zijn dagelijkse rotkost hoor uitkramen en dan eindelijk een nummer begint dat je juist niet verwacht had. En dat hij dat nummer gaat draaien is dan meestal tegen de tijd dat ik naar onder ga en ik dus de wekker uitzet.
Natuurlijk, ik gebruik het ‘radioalarm’ voor school, maar zoals ik al zei:
3FM biedt gewoon niet wat ik ervan verwacht had.
Oké, na een tijdje raak je gewend aan het gepraat van meneer Beelen en word je er vroeg of laat Oost-Indisch doof voor, maar 3FM blijft wel heel ontrouw aan het motto ‘de nieuwste hits brengen’.
Als ik opsta verwacht ik een domme remix van een heel ouderwetse hit of de cover van een heel ouderwetse hit die gezongen is alsof de uitvoerende een flinke rits geestverruimde stoffen ophad toen hij/zij bedacht dat dit nummer gecoverd moest worden.
Zoiets verwacht ik dus, maar ik wil het niet horen. De muziek die ik wil horen als ik wakker word zijn nummers die door de artiest zelf zijn uitgedacht. Qua tekst, melodie en wat niet al.
Goed, nu zal ik niet de eerste zijn om alsnog te bekennen dat ik sommige covers/remixen wel degelijk beter vind dan het oorspronkelijke nummer, maar het is niet zo dat ik deze nummers hoor als ik wakker word.
Het commerciële goed voedt immers de media.
Al is het eerder ironisch te noemen dat het commerciële goed van vroeger al zover uitgespeeld is dat het de huidige media niet meer kan voeden.
De gedachte: ‘Wat is er gebeurd met de oude muziek?’ gaat soms dagelijks nog door mijn hoofd.
Maar erover denken doe ik niet.
Nee, want daarvoor is het al te laat.
Dus als ik mijn Mp3 opzet op zo’n luie middag, (Wat voor mij eigenlijk een morgen is, aangezien ik dan opsta) waar ik dan naar luister?
Meestal de nummers waar ik hopeloos verslaafd aan ben. Op dit moment zijn dat ‘Universal mind’ van Liquid Tension Expiriment, ‘These walls’ van Dream Theater en de synthesizersolo uit ‘Octavarium’, eveneens DT.
Hoe verslaafd ben ik aan die nummers?
Goede vraag. Ik kan alleen het ziektebeeld beschrijven, de mate van verslaving moet daaruit geconcludeerd worden.
Ik luister deze twee nummers gemiddeld twee keer tussen het opstaan en het ontbijt.
Dan luister ik ze totaal ongeveer tien keer tussen 14.00 en 21.00, dan spoken ze van 21.00 tot 23.20 plezierig door mijn hoofd en dan luister ik ze zovaak nog als mogelijk van 23.50 tot 00.25.
Och, verslavingen zijn zo erg nog niet.
Afgaande op het feit dat toen ik ‘The working hour’ van Tears For Fears (Nog steeds mijn absolute nummer 1) ontdekt had ik het van 14.00 tot 19.00 (en in de uren daarna) non-stop draaide, vind ik dit geval nog meevallen.
Nog meer muziek.
De parkfeesten in Venlo zijn inmiddels een gevestigd begrip rond Venlonaren en mensen uit de omgeving.
Jaarlijks trekken duizenden mensen naar het Julianapark om op de diverse podia bekende en minder bekende bands te zien optreden.
Wat er het leukste aan is? Het is gratis.
Ik zal eerlijk toegeven dat deze gebeurtenis de enige is die me na zessen nog naar Venlo-centrum brengt.
En ja, ik ben zo’n wezen waarvan men dacht dat het uitgestorven was: De huismus. Dat ik er voornamelijk de minder leuke kant van ervaar zou niet eens een zo grove opmerking zijn.
Wat? Ben ik saai? Ben ik een braverik?
Waarschijnlijk wel en nee. Ik dacht eerst dat het te wijten was aan mijn veronderstelde verlegenheid, maar aangezien ik op een podium gestaan heb, 3 nachten achter elkaar, voor een zaal met 250 mensen per avond, weet ik dat het daar niet aan ligt.
Wat het dan is? Zijn de leukste raadsels niet hun die onbeantwoordbaar zijn?
In ieder geval, terug naar de parkfeesten.
Wat er het minder leuke aan is? De consumptieprijs.
Ik ben best bereid wat geld voor fatsoenlijk drinken uit te geven, maar als je je bedenkt dat je alleen kunt betalen met bonnetjes (1,80 p.s.) en het verkooppunt op de openingsdag nog drukker is dan een rij bij de Tour…
Op zich maakt de prijs niet uit, want waarom daarover klagen als je gewoon lekker van concerten kunt genieten terwijl je in het verse gras ligt en de zon mooi op je schijnt?
Precies.
Dus, als je ’s morgens wakker wordt geroepen met de wetenschap dat je vanavond losgaat in het park kun je gerust lachen, je Mp3-speler opzetten en Giel Beelen laten voor wat hij is.
(Was: A day in the life)
Is dit nu leven?
…
Is die vraag niet al beantwoord?
Nou ja.
In de vakantie word ik wakker geroepen om 13.00, als de lunch van de meeste mensen zijn weg vindt naar de mond van de bewust lunchende Nederlander.
Het daadwerkelijke opstaan gaat voor een luiwammes als mij relatief snel.
Eerst kijk ik naar de klok om te zien wanneer ik het beste de stand van zaken kan controleren eer ik mezelf met mijn dagelijkse dosis goed gif (22 eenheden strikt) kan injecteren, vervolgens komt het beste begin van een luie morgen: Mijn Mp3-speler.
387 nummers en ik draai er maar een, hoogstens twee, als ik wakker word.
Muziek is een goed begin van eigenlijk elke dag., want geloof me: Ik wil liever een beetje bepalen waar ik zelf langzaam wakker mee word in plaats van dat ik Giel Beelen zijn dagelijkse rotkost hoor uitkramen en dan eindelijk een nummer begint dat je juist niet verwacht had. En dat hij dat nummer gaat draaien is dan meestal tegen de tijd dat ik naar onder ga en ik dus de wekker uitzet.
Natuurlijk, ik gebruik het ‘radioalarm’ voor school, maar zoals ik al zei:
3FM biedt gewoon niet wat ik ervan verwacht had.
Oké, na een tijdje raak je gewend aan het gepraat van meneer Beelen en word je er vroeg of laat Oost-Indisch doof voor, maar 3FM blijft wel heel ontrouw aan het motto ‘de nieuwste hits brengen’.
Als ik opsta verwacht ik een domme remix van een heel ouderwetse hit of de cover van een heel ouderwetse hit die gezongen is alsof de uitvoerende een flinke rits geestverruimde stoffen ophad toen hij/zij bedacht dat dit nummer gecoverd moest worden.
Zoiets verwacht ik dus, maar ik wil het niet horen. De muziek die ik wil horen als ik wakker word zijn nummers die door de artiest zelf zijn uitgedacht. Qua tekst, melodie en wat niet al.
Goed, nu zal ik niet de eerste zijn om alsnog te bekennen dat ik sommige covers/remixen wel degelijk beter vind dan het oorspronkelijke nummer, maar het is niet zo dat ik deze nummers hoor als ik wakker word.
Het commerciële goed voedt immers de media.
Al is het eerder ironisch te noemen dat het commerciële goed van vroeger al zover uitgespeeld is dat het de huidige media niet meer kan voeden.
De gedachte: ‘Wat is er gebeurd met de oude muziek?’ gaat soms dagelijks nog door mijn hoofd.
Maar erover denken doe ik niet.
Nee, want daarvoor is het al te laat.
Dus als ik mijn Mp3 opzet op zo’n luie middag, (Wat voor mij eigenlijk een morgen is, aangezien ik dan opsta) waar ik dan naar luister?
Meestal de nummers waar ik hopeloos verslaafd aan ben. Op dit moment zijn dat ‘Universal mind’ van Liquid Tension Expiriment, ‘These walls’ van Dream Theater en de synthesizersolo uit ‘Octavarium’, eveneens DT.
Hoe verslaafd ben ik aan die nummers?
Goede vraag. Ik kan alleen het ziektebeeld beschrijven, de mate van verslaving moet daaruit geconcludeerd worden.
Ik luister deze twee nummers gemiddeld twee keer tussen het opstaan en het ontbijt.
Dan luister ik ze totaal ongeveer tien keer tussen 14.00 en 21.00, dan spoken ze van 21.00 tot 23.20 plezierig door mijn hoofd en dan luister ik ze zovaak nog als mogelijk van 23.50 tot 00.25.
Och, verslavingen zijn zo erg nog niet.
Afgaande op het feit dat toen ik ‘The working hour’ van Tears For Fears (Nog steeds mijn absolute nummer 1) ontdekt had ik het van 14.00 tot 19.00 (en in de uren daarna) non-stop draaide, vind ik dit geval nog meevallen.
Nog meer muziek.
De parkfeesten in Venlo zijn inmiddels een gevestigd begrip rond Venlonaren en mensen uit de omgeving.
Jaarlijks trekken duizenden mensen naar het Julianapark om op de diverse podia bekende en minder bekende bands te zien optreden.
Wat er het leukste aan is? Het is gratis.
Ik zal eerlijk toegeven dat deze gebeurtenis de enige is die me na zessen nog naar Venlo-centrum brengt.
En ja, ik ben zo’n wezen waarvan men dacht dat het uitgestorven was: De huismus. Dat ik er voornamelijk de minder leuke kant van ervaar zou niet eens een zo grove opmerking zijn.
Wat? Ben ik saai? Ben ik een braverik?
Waarschijnlijk wel en nee. Ik dacht eerst dat het te wijten was aan mijn veronderstelde verlegenheid, maar aangezien ik op een podium gestaan heb, 3 nachten achter elkaar, voor een zaal met 250 mensen per avond, weet ik dat het daar niet aan ligt.
Wat het dan is? Zijn de leukste raadsels niet hun die onbeantwoordbaar zijn?
In ieder geval, terug naar de parkfeesten.
Wat er het minder leuke aan is? De consumptieprijs.
Ik ben best bereid wat geld voor fatsoenlijk drinken uit te geven, maar als je je bedenkt dat je alleen kunt betalen met bonnetjes (1,80 p.s.) en het verkooppunt op de openingsdag nog drukker is dan een rij bij de Tour…
Op zich maakt de prijs niet uit, want waarom daarover klagen als je gewoon lekker van concerten kunt genieten terwijl je in het verse gras ligt en de zon mooi op je schijnt?
Precies.
Dus, als je ’s morgens wakker wordt geroepen met de wetenschap dat je vanavond losgaat in het park kun je gerust lachen, je Mp3-speler opzetten en Giel Beelen laten voor wat hij is.
0
geplaatst: 11 augustus 2007, 15:41 uur
MuMe Column 6 Sloveense Hardrock
In het enige café van het Sloveense dorp waarvan ik de naam niet meer weet bracht ik een keer de avond door met een gezelschap aldaar ontmoete Nederlanders(je ziet ze ook overal). Het was een lachwekkend café. Op de muren waren kitscherige afbeeldingen van naakte draken te zijn. Nu dragen draken normaliter geen kleren, echter in de geïllustreerde sprookjesboeken die ik heb gelezen heb ik nog nooit een plaatje gezien van een draak waarvan de penis zo prominent in beeld was gebracht.
Op de gevel van het café stond het trotse bord ‘Motorcafé Dragoncave’, voor de deur stond slechts een oude, verroeste brommer. Aan een tafeltje zaten twee straalbezopen Slovenen. Met die twee zouden we later nog een potje poolen, waarbij de ene Sloveen het muntje niet eens in het gleufje van de pooltafel kreeg om het potje te betalen, maar wel ons één voor één er uitspeelde en daarmee een biertje verdiende.
Alle indrukken gingen gepaard onder de soundtrack van de luide Sloveense hardrock die werd gedraaid. Bij het woord Hardrock begint mijn borsthaar spontaan te groeien, krijg ik spontaan bakkebaarden en heb ik zin om met bier te gooien. Sloveense hardrock blijkt echter een stapje verder te gaan, de hell-yeah’s vliegen naar je kop, en de meezingrefreintjes zijn nóg makkelijker(“Woohooo”). Bij elk nummer kan je de Sloveense volksdans drie keer zo snel doen. Hardrock smaakt naar lauw bier, Sloveense hardrock naar warm bier.
Deze vakantie was het weer raak. Op één of andere manier wordt ik op vakantie altijd geconfronteerd met de plaatselijke wansmaak. Vorig jaar in Zweden belandde ik op een ware “karaoke-camping”. Elke avond was er in het campingcafé een karaokeshow die luid over de camping schalde. De omroeper kondigde aan: “This is Max!”, waarop een aandachtsgeile jongen van een jaar of 12 een Zweedstalige klassieker ten gehore bracht met veels te veel bravoure. Zweden, was dat niet het land van de “perfecte popliedjes”, van Peter, Björn & John, Loney, Dear, The Hives en Shout Out Louds? Een uur later kondigde de omroeper aan: “This is Max!”, waarop diezelfde snotneus naar voren kwam en een Zweedse klassieker vertolkte. Twee dronken meisjes die Bryan Adams’ Summer of 69 vertolkten waren het muzikale hoogtepunt van de avond.
En na het doorstaan van ‘Max de Zweedse Gordon in opleiding’ en de Sloveense variant op Kiss, ben je dankbaar dat er op een Sloveense alpentop stilte is. De wandeling is lang, maar de voldoening des te groter bij het bereiken van de top. Geluid is er vrijwel niet, op het rinkelen van koebellen in de verte na. Een roofvogel zweeft over het wijd uitgestrekte landschap. De stilte is prachtig.
Sommige muziek is zo nietszeggend.
In het enige café van het Sloveense dorp waarvan ik de naam niet meer weet bracht ik een keer de avond door met een gezelschap aldaar ontmoete Nederlanders(je ziet ze ook overal). Het was een lachwekkend café. Op de muren waren kitscherige afbeeldingen van naakte draken te zijn. Nu dragen draken normaliter geen kleren, echter in de geïllustreerde sprookjesboeken die ik heb gelezen heb ik nog nooit een plaatje gezien van een draak waarvan de penis zo prominent in beeld was gebracht.
Op de gevel van het café stond het trotse bord ‘Motorcafé Dragoncave’, voor de deur stond slechts een oude, verroeste brommer. Aan een tafeltje zaten twee straalbezopen Slovenen. Met die twee zouden we later nog een potje poolen, waarbij de ene Sloveen het muntje niet eens in het gleufje van de pooltafel kreeg om het potje te betalen, maar wel ons één voor één er uitspeelde en daarmee een biertje verdiende.
Alle indrukken gingen gepaard onder de soundtrack van de luide Sloveense hardrock die werd gedraaid. Bij het woord Hardrock begint mijn borsthaar spontaan te groeien, krijg ik spontaan bakkebaarden en heb ik zin om met bier te gooien. Sloveense hardrock blijkt echter een stapje verder te gaan, de hell-yeah’s vliegen naar je kop, en de meezingrefreintjes zijn nóg makkelijker(“Woohooo”). Bij elk nummer kan je de Sloveense volksdans drie keer zo snel doen. Hardrock smaakt naar lauw bier, Sloveense hardrock naar warm bier.
Deze vakantie was het weer raak. Op één of andere manier wordt ik op vakantie altijd geconfronteerd met de plaatselijke wansmaak. Vorig jaar in Zweden belandde ik op een ware “karaoke-camping”. Elke avond was er in het campingcafé een karaokeshow die luid over de camping schalde. De omroeper kondigde aan: “This is Max!”, waarop een aandachtsgeile jongen van een jaar of 12 een Zweedstalige klassieker ten gehore bracht met veels te veel bravoure. Zweden, was dat niet het land van de “perfecte popliedjes”, van Peter, Björn & John, Loney, Dear, The Hives en Shout Out Louds? Een uur later kondigde de omroeper aan: “This is Max!”, waarop diezelfde snotneus naar voren kwam en een Zweedse klassieker vertolkte. Twee dronken meisjes die Bryan Adams’ Summer of 69 vertolkten waren het muzikale hoogtepunt van de avond.
En na het doorstaan van ‘Max de Zweedse Gordon in opleiding’ en de Sloveense variant op Kiss, ben je dankbaar dat er op een Sloveense alpentop stilte is. De wandeling is lang, maar de voldoening des te groter bij het bereiken van de top. Geluid is er vrijwel niet, op het rinkelen van koebellen in de verte na. Een roofvogel zweeft over het wijd uitgestrekte landschap. De stilte is prachtig.
Sommige muziek is zo nietszeggend.
0
geplaatst: 16 augustus 2007, 14:52 uur
MuMe column 7 Genderlicious
Muziek is voor iedereen. Toch? Jazeker. Muziek is zelfs de enige universele taal. Uit welk land je ook komt, iedereen voelt het. Iedereen “danst” erop. Ook al verstaan ze er geen reet van.
Maar is alle muziek wel voor iedereen? Zelfs dat. Iedereen kan bij elk genre. Allemaal door het fenomeen downloaden, oftewel pindakazen. Of ze dat ook doen, dat valt te betwijfelen, maar… het kan.
Iedereen beleeft muziek wel heel anders als de ander. Sommige nemen genoegen met de radio. Aan de andere kant staan die personen die alles tot in de puntjes willen uitpluizen over hun favoriete muziek. Man of vrouw, jong of oud.
Als we ons dan richten op deze laatste groep, zeg maar de MusicMeter-groep, dan zullen daar best zowel mannen als vrouwen tussen zitten. Maar… kijk op MusicMeter en zie bovenal users van het mannelijke geslacht.
Waarom?
Ja, waarom is de vraag. Is het omdat mannen beter met computers overweg kunnen? Het is immers een internetsite. Is het dat mannen meer van lijstjes houden? Die zijn er immers in overtal op de site. Zijn mannen misschien socialer? Lullen ze liever met mensen op een forum dan vrouwen dat doen? Misschien hebben mannen wel veel meer met muziek als vrouwen dat hebben? Of… en meest waarschijnlijk, ligt het aan iets waar elke man last van heeft. Iets waar elke man soms maar lastig mee overweg kan. Iets wat menig man in volle glorie wil tonen, en wil strelen. Zijn ego!
Een ego. Ongrijpbaar aanwezig. Meer willen weten als een ander en dat dan laten zien op een site. Ergens de beste in willen zijn. De zin doordraven. Controle hebben en daar expliciet mee naar buiten treden. Menig man, waaronder ikzelf, zal zich hier geheel of gedeeltelijk in herkennen.
Mannen! Ga hier gewoon mee door. Anders missen we een stuk muzikaal plezier. Anders zal MusicMeter zo anders, zo stil zijn.
Vrouwen! Laat uw vriendinnen zich aanmelden op MusicMeter. Doe actief mee. Een overdaad aan testosteron verveelt immers ook zo snel.
Muziek is voor iedereen. Toch? Jazeker. Muziek is zelfs de enige universele taal. Uit welk land je ook komt, iedereen voelt het. Iedereen “danst” erop. Ook al verstaan ze er geen reet van.
Maar is alle muziek wel voor iedereen? Zelfs dat. Iedereen kan bij elk genre. Allemaal door het fenomeen downloaden, oftewel pindakazen. Of ze dat ook doen, dat valt te betwijfelen, maar… het kan.
Iedereen beleeft muziek wel heel anders als de ander. Sommige nemen genoegen met de radio. Aan de andere kant staan die personen die alles tot in de puntjes willen uitpluizen over hun favoriete muziek. Man of vrouw, jong of oud.
Als we ons dan richten op deze laatste groep, zeg maar de MusicMeter-groep, dan zullen daar best zowel mannen als vrouwen tussen zitten. Maar… kijk op MusicMeter en zie bovenal users van het mannelijke geslacht.
Waarom?
Ja, waarom is de vraag. Is het omdat mannen beter met computers overweg kunnen? Het is immers een internetsite. Is het dat mannen meer van lijstjes houden? Die zijn er immers in overtal op de site. Zijn mannen misschien socialer? Lullen ze liever met mensen op een forum dan vrouwen dat doen? Misschien hebben mannen wel veel meer met muziek als vrouwen dat hebben? Of… en meest waarschijnlijk, ligt het aan iets waar elke man last van heeft. Iets waar elke man soms maar lastig mee overweg kan. Iets wat menig man in volle glorie wil tonen, en wil strelen. Zijn ego!
Een ego. Ongrijpbaar aanwezig. Meer willen weten als een ander en dat dan laten zien op een site. Ergens de beste in willen zijn. De zin doordraven. Controle hebben en daar expliciet mee naar buiten treden. Menig man, waaronder ikzelf, zal zich hier geheel of gedeeltelijk in herkennen.
Mannen! Ga hier gewoon mee door. Anders missen we een stuk muzikaal plezier. Anders zal MusicMeter zo anders, zo stil zijn.
Vrouwen! Laat uw vriendinnen zich aanmelden op MusicMeter. Doe actief mee. Een overdaad aan testosteron verveelt immers ook zo snel.
2
geplaatst: 20 augustus 2007, 14:27 uur
Sex, Drugs & Rock & Roll
- Sex, Drugs & Rock & Roll -
Deze frase is tot op de dag van vandaag ontelbare malen aangehaald om de ware geneugtes van het leven te beschrijven. Wie denkt dat het een moderne uitspraak is, zit er goed naast. De oude Perzen schreven al reeds eeuwen geleden (nog voordat de islam zijn intrede deed) verzen over wat zij noemden: ‘wijn, vrouwen en zang’. Tegenwoordig dient de zinspraak vooral om aan een bepaalde levensstijl, voornamelijk gehanteerd door rocksterren, te refereren.
Nu concentreert MusicMeter zich voornamelijk op het laatste gedeelte van de heilige drie-eenheid. Dat let mij echter niet om ook de eerste twee delen in de discussie op te nemen, en daarbij vooral combinaties van elk met muziek. Eerlijk is eerlijk, voor jan-met-de-pet is de ‘sex, drugs & rock & roll’-levensstijl net zo grijpbaar als de sterren van de melkweg. Vraag hem naar zijn grootste ‘sex, drugs & rock & roll’-moment, en het zal iets zijn als dat hij ooit, na eerst samen een fles wijn leeg geslobberd te hebben, zijn vrouw op de keukentafel heeft genomen met Frans Bauer op de achtergrond. Daarom zal ik dit artikel vooral uit zelfperspectief schrijven, zonder daarbij in details te treden.
De vraag voor mijzelf is: gaan deze drie dingen wel samen? Persoonlijk heb ik bijvoorbeeld tijdens de seks liever helemaal geen muziek aan, of anders een rustig achtergrondmuziekje, in ieder geval geen rock & roll. Drugs en rock & roll gaan daarentegen wel goed samen. Iedereen die wel eens geestverruimende middelen heeft genomen kan beamen dat men onder invloed muziek beter opneemt. Over de combinatie sex & drugs zal ik mij maar niet uitlaten, aangezien me dit niet relevant lijkt voor het verhaal.
Om terug te komen op het onderwerp: puur analytisch gezien is ‘sex, drugs & rock & roll niets bijzonders. (bijna) Iedereen doet het, al dan niet in combinatie met elkaar. Maar ‘sex, drugs & rock & roll’ is meer. Het is een motto van een levensstijl die staat voor vrede, vrijheid en inspiratie. Het is de scheidlijn tussen risiconemers en risicomijders. Het is toegankelijk voor iedereen, maar slechts enkelen grijpen het ook aan. ‘Sex, drugs & rock & roll’ is in feite genieten van het leven zoals het is, zonder je zorgen te maken over je pensioen of je hypotheek.
Persoonlijk ben ik een aanhanger van deze levensstijl. Dat wil niet zeggen dat ik elk weekend compleet bezopen, al AC/DC schreeuwend, door de hoerenbuurt loop, maar dat ik de juiste balans probeer te vinden tussen serieus zijn en plezier hebben. En dat ik elke mogelijkheid aan zal pakken om nieuwe avonturen te beleven, nieuwe mensen te ontmoeten, simpelweg om een goede tijd te hebben. Daarom vind ik festivals ook zo geweldig, omdat daar een heel veel mensen zijn de hetzelfde gezind zijn. Ik kom net weer terug van een week Sziget Festival, en daar gebeurt genoeg om, kort door de bocht gezegd, André Rouvoet een beroerte te bezorgen. Maar ik heb de week van mijn leven gehad!
Tot slot, voor diegene die zichzelf herkent in deze column, zou ik zeggen: blijf genieten! De anderen zou ik willen adviseren, zonder me ergens mee te willen bemoeien, wat meer van het leven te genieten. Sta eens stil bij de dingen die je hebt en neem de tijd om de pracht daarvan tot je te nemen. Alleen dat al is genoeg om het ware ‘sex, drugs & rock & roll’-gevoel te krijgen. En daar hoef je geen pillen voor te slikken.
- Heiko Tit
- Sex, Drugs & Rock & Roll -
Deze frase is tot op de dag van vandaag ontelbare malen aangehaald om de ware geneugtes van het leven te beschrijven. Wie denkt dat het een moderne uitspraak is, zit er goed naast. De oude Perzen schreven al reeds eeuwen geleden (nog voordat de islam zijn intrede deed) verzen over wat zij noemden: ‘wijn, vrouwen en zang’. Tegenwoordig dient de zinspraak vooral om aan een bepaalde levensstijl, voornamelijk gehanteerd door rocksterren, te refereren.
Nu concentreert MusicMeter zich voornamelijk op het laatste gedeelte van de heilige drie-eenheid. Dat let mij echter niet om ook de eerste twee delen in de discussie op te nemen, en daarbij vooral combinaties van elk met muziek. Eerlijk is eerlijk, voor jan-met-de-pet is de ‘sex, drugs & rock & roll’-levensstijl net zo grijpbaar als de sterren van de melkweg. Vraag hem naar zijn grootste ‘sex, drugs & rock & roll’-moment, en het zal iets zijn als dat hij ooit, na eerst samen een fles wijn leeg geslobberd te hebben, zijn vrouw op de keukentafel heeft genomen met Frans Bauer op de achtergrond. Daarom zal ik dit artikel vooral uit zelfperspectief schrijven, zonder daarbij in details te treden.
De vraag voor mijzelf is: gaan deze drie dingen wel samen? Persoonlijk heb ik bijvoorbeeld tijdens de seks liever helemaal geen muziek aan, of anders een rustig achtergrondmuziekje, in ieder geval geen rock & roll. Drugs en rock & roll gaan daarentegen wel goed samen. Iedereen die wel eens geestverruimende middelen heeft genomen kan beamen dat men onder invloed muziek beter opneemt. Over de combinatie sex & drugs zal ik mij maar niet uitlaten, aangezien me dit niet relevant lijkt voor het verhaal.
Om terug te komen op het onderwerp: puur analytisch gezien is ‘sex, drugs & rock & roll niets bijzonders. (bijna) Iedereen doet het, al dan niet in combinatie met elkaar. Maar ‘sex, drugs & rock & roll’ is meer. Het is een motto van een levensstijl die staat voor vrede, vrijheid en inspiratie. Het is de scheidlijn tussen risiconemers en risicomijders. Het is toegankelijk voor iedereen, maar slechts enkelen grijpen het ook aan. ‘Sex, drugs & rock & roll’ is in feite genieten van het leven zoals het is, zonder je zorgen te maken over je pensioen of je hypotheek.
Persoonlijk ben ik een aanhanger van deze levensstijl. Dat wil niet zeggen dat ik elk weekend compleet bezopen, al AC/DC schreeuwend, door de hoerenbuurt loop, maar dat ik de juiste balans probeer te vinden tussen serieus zijn en plezier hebben. En dat ik elke mogelijkheid aan zal pakken om nieuwe avonturen te beleven, nieuwe mensen te ontmoeten, simpelweg om een goede tijd te hebben. Daarom vind ik festivals ook zo geweldig, omdat daar een heel veel mensen zijn de hetzelfde gezind zijn. Ik kom net weer terug van een week Sziget Festival, en daar gebeurt genoeg om, kort door de bocht gezegd, André Rouvoet een beroerte te bezorgen. Maar ik heb de week van mijn leven gehad!
Tot slot, voor diegene die zichzelf herkent in deze column, zou ik zeggen: blijf genieten! De anderen zou ik willen adviseren, zonder me ergens mee te willen bemoeien, wat meer van het leven te genieten. Sta eens stil bij de dingen die je hebt en neem de tijd om de pracht daarvan tot je te nemen. Alleen dat al is genoeg om het ware ‘sex, drugs & rock & roll’-gevoel te krijgen. En daar hoef je geen pillen voor te slikken.
- Heiko Tit
0
geplaatst: 21 augustus 2007, 18:02 uur
Over invloed gesproken
Vroeger. Nostalgisch gekeuvel over hoe mooi het toen wel niet was. Toen, weet je wel, 1967. Tegenwoordig worden mensen neergestoken tijdens het uitgaan, wordt er veel geblowd en gedronken en zijn er zelfs mensen die seks hebben in ruil voor een breezers. In 1967 ging het heel anders, toen relden de studenten met de politie, slikten de jongeren LSD en werd er zoveel overspel gepleegd (vaak met meerdere vrouwen tegelijk) dat er van serieuze relaties geen sprake meer was, laat staan van monogamie. U begrijpt dus wel dat 1967 een totaal andere tijd was, zonder alle problemen met seks, geweld en drugs. Daarom wordt er nu elke dag nog lovend gesproken en geschreven over de aanvoerders van deze cultuur, te weten Jimi Hendrix, The Beatles, The Rolling Stones en Bob Dylan. De realiteit is dat de oorsprong van deze cultuur, de verschillende culturen erna en zelfs de culturen van voor 1967 dieper gezocht moet worden. Er was een groep die zich al veel eerder met seksuele vrijheid, fleurige kleding en het experimenteren met drugs bezighield.
Een groep die zich schreef en sprak over hun dromen en fantasieën die vaak vol absurdisme zaten. Later bleek dit van grote invloed op de surrealistische kunstenaarsstroming van begin 20e eeuw. Ook in de psychedelische jaren ‘60-muziek is de invloed van deze mannen duidelijk merkbaar. Het zingen in metaforen, de invloed van drugs en de volstrekte onafhankelijkheid zijn enkele voorbeelden uit de talrijke overeenkomsten.
Niet enkel in de muziek, maar ook in de aankleding is hun invloed duidelijk merkbaar. Het constant wisselen van kledingstijl en de grootse verkleedpartijen moeten wel van grote invloed op iemand als David Bowie zijn geweest.
Veel elementen uit de muziek van deze groep zie je ook later terugkomen. Neem bijvoorbeeld de combinatie van elektronische beats en synthesizers die zo essentieel voor de disco en house zouden worden.
De heren waar we het over hebben veranderden niet enkel van kledingstijl maar hadden ook meerdere pseudoniemen waarmee ze zich door de muziekwereld begaven. Veel eigenzinnigen lieten zich hierdoor inspireren, iemand als Richard D. James veranderde bijvoorbeeld in de loop van zijn carrière constant van naam.
Het creëren van een eigen cultuur blijkt één van de essentiële onderdelen van het muziekwezen. Ook een eigen taal, in de hiphop ‘slang’ genoemd, gaat hiermee gepaard. Mensen die buiten de scene vallen zullen dan vaak geen idee hebben waar het allemaal over gaat, en welke diepzinnige vondsten er in de tekst aanwezig zullen zijn.
Een artiest blijkt niet enkel een vertolker van liedjes, maar een echte persoonlijkheid. Zo iemand die op televisie verschijnt, zijn literaire kennis op boekenballen tentoon spreidt en bekende vrouwen versierd op de rode loper richting de première van de langverwachte romantische komedie. Madonna bekommert zich over het milieu, Kanye West strijdt tegen racisme en The Killers voeden het nationalisme. Het is niet moeilijk om de grondleggers aan te wijzen van dit totale ‘celeb’-wezen. Zelfs een reality-show hadden deze heren al op hun naam staan, u weet waar Ozzy de mosterd vandaan heeft.
Ondanks de duidelijk aanwijsbare en onmiskenbare invloed van deze heren werden ze later zo goed als nooit genoemd en raakten ze zelfs gedoemd tot de vergetelheid. Daarom vind ik het zo mooi dat Willy, Freddy en Pepijn altijd zo bescheiden zijn gebleven.
Vroeger. Nostalgisch gekeuvel over hoe mooi het toen wel niet was. Toen, weet je wel, 1967. Tegenwoordig worden mensen neergestoken tijdens het uitgaan, wordt er veel geblowd en gedronken en zijn er zelfs mensen die seks hebben in ruil voor een breezers. In 1967 ging het heel anders, toen relden de studenten met de politie, slikten de jongeren LSD en werd er zoveel overspel gepleegd (vaak met meerdere vrouwen tegelijk) dat er van serieuze relaties geen sprake meer was, laat staan van monogamie. U begrijpt dus wel dat 1967 een totaal andere tijd was, zonder alle problemen met seks, geweld en drugs. Daarom wordt er nu elke dag nog lovend gesproken en geschreven over de aanvoerders van deze cultuur, te weten Jimi Hendrix, The Beatles, The Rolling Stones en Bob Dylan. De realiteit is dat de oorsprong van deze cultuur, de verschillende culturen erna en zelfs de culturen van voor 1967 dieper gezocht moet worden. Er was een groep die zich al veel eerder met seksuele vrijheid, fleurige kleding en het experimenteren met drugs bezighield.
Een groep die zich schreef en sprak over hun dromen en fantasieën die vaak vol absurdisme zaten. Later bleek dit van grote invloed op de surrealistische kunstenaarsstroming van begin 20e eeuw. Ook in de psychedelische jaren ‘60-muziek is de invloed van deze mannen duidelijk merkbaar. Het zingen in metaforen, de invloed van drugs en de volstrekte onafhankelijkheid zijn enkele voorbeelden uit de talrijke overeenkomsten.
Niet enkel in de muziek, maar ook in de aankleding is hun invloed duidelijk merkbaar. Het constant wisselen van kledingstijl en de grootse verkleedpartijen moeten wel van grote invloed op iemand als David Bowie zijn geweest.
Veel elementen uit de muziek van deze groep zie je ook later terugkomen. Neem bijvoorbeeld de combinatie van elektronische beats en synthesizers die zo essentieel voor de disco en house zouden worden.
De heren waar we het over hebben veranderden niet enkel van kledingstijl maar hadden ook meerdere pseudoniemen waarmee ze zich door de muziekwereld begaven. Veel eigenzinnigen lieten zich hierdoor inspireren, iemand als Richard D. James veranderde bijvoorbeeld in de loop van zijn carrière constant van naam.
Het creëren van een eigen cultuur blijkt één van de essentiële onderdelen van het muziekwezen. Ook een eigen taal, in de hiphop ‘slang’ genoemd, gaat hiermee gepaard. Mensen die buiten de scene vallen zullen dan vaak geen idee hebben waar het allemaal over gaat, en welke diepzinnige vondsten er in de tekst aanwezig zullen zijn.
Een artiest blijkt niet enkel een vertolker van liedjes, maar een echte persoonlijkheid. Zo iemand die op televisie verschijnt, zijn literaire kennis op boekenballen tentoon spreidt en bekende vrouwen versierd op de rode loper richting de première van de langverwachte romantische komedie. Madonna bekommert zich over het milieu, Kanye West strijdt tegen racisme en The Killers voeden het nationalisme. Het is niet moeilijk om de grondleggers aan te wijzen van dit totale ‘celeb’-wezen. Zelfs een reality-show hadden deze heren al op hun naam staan, u weet waar Ozzy de mosterd vandaan heeft.
Ondanks de duidelijk aanwijsbare en onmiskenbare invloed van deze heren werden ze later zo goed als nooit genoemd en raakten ze zelfs gedoemd tot de vergetelheid. Daarom vind ik het zo mooi dat Willy, Freddy en Pepijn altijd zo bescheiden zijn gebleven.
0
geplaatst: 22 augustus 2007, 10:07 uur
COLLECTIEF GEHEUGENVERLIES
Het is niet echt vreemd dat bepaalde niet met de werkelijkheid strokende herinneringen zich soms in de geest kunnen nestelen. Een mens kan zich vergissen, nietwaar. De problemen beginnen als een hele groep mensen zich in een bepaalde gebeurtenis vastbijt, en je je daar als ogenschijnlijke buitenstaander mee gaat bemoeien. Zie dat maar eens terug te draaien.
Na een aantal heerlijke maanden loopt de zomer van 2007 begin juni al weer bijna ten einde. Het ideale weer om nog even lekker uit te waaien. Er waar kan dat beter als in het altijd winderige Vlissingen. Ik moet bekennen dat ik er al zo lang niet meer geweest was, dat ik me vergis in de omvang van de havenstad. De eerste de beste parkeergarage in het centrum is nog een flink eind stappen naar de plaats van bestemming. Ik dien me om half elf te vervoegen bij het Arsenaal. Blijkbaar een belangrijk gebouw, aangezien het al van buiten de stad bewegwijzerd wordt. Eenmaal aangekomen, net na tienen, blijkt dat ik niet in het aangegeven object, een indoor pretpark, moet zijn, maar bij de gelijknamige uitspanning naast het Arsenaal. Een grand café met bijbehorende zaal, die in een verleden door het leven is gegaan als het Concertgebouw.
Het is vanwege het Concertgebouw dat ik nu in Vlissingen ben. Omroep Zeeland besteedt dit jaar immers niet alleen aandacht aan een jubileum van een 400 jaar geleden geboren Zeeuw die naar Engeland trok, maar ook aan het clubje Engelsen dat de omgekeerde reis ondernam, en daarbij op 11 juni 1967 terecht zou zijn gekomen in Zeeland. In het Concertgebouw in Vlissingen, om precies te zijn. We hebben het over Pink Floyd. Als schrijver van een boek over dit onderwerp word ik samen met twee ooggetuigen gevraagd een beeld te schetsen van wat veertig jaar geleden in Zeeland gebeurd moet zijn. De beide heren, inmiddels tegen de zestig, zijn er ook al wat aan de vroege kant. Jongens nog waren het, in de jaren zestig, en getooid met fotocamera en bandrecorder vaak te vinden in het Vlissingse uitgaansleven.
De gemeenschappelijke interesse mag duidelijk zijn, en binnen tien minuten ontvouwt zich een op zijn zachtst gezegd verrassend gesprek. Een uitwisseling van gegevens, herinneringen en historische kaders resulteert in de constatering dat Pink Floyd wel zeker in juni in Zeeland is geweest. Echter niet in 1967 met de oorspronkelijke bandleider Syd Barrett, maar in 1968 met diens vervanger David Gilmour. De conclusie is dat we hier dus eigenlijk voor de kat haar (en niet “zijn”) kut zitten.
Mooi, daar komt de journalist van Omroep Zeeland aan, die we verwelkomen met de mededeling dat we een zeer interessant bericht voor de nieuwsuitzending van 11 juni aanstaande hebben: het concert van Pink Floyd in 1967 heeft niet plaatsgevonden. Het duurt bij de journalist even voordat het kwartje valt en hij de consequenties ervan onder ogen ziet. Weg is de mooie reportage waarin verhaald wordt dat Zeeland toch maar mooi als eerste provincie Pink Floyd te gast had. Slim en professioneel genoeg wordt de inderhaast ingekorte reportage een tijdsbeeld van het bezoek van Pink Floyd aan Zeeland en stelt men zich de vraag of het wel precies veertig jaar geleden was.
Ondanks de voorzichtige toonzetting van de reportage volgt er een stortvloed aan reacties. Hoe we durven te stellen dat Pink Floyd niet in 1967 in Vlissingen was! Ze hadden Pink Floyd toch zeker zelf mét Syd Barrett gezien. Er komt zelfs een site waarop een poll is te vinden. “Heeft Pink Floyd in 1967 in Zeeland gespeeld?” Uitkomst met ruime meerderheid: “Ja!”. Geschiedenis is net als de zee. En Zeeuwen weten als geen ander wat dat betekent.
Ik heb in het definitieve manuscript het gebeuren in Zeeland naar het rijk der fabelen verwezen, maar niet zonder een mooie reeks anekdotes. Wie zei ook al weer dat schrijven vooral schrappen was?
Het is niet echt vreemd dat bepaalde niet met de werkelijkheid strokende herinneringen zich soms in de geest kunnen nestelen. Een mens kan zich vergissen, nietwaar. De problemen beginnen als een hele groep mensen zich in een bepaalde gebeurtenis vastbijt, en je je daar als ogenschijnlijke buitenstaander mee gaat bemoeien. Zie dat maar eens terug te draaien.
Na een aantal heerlijke maanden loopt de zomer van 2007 begin juni al weer bijna ten einde. Het ideale weer om nog even lekker uit te waaien. Er waar kan dat beter als in het altijd winderige Vlissingen. Ik moet bekennen dat ik er al zo lang niet meer geweest was, dat ik me vergis in de omvang van de havenstad. De eerste de beste parkeergarage in het centrum is nog een flink eind stappen naar de plaats van bestemming. Ik dien me om half elf te vervoegen bij het Arsenaal. Blijkbaar een belangrijk gebouw, aangezien het al van buiten de stad bewegwijzerd wordt. Eenmaal aangekomen, net na tienen, blijkt dat ik niet in het aangegeven object, een indoor pretpark, moet zijn, maar bij de gelijknamige uitspanning naast het Arsenaal. Een grand café met bijbehorende zaal, die in een verleden door het leven is gegaan als het Concertgebouw.
Het is vanwege het Concertgebouw dat ik nu in Vlissingen ben. Omroep Zeeland besteedt dit jaar immers niet alleen aandacht aan een jubileum van een 400 jaar geleden geboren Zeeuw die naar Engeland trok, maar ook aan het clubje Engelsen dat de omgekeerde reis ondernam, en daarbij op 11 juni 1967 terecht zou zijn gekomen in Zeeland. In het Concertgebouw in Vlissingen, om precies te zijn. We hebben het over Pink Floyd. Als schrijver van een boek over dit onderwerp word ik samen met twee ooggetuigen gevraagd een beeld te schetsen van wat veertig jaar geleden in Zeeland gebeurd moet zijn. De beide heren, inmiddels tegen de zestig, zijn er ook al wat aan de vroege kant. Jongens nog waren het, in de jaren zestig, en getooid met fotocamera en bandrecorder vaak te vinden in het Vlissingse uitgaansleven.
De gemeenschappelijke interesse mag duidelijk zijn, en binnen tien minuten ontvouwt zich een op zijn zachtst gezegd verrassend gesprek. Een uitwisseling van gegevens, herinneringen en historische kaders resulteert in de constatering dat Pink Floyd wel zeker in juni in Zeeland is geweest. Echter niet in 1967 met de oorspronkelijke bandleider Syd Barrett, maar in 1968 met diens vervanger David Gilmour. De conclusie is dat we hier dus eigenlijk voor de kat haar (en niet “zijn”) kut zitten.
Mooi, daar komt de journalist van Omroep Zeeland aan, die we verwelkomen met de mededeling dat we een zeer interessant bericht voor de nieuwsuitzending van 11 juni aanstaande hebben: het concert van Pink Floyd in 1967 heeft niet plaatsgevonden. Het duurt bij de journalist even voordat het kwartje valt en hij de consequenties ervan onder ogen ziet. Weg is de mooie reportage waarin verhaald wordt dat Zeeland toch maar mooi als eerste provincie Pink Floyd te gast had. Slim en professioneel genoeg wordt de inderhaast ingekorte reportage een tijdsbeeld van het bezoek van Pink Floyd aan Zeeland en stelt men zich de vraag of het wel precies veertig jaar geleden was.
Ondanks de voorzichtige toonzetting van de reportage volgt er een stortvloed aan reacties. Hoe we durven te stellen dat Pink Floyd niet in 1967 in Vlissingen was! Ze hadden Pink Floyd toch zeker zelf mét Syd Barrett gezien. Er komt zelfs een site waarop een poll is te vinden. “Heeft Pink Floyd in 1967 in Zeeland gespeeld?” Uitkomst met ruime meerderheid: “Ja!”. Geschiedenis is net als de zee. En Zeeuwen weten als geen ander wat dat betekent.
Ik heb in het definitieve manuscript het gebeuren in Zeeland naar het rijk der fabelen verwezen, maar niet zonder een mooie reeks anekdotes. Wie zei ook al weer dat schrijven vooral schrappen was?
0
titan (crew)
geplaatst: 29 augustus 2007, 12:14 uur
GELUIDSTERREUR
Momenteel is pastoor Harm Schilder uit Tilburg nogal in het nieuws. Onlangs een uitspraak van de rechter gaat hij door met het dagelijks luiden van de kerkklokken om 07:15 uur. Buurtbewoners hadden geklaagd over het klokkengelui en pikten het niet langer. Er wordt erg verdeeld hierop gereageerd. Veel mensen vinden het egoïstisch gezeur van werkloos tuig (ze gaan er hierbij blijkbaar vanuit dat alle “normale” mensen om 07:15 al wakker zijn, nooit van avond- en nachtdiensten gehoord?) en wijzen erop dat we het klokkenluiden al honderden jaren doen en dat de klagers heel goed wisten dat er een kerk in de buurt was toen ze hun woning betrokken.
Wat mij betreft had deze reliterreur al tientallen jaren geleden gestopt moeten worden. Iedereen heeft tenslotte een klok of horloge zodat ze niet meer geattendeerd hoeven te worden op een nakende kerkdienst en met traditie en folklore heeft dit helemaal niets te maken. Daarnaast gelden ook voor kerken geluidsnormen en is religie wat mij betreft een privé-aangelegenheid waar je een ander (op wat voor manier ook) niet mee lastig moet vallen.
Helaas zorgt muziek ook vaak voor geluidsterreur. We kennen allemaal wel die buurman of buurvrouw die het nieuwe album van pakweg Marco Borsato zo hard draait dat je er ook van mee kan “genieten”. Leuk voor de buren, maar aan mij vragen ze niet of ik het ook wil horen. Waarschijnlijk zal ze dat ook een zorg zijn. Ik ben net verhuisd naar een nieuwbouwwoning (heel goed geïsoleerd gelukkig) en aan de overkant van de straat wordt nog gebouwd. Om 07:00 beginners de bouwvakkers al met hun werkzaamheden. Alsof dat al niet genoeg lawaai maakt (hetgeen ik volledig kan begrijpen) zetten ze daarnaast ook nog eens snoeihard de radio aan (nota bene op het afgrijselijk saaie Veronica), waardoor mijn eigen radio overstemd wordt. Vanochtend presteerden ze het zelfs om twee radio’s tegelijkertijd aan te zetten.
Bij het winkelen in de stad is het al niet veel beter. Met name “hippe” kledingwinkels hebben er een houtje van om hun aanwezigheid al van veraf kenbaar te maken met hun ongevraagde gebeuk. Uitgaan is ook niet altijd een pretje. Natuurlijk hoort muziek daarbij, maar moet dat dan zo hard staan dat je je alleen nog maar verstaanbaar kan maken bij je buurman wanneer je mond zich binnen 1 centimeter van zijn oorschelp begeeft?
Aan het eind van dit jaar word ik 35. Ben ik al een ouwe lul aan het worden dat ik me zo druk maak over geluidsterreur of hebben er meer mensen problemen mee? Ik vermoed het laatste. Muziek is iets prachtigs en daar dient met volle teugen van genoten te worden, maar doe dat dan wel met een koptelefoon of oordopjes op!
Momenteel is pastoor Harm Schilder uit Tilburg nogal in het nieuws. Onlangs een uitspraak van de rechter gaat hij door met het dagelijks luiden van de kerkklokken om 07:15 uur. Buurtbewoners hadden geklaagd over het klokkengelui en pikten het niet langer. Er wordt erg verdeeld hierop gereageerd. Veel mensen vinden het egoïstisch gezeur van werkloos tuig (ze gaan er hierbij blijkbaar vanuit dat alle “normale” mensen om 07:15 al wakker zijn, nooit van avond- en nachtdiensten gehoord?) en wijzen erop dat we het klokkenluiden al honderden jaren doen en dat de klagers heel goed wisten dat er een kerk in de buurt was toen ze hun woning betrokken.
Wat mij betreft had deze reliterreur al tientallen jaren geleden gestopt moeten worden. Iedereen heeft tenslotte een klok of horloge zodat ze niet meer geattendeerd hoeven te worden op een nakende kerkdienst en met traditie en folklore heeft dit helemaal niets te maken. Daarnaast gelden ook voor kerken geluidsnormen en is religie wat mij betreft een privé-aangelegenheid waar je een ander (op wat voor manier ook) niet mee lastig moet vallen.
Helaas zorgt muziek ook vaak voor geluidsterreur. We kennen allemaal wel die buurman of buurvrouw die het nieuwe album van pakweg Marco Borsato zo hard draait dat je er ook van mee kan “genieten”. Leuk voor de buren, maar aan mij vragen ze niet of ik het ook wil horen. Waarschijnlijk zal ze dat ook een zorg zijn. Ik ben net verhuisd naar een nieuwbouwwoning (heel goed geïsoleerd gelukkig) en aan de overkant van de straat wordt nog gebouwd. Om 07:00 beginners de bouwvakkers al met hun werkzaamheden. Alsof dat al niet genoeg lawaai maakt (hetgeen ik volledig kan begrijpen) zetten ze daarnaast ook nog eens snoeihard de radio aan (nota bene op het afgrijselijk saaie Veronica), waardoor mijn eigen radio overstemd wordt. Vanochtend presteerden ze het zelfs om twee radio’s tegelijkertijd aan te zetten.
Bij het winkelen in de stad is het al niet veel beter. Met name “hippe” kledingwinkels hebben er een houtje van om hun aanwezigheid al van veraf kenbaar te maken met hun ongevraagde gebeuk. Uitgaan is ook niet altijd een pretje. Natuurlijk hoort muziek daarbij, maar moet dat dan zo hard staan dat je je alleen nog maar verstaanbaar kan maken bij je buurman wanneer je mond zich binnen 1 centimeter van zijn oorschelp begeeft?
Aan het eind van dit jaar word ik 35. Ben ik al een ouwe lul aan het worden dat ik me zo druk maak over geluidsterreur of hebben er meer mensen problemen mee? Ik vermoed het laatste. Muziek is iets prachtigs en daar dient met volle teugen van genoten te worden, maar doe dat dan wel met een koptelefoon of oordopjes op!
0
geplaatst: 29 augustus 2007, 12:42 uur
Voor me in dit avontuur te storten, moeten jullie iets weten over deze in Antwerpen studerende student. Als bijverdienste moet hij elke zondag avond van 16.30 tot 01.00u in een ondergrondse parking verblijven als parkingwachter. Wat deze moderne jongeman daar allemaal meemaakt is niet voor menig oren en ogen bestemd. Ziehier één zijner belvenissen...
Interparking nv.
Beweging en avontuur is ver te zoeken vandaag, in dit godvergeten eiland, temidden van wereld metropoolstad Antwerpen, Interparking nv. geheten. Geen kat maar wel een stel bejaarden is hier met de regelmaat van een stukgeslagen klok te zien. Het weinige leven dat het koppel nog in zich draagt maakt het hier, in deze ondergrondse bunker, opmerkelijk genoeg nóg doodser. En wanneer ze vol paniek op 3 meter van de betaalautomaat zich zitten af te vragen hoe dit moderne monster ervoor gaat zorgen dat ze uit deze bunker weg kunnen geraken zonder dat deze automatische parasiet al te veel van hun pensioentje uitzuigt, voel ik mij verplicht mijn verplichte én goedbetaalde goede daad te vervullen. De werkelijke doodsangst in hun ogen is voor mij een overduidelijk teken om dit “schattige” koppel te helpen. Maar dit is buiten de wil van de onvriendelijke grootmoeder met de wapperende snorharen gerekend. Aan mijn vriendelijkheid en hemelsbrede glimlach werd abrupt een einde gemaakt bij de opmerking “ik hoef geen hulp van een snotneus!”. De 3-dubbel kinnige dwerg was duidelijk niet in haar ongewone goede doen. Misschien was het erotische vuur tussen het koppel na 70 jaar huwelijk dan uiteindelijk toch uitgeblust. Hing de vlag van opa halfstok of had ze genoeg van die ontelbare smerige opmerkingen over bepaalde hangborsten op ongepaste plaatsen en op ongepaste momenten zoals in een ondergrondse parking bijvoorbeeld? Of hadden ze net de zoveelste bekvechtoorlog uitgevochten over hoe lang een ingewikkeld en hypermodern diepvriesmaaltijd in een nóg ingewikkelde er nóg hypermodernere microgolfoven opgewarmd moet worden zonder te veel van die dure electrabelstroom te verbruiken? Ach, wie zal het zeggen. De mensheid zal het waarschijnlijk nooit weten. Behalve dan die lelijke trol en haar buitgemaakte kabouter met de lange witte baard.
Maar gelukkig maakte mevrouw “sunshine” met de stralende glimlach mijn avond goed. Een dame met benen die tot boven de nog niet ingestorte WTC reiken. Een decolté die bij wijze van spreken uitgesneden was tot onder haar navel. En dankzij de godgeprezen frisse wind die tussen “het paar” waaide, voelde ze zich genoodzaakt om haar armen te kruisen om zich te verwarmen zodat haar borsten hemelse vormen aannamen en een onbetwistbare vruchbaarheid bewezen. En zoals het een echte gentleman niet betaamt, draaide ik me na haar zwiepende heupbeweging om. Deze onbeleefde doch verstandige handeling, bevestigde mijn krachtige vermoedens. Bij de Griekse zuilen hoorde inderdaad ook een prachtige Belgische kont, gehuld in een strakke jeansbroek.
Nu vroeg ik mij af of Puff the ugly Dragon tegen de voorlaatste eeuwwisseling ook gezegend was met vrouwelijke schoolheid zoals we die zo vaak zien wanneer we in de zomer rondstappen op de Meir. Trad haar verzuring, niet lang daarna, op toen ze merkte dat het lot haar veroordeeld had tot het levenslang meesleuren van een bouwvallig lichaam? Haar van de oorlog terugkerende toekomstige had waarschijnlijk oogschade opgelopen door het toen veelvuldig gebruikte mosterdgas zodat hij de schade aan het thuisfront niet kon opmeten. Spijtig, want het had hem een hele troost kunnen bieden, te zien dat hij er nog goed vanaf was gekomen, met dat mosterdgas. Hij had er waarschijnlijk zelf om gebeden om blind te worden…
Interparking nv.
Beweging en avontuur is ver te zoeken vandaag, in dit godvergeten eiland, temidden van wereld metropoolstad Antwerpen, Interparking nv. geheten. Geen kat maar wel een stel bejaarden is hier met de regelmaat van een stukgeslagen klok te zien. Het weinige leven dat het koppel nog in zich draagt maakt het hier, in deze ondergrondse bunker, opmerkelijk genoeg nóg doodser. En wanneer ze vol paniek op 3 meter van de betaalautomaat zich zitten af te vragen hoe dit moderne monster ervoor gaat zorgen dat ze uit deze bunker weg kunnen geraken zonder dat deze automatische parasiet al te veel van hun pensioentje uitzuigt, voel ik mij verplicht mijn verplichte én goedbetaalde goede daad te vervullen. De werkelijke doodsangst in hun ogen is voor mij een overduidelijk teken om dit “schattige” koppel te helpen. Maar dit is buiten de wil van de onvriendelijke grootmoeder met de wapperende snorharen gerekend. Aan mijn vriendelijkheid en hemelsbrede glimlach werd abrupt een einde gemaakt bij de opmerking “ik hoef geen hulp van een snotneus!”. De 3-dubbel kinnige dwerg was duidelijk niet in haar ongewone goede doen. Misschien was het erotische vuur tussen het koppel na 70 jaar huwelijk dan uiteindelijk toch uitgeblust. Hing de vlag van opa halfstok of had ze genoeg van die ontelbare smerige opmerkingen over bepaalde hangborsten op ongepaste plaatsen en op ongepaste momenten zoals in een ondergrondse parking bijvoorbeeld? Of hadden ze net de zoveelste bekvechtoorlog uitgevochten over hoe lang een ingewikkeld en hypermodern diepvriesmaaltijd in een nóg ingewikkelde er nóg hypermodernere microgolfoven opgewarmd moet worden zonder te veel van die dure electrabelstroom te verbruiken? Ach, wie zal het zeggen. De mensheid zal het waarschijnlijk nooit weten. Behalve dan die lelijke trol en haar buitgemaakte kabouter met de lange witte baard.
Maar gelukkig maakte mevrouw “sunshine” met de stralende glimlach mijn avond goed. Een dame met benen die tot boven de nog niet ingestorte WTC reiken. Een decolté die bij wijze van spreken uitgesneden was tot onder haar navel. En dankzij de godgeprezen frisse wind die tussen “het paar” waaide, voelde ze zich genoodzaakt om haar armen te kruisen om zich te verwarmen zodat haar borsten hemelse vormen aannamen en een onbetwistbare vruchbaarheid bewezen. En zoals het een echte gentleman niet betaamt, draaide ik me na haar zwiepende heupbeweging om. Deze onbeleefde doch verstandige handeling, bevestigde mijn krachtige vermoedens. Bij de Griekse zuilen hoorde inderdaad ook een prachtige Belgische kont, gehuld in een strakke jeansbroek.
Nu vroeg ik mij af of Puff the ugly Dragon tegen de voorlaatste eeuwwisseling ook gezegend was met vrouwelijke schoolheid zoals we die zo vaak zien wanneer we in de zomer rondstappen op de Meir. Trad haar verzuring, niet lang daarna, op toen ze merkte dat het lot haar veroordeeld had tot het levenslang meesleuren van een bouwvallig lichaam? Haar van de oorlog terugkerende toekomstige had waarschijnlijk oogschade opgelopen door het toen veelvuldig gebruikte mosterdgas zodat hij de schade aan het thuisfront niet kon opmeten. Spijtig, want het had hem een hele troost kunnen bieden, te zien dat hij er nog goed vanaf was gekomen, met dat mosterdgas. Hij had er waarschijnlijk zelf om gebeden om blind te worden…
0
geplaatst: 30 augustus 2007, 10:28 uur
Cyberfight
Het blijft toch een fascinerend iets, zo’n verslavende site als MusicMeter. Kort geleden was ik op familiebezoek bij mijn lievelingsoom en –tante. ‘Wat doe jij nou op zo’n dag in de vakantie als je verder niets gepland hebt?’, vroeg tante Beatrijs nog. Met een lichte vorm van schaamrood op de kaken liet ik haar deze site zien. Want het blijft toch raar voor iemand die verder helemaal niet zo van de internetfora is om hier zo veel actief te zijn. Ik hang hier (en op Soulseek) inmiddels zo lang en intensief rond dat ik zelfs pretendeer online een soort van kennissenkring te hebben vergaard.
En dat terwijl communicatie via het net toch heel anders verloopt dan in het niet-virtuele leven (ik vermijd hier bewust het woord ‘echt’ maar even
). Hoewel ik af en toe echt hardop in een deuk achter mijn pc’tje zit, maak je dat virtueel kenbaar via een korte ‘hahaha’,
of soms zelfs ____OOOO^^^^. Ook het filteren van gesprekken gaat nogal anders: mensen die je niet aanstaan, negeer je via zo’n computer gewoon. Met de users die je wel mag, krijg je een apart soort band van flauwe grappen in onzinnige topics en veelal nutteloze pm-conversaties. Of zelfs meer. Er zijn er die hun levenspartner via deze weg vinden.
Maar misschien nog wel interessanter is het verschijnsel cyberfight. Want eens in de zoveel tijd steken ze de kop op: heuse relletjes! Ik vind die online ruzies eigenlijk enorm fascinerend. Sterker nog: volgens mij ben ik lang niet de enige die zich er stiekem toe aangetrokken voelt: ‘ik vind dat de moderators zo’n relletje minstens 24 uur moeten laten staan, zodat iedereen het nog even na kan lezen’, las ik laatst nog op Soulseek. Bij de bekendste grote rel van de laatste weken, deels na te lezen in het gothic- en undergroundtopic, gaf Fredpit zelfs nog onomwonden toe te hebben genoten van de felle discussie. En: de grootste onruststoker uit de geschiedenis van MusicMeter, Bob Cremers, heeft niet voor niets een cultstatus.
Wat trekt ons dan zo aan in een onvervalst cyberfight? Ik weet het denk ik wel. Met alle respect voor de 867 KO’s, ladders en knappe artiestentopics: het leukste spelletje is gewoon een internetruzietje op zijn tijd. Want tussen ruzie via het web of ruzie in het echt is volgens mij ook weer een groot verschil. Een cyberfight is geen impulsief gebeuren, maar een tactisch steekspel. Ik kan me niet voorstellen dat er ook maar één user tijdens zo'n discussie werkelijk vloekend en tierend achter zijn computer zit. Het draait dus meer om het volgende: Wie weet zijn redelijkheid te behouden in de discussie en weet de ander voor schut te zetten? Volgens mij is dat een prachtig en leerzaam proces, zolang je elkaar enigszins in elkaars waarde laat. Gelukkig gebeurt dat meestal wel.
En natuurlijk komt er dan op en gegeven moment een moderator met een bezem of schaar op de proppen. Dan is het relletje, dat meestal toch al hopeloos offtopic is, weer afgelopen en kan iedereen weer over op de orde van dag. En ook dat is alleen maar gezond, want als elk ruzietje zou blijven staan, werd het hier ook zo onoverzichtelijk. Maar laat het eens gezegd zijn: met 17.000 brave burgerlullen kom je ook nergens.
Kom dus maar met commentaar, als je durft
Het blijft toch een fascinerend iets, zo’n verslavende site als MusicMeter. Kort geleden was ik op familiebezoek bij mijn lievelingsoom en –tante. ‘Wat doe jij nou op zo’n dag in de vakantie als je verder niets gepland hebt?’, vroeg tante Beatrijs nog. Met een lichte vorm van schaamrood op de kaken liet ik haar deze site zien. Want het blijft toch raar voor iemand die verder helemaal niet zo van de internetfora is om hier zo veel actief te zijn. Ik hang hier (en op Soulseek) inmiddels zo lang en intensief rond dat ik zelfs pretendeer online een soort van kennissenkring te hebben vergaard.
En dat terwijl communicatie via het net toch heel anders verloopt dan in het niet-virtuele leven (ik vermijd hier bewust het woord ‘echt’ maar even
). Hoewel ik af en toe echt hardop in een deuk achter mijn pc’tje zit, maak je dat virtueel kenbaar via een korte ‘hahaha’,
of soms zelfs ____OOOO^^^^. Ook het filteren van gesprekken gaat nogal anders: mensen die je niet aanstaan, negeer je via zo’n computer gewoon. Met de users die je wel mag, krijg je een apart soort band van flauwe grappen in onzinnige topics en veelal nutteloze pm-conversaties. Of zelfs meer. Er zijn er die hun levenspartner via deze weg vinden.Maar misschien nog wel interessanter is het verschijnsel cyberfight. Want eens in de zoveel tijd steken ze de kop op: heuse relletjes! Ik vind die online ruzies eigenlijk enorm fascinerend. Sterker nog: volgens mij ben ik lang niet de enige die zich er stiekem toe aangetrokken voelt: ‘ik vind dat de moderators zo’n relletje minstens 24 uur moeten laten staan, zodat iedereen het nog even na kan lezen’, las ik laatst nog op Soulseek. Bij de bekendste grote rel van de laatste weken, deels na te lezen in het gothic- en undergroundtopic, gaf Fredpit zelfs nog onomwonden toe te hebben genoten van de felle discussie. En: de grootste onruststoker uit de geschiedenis van MusicMeter, Bob Cremers, heeft niet voor niets een cultstatus.
Wat trekt ons dan zo aan in een onvervalst cyberfight? Ik weet het denk ik wel. Met alle respect voor de 867 KO’s, ladders en knappe artiestentopics: het leukste spelletje is gewoon een internetruzietje op zijn tijd. Want tussen ruzie via het web of ruzie in het echt is volgens mij ook weer een groot verschil. Een cyberfight is geen impulsief gebeuren, maar een tactisch steekspel. Ik kan me niet voorstellen dat er ook maar één user tijdens zo'n discussie werkelijk vloekend en tierend achter zijn computer zit. Het draait dus meer om het volgende: Wie weet zijn redelijkheid te behouden in de discussie en weet de ander voor schut te zetten? Volgens mij is dat een prachtig en leerzaam proces, zolang je elkaar enigszins in elkaars waarde laat. Gelukkig gebeurt dat meestal wel.
En natuurlijk komt er dan op en gegeven moment een moderator met een bezem of schaar op de proppen. Dan is het relletje, dat meestal toch al hopeloos offtopic is, weer afgelopen en kan iedereen weer over op de orde van dag. En ook dat is alleen maar gezond, want als elk ruzietje zou blijven staan, werd het hier ook zo onoverzichtelijk. Maar laat het eens gezegd zijn: met 17.000 brave burgerlullen kom je ook nergens.
Kom dus maar met commentaar, als je durft

0
Ace
geplaatst: 30 augustus 2007, 18:02 uur
Het GTI-rijdertje
Je kent ze vast wel. Petje op, oorbelletje in, kettinkje om. Het pokdalige GTI-rijdertje van net achttien dat zojuist zijn rijbewijs gehaald heeft, maakt al jaren deel uit van het straatbeeld. Een kleine opfriscursus voor diegenen die niet net als ik in de polder wonen, waar dit soort nog lang niet uitgestorven is.
Het GTI-rijdertje rijdt in een auto waarvan het gemiddeld bouwjaar rond 1990 ligt. Een Golf, Escort, Civic of Clio doet het erg goed. Eigenlijk hoeft het niet eens een GTI te zijn. Het maakt niets uit hoe hard het gaat, als het er maar snel uit ziet. Het GTI-plaatje is overal te koop, dus andere kenmerken zijn vele malen belangrijker. Zoals? Allereerst plak je onder de auto een uitlaat van het formaat raketwerper. Of het ding bij de auto past of al dan niet functioneel is? Lekker belangrijk, als het maar herrie maakt. Vervolgens verlaag je de boel met ‘Koni geel’ of ‘Koni rood’, volledig afhankelijk van de schokbrekers die je op de plaatselijke sloop kan vinden. Zodra de auto op goede hoogte of beter gezegd laagte ligt, vervolg je de zoektocht naar een paar velgen die eigenlijk net niet in de wielkasten passen. Wanneer je over een peuk heen rijdt voel je of het er één met of zonder filter is. Kortom, het rijdt voor geen meter, maar dat maakt niets uit. Op de achterruit komt een grote sticker die volledig het zicht belemmert. De tekst ‘Tuning Club Schubbekutteveen’ verraadt dat je graag in kudde rijdt. Ramen blinderen doe je met goedkoop folie; kan je van binnen niet naar buiten kijken, dan kunnen ze dat andersom zeker niet. Van binnen niet naar buiten kijken, is dat niet gevaarlijk? Het doet er niet toe, want je rijdt in alle weersomstandigheden met je raampje open. Linkerarmpje buiten boord en cruisen maar. Een nieuwe GTI is geboren. Maar wacht eens even, we zijn nog niet klaar. De binnenkant moet nog grondig aangepakt worden, ook niet onbelangrijk.
Laten we beginnen met de stoelen. De originele kunnen eruit en moeder de vrouw die handig met het naaimachine is, stikt wat afthans leer over een paar afgedankte Recaro’s. Het stuur heeft maximaal drie spaken, als het even kan met gekleurde stiksels en chromen hart om de twaalftonige claxon te bedienen. Doordat de auto uit het bouwjaar kruik is en daardoor niet over stuurbekrachtiging beschikt, wordt autorijden dankzij het wat te kleine formaat stuur levensgevaarlijk, maar dat is uiteraard totaal ondergeschikt aan het-oog-wil-ook-wat. En dan het belangrijkste aspect van het interieur: de audioinstallatie. Daar de uitlaat net even een paar dB teveel produceert is het samenstellen van het herriekanon dat geluidsinstallatie heet een precies karwei. Je begint met de radio/cd-speler zelf. Een Sony of JVC is geinig, maar je maakt pas echt de blits met een Pioneer, Clarion of Alpine. Pioneer heeft de voorkeur daar de logo-sticker die in een later stadium bovenaan de voorruit geplaatst dient te worden van Pioneer het meest verkrijgbaar is. Nadat je de radio op de kop getikt hebt, zoek je een mooie bijpassende versterker. Kwaliteit is onderschikt, het gaat om het aantal Watt’s per kanaal. Om het verhaal af te maken koop je een flinke subwoofer voor in de kofferbak en een heel aantal speakers waarvan je degenen die het meeste kabaal kunnen produceren in de hoedenplank schroeft. Je wilt natuurlijk niet dat het hele zaakje er de nacht erna alweer uitgekaapt wordt, dus dek je die hoedenplank af met bij voorkeur een Heineken- of Grolsch vlag, al naar gelang de regio waarin je woont.
Na een paar maanden sleutelen, schooien en kwijlen is het dan eindelijk tijd voor een testrit. Op het moment dat hele spul uberhaupt start, is de missie eigenlijk al geslaagd maar nog zeker niet voltooid. Daar je vijf keer zoveel geld gestopt hebt in de geluidsinstallatie dan de dagwaarde die de eigenlijke auto vertegenwoordigt, moet de grootste pret nog beginnen. Uit het piepende dashboardkastje pak je het mapje cd’s dat je met zorg geprepareert hebt voor deze allereerste vlucht. Minimale vereisten: zoveel mogelijk delen Turn Up The Bass, Thunderdome en Happy Hardcore. Oudere edities hebben de voorkeur. Voor de Civic-rijder volstaan Xzibit en 50cent. Je schuift één van deze schijfjes in de radio, draait ‘m naar standje eenentwintig, zet de wat krakende versnellingsbak in zijn één en brengt de hele handel aan het rollen. Warmrijden doe je niet aan, dus binnen de kortste keren zit je binnen de bebouwde kom al snel boven de 100. De muziek staat lekker hard, zodat je gedurende deze comfortabele vlucht vanwege de subwoofer die leuk mee staat te dreunen maar drie keer de grond raakt. De buurt kijkt je geïrriteerd na, maar jij weet wel beter. Voor je vrienden ben je de man en daar draait het tenslotte om.
Op het moment dat je thuis komt laat je de motor uiteraard nog even draaien. De hele buurt mag best weten dat jij de eigenaar bent van die vette bak. Ook de radio dreunt als het even kan nog tevreden mee. Je zet wat deuren open, loopt een rondje om de auto en glimt van trots. Een droom is uitgekomen. Iets verderop staat de auto van je vader. Zo’n suffe Vectra, denk je bij jezelf. Nee, dit is andere koek, in zo’n burgerhok als pa rijdt zien ze mij nooit. Mijn hele leven blijf ik hierin rijden.
Uiteraard realiseer je jezelf niet dat je over pak ‘m beet vijftien jaar zelf met stationbak, vrouw, drie kinderen en labrador door het leven rolt. Je hebt je eigen doorzonwoning, zit in je voortuin een biertje te drinken, leest wat in het sportkatern van de Telegraaf en wacht op het moment dat je vrouw het eten op tafel heeft. En dan komt er opeens zo’n GTI-rijdertje voorbij. Stereo veel te hard, veel te veel kabaal. Het ziet er snel uit, klinkt als een straaljager, maar is niet vooruit te branden. Je wil je ergeren, maar denkt plotseling terug aan de tijd dat je er zelf één reed. Je kan glimlachend maar tot een conclusie komen: wat waren dat toch prachtige tijden!
Je kent ze vast wel. Petje op, oorbelletje in, kettinkje om. Het pokdalige GTI-rijdertje van net achttien dat zojuist zijn rijbewijs gehaald heeft, maakt al jaren deel uit van het straatbeeld. Een kleine opfriscursus voor diegenen die niet net als ik in de polder wonen, waar dit soort nog lang niet uitgestorven is.
Het GTI-rijdertje rijdt in een auto waarvan het gemiddeld bouwjaar rond 1990 ligt. Een Golf, Escort, Civic of Clio doet het erg goed. Eigenlijk hoeft het niet eens een GTI te zijn. Het maakt niets uit hoe hard het gaat, als het er maar snel uit ziet. Het GTI-plaatje is overal te koop, dus andere kenmerken zijn vele malen belangrijker. Zoals? Allereerst plak je onder de auto een uitlaat van het formaat raketwerper. Of het ding bij de auto past of al dan niet functioneel is? Lekker belangrijk, als het maar herrie maakt. Vervolgens verlaag je de boel met ‘Koni geel’ of ‘Koni rood’, volledig afhankelijk van de schokbrekers die je op de plaatselijke sloop kan vinden. Zodra de auto op goede hoogte of beter gezegd laagte ligt, vervolg je de zoektocht naar een paar velgen die eigenlijk net niet in de wielkasten passen. Wanneer je over een peuk heen rijdt voel je of het er één met of zonder filter is. Kortom, het rijdt voor geen meter, maar dat maakt niets uit. Op de achterruit komt een grote sticker die volledig het zicht belemmert. De tekst ‘Tuning Club Schubbekutteveen’ verraadt dat je graag in kudde rijdt. Ramen blinderen doe je met goedkoop folie; kan je van binnen niet naar buiten kijken, dan kunnen ze dat andersom zeker niet. Van binnen niet naar buiten kijken, is dat niet gevaarlijk? Het doet er niet toe, want je rijdt in alle weersomstandigheden met je raampje open. Linkerarmpje buiten boord en cruisen maar. Een nieuwe GTI is geboren. Maar wacht eens even, we zijn nog niet klaar. De binnenkant moet nog grondig aangepakt worden, ook niet onbelangrijk.
Laten we beginnen met de stoelen. De originele kunnen eruit en moeder de vrouw die handig met het naaimachine is, stikt wat afthans leer over een paar afgedankte Recaro’s. Het stuur heeft maximaal drie spaken, als het even kan met gekleurde stiksels en chromen hart om de twaalftonige claxon te bedienen. Doordat de auto uit het bouwjaar kruik is en daardoor niet over stuurbekrachtiging beschikt, wordt autorijden dankzij het wat te kleine formaat stuur levensgevaarlijk, maar dat is uiteraard totaal ondergeschikt aan het-oog-wil-ook-wat. En dan het belangrijkste aspect van het interieur: de audioinstallatie. Daar de uitlaat net even een paar dB teveel produceert is het samenstellen van het herriekanon dat geluidsinstallatie heet een precies karwei. Je begint met de radio/cd-speler zelf. Een Sony of JVC is geinig, maar je maakt pas echt de blits met een Pioneer, Clarion of Alpine. Pioneer heeft de voorkeur daar de logo-sticker die in een later stadium bovenaan de voorruit geplaatst dient te worden van Pioneer het meest verkrijgbaar is. Nadat je de radio op de kop getikt hebt, zoek je een mooie bijpassende versterker. Kwaliteit is onderschikt, het gaat om het aantal Watt’s per kanaal. Om het verhaal af te maken koop je een flinke subwoofer voor in de kofferbak en een heel aantal speakers waarvan je degenen die het meeste kabaal kunnen produceren in de hoedenplank schroeft. Je wilt natuurlijk niet dat het hele zaakje er de nacht erna alweer uitgekaapt wordt, dus dek je die hoedenplank af met bij voorkeur een Heineken- of Grolsch vlag, al naar gelang de regio waarin je woont.
Na een paar maanden sleutelen, schooien en kwijlen is het dan eindelijk tijd voor een testrit. Op het moment dat hele spul uberhaupt start, is de missie eigenlijk al geslaagd maar nog zeker niet voltooid. Daar je vijf keer zoveel geld gestopt hebt in de geluidsinstallatie dan de dagwaarde die de eigenlijke auto vertegenwoordigt, moet de grootste pret nog beginnen. Uit het piepende dashboardkastje pak je het mapje cd’s dat je met zorg geprepareert hebt voor deze allereerste vlucht. Minimale vereisten: zoveel mogelijk delen Turn Up The Bass, Thunderdome en Happy Hardcore. Oudere edities hebben de voorkeur. Voor de Civic-rijder volstaan Xzibit en 50cent. Je schuift één van deze schijfjes in de radio, draait ‘m naar standje eenentwintig, zet de wat krakende versnellingsbak in zijn één en brengt de hele handel aan het rollen. Warmrijden doe je niet aan, dus binnen de kortste keren zit je binnen de bebouwde kom al snel boven de 100. De muziek staat lekker hard, zodat je gedurende deze comfortabele vlucht vanwege de subwoofer die leuk mee staat te dreunen maar drie keer de grond raakt. De buurt kijkt je geïrriteerd na, maar jij weet wel beter. Voor je vrienden ben je de man en daar draait het tenslotte om.
Op het moment dat je thuis komt laat je de motor uiteraard nog even draaien. De hele buurt mag best weten dat jij de eigenaar bent van die vette bak. Ook de radio dreunt als het even kan nog tevreden mee. Je zet wat deuren open, loopt een rondje om de auto en glimt van trots. Een droom is uitgekomen. Iets verderop staat de auto van je vader. Zo’n suffe Vectra, denk je bij jezelf. Nee, dit is andere koek, in zo’n burgerhok als pa rijdt zien ze mij nooit. Mijn hele leven blijf ik hierin rijden.
Uiteraard realiseer je jezelf niet dat je over pak ‘m beet vijftien jaar zelf met stationbak, vrouw, drie kinderen en labrador door het leven rolt. Je hebt je eigen doorzonwoning, zit in je voortuin een biertje te drinken, leest wat in het sportkatern van de Telegraaf en wacht op het moment dat je vrouw het eten op tafel heeft. En dan komt er opeens zo’n GTI-rijdertje voorbij. Stereo veel te hard, veel te veel kabaal. Het ziet er snel uit, klinkt als een straaljager, maar is niet vooruit te branden. Je wil je ergeren, maar denkt plotseling terug aan de tijd dat je er zelf één reed. Je kan glimlachend maar tot een conclusie komen: wat waren dat toch prachtige tijden!
0
geplaatst: 3 september 2007, 19:12 uur
ette... eh... ettettettettett... ummu!
Wel eens geprobeerd een Musicmeter-gebruikersnaam hardop uit te spreken? Lukas zal nog wel gaan vermoedelijk, dat is een in Nederland redelijk ingeburgerde voornaam, ware het niet dat die k een beetje gek staat. Een c was immers logischer geweest. Maar goed, ik was dan ook niet in mijn meest fantasievolle bui toen ik me hier aanmeldde. Achteraf had ik mijzelf graag Nikiforenko, Verflucht, Ozewiezewozewiezewallakristallix of wellicht zelfs Pavel Zygmunt genoemd, maar helaas. Ik zal het met Lukas moeten doen. Of ik moet me opnieuw aanmelden, maar dan ben ik mijn twijfelachtige reputatie hier ook meteen kwijt. Gelukkig bevind ik mij in goed gezelschap. Ook Herman, Sietse en Toon(1) wisten blijkbaar niets beters te bedenken dan hun eigen voornaam.
Maar goed, spreek dan eens een paar keer hardop Oldfart uit. Juist ja Oldfart. oldfart. OLDFART!!!! Gaat ook nog. Is gewoon een soort van scheldwoord/geuzennaam. Bij Paalhaas wordt het echt een ander verhaal. Zoiets zeg je gewoon niet. Paalhaas. ‘Zeg, heb jij Paalhaas nog gesproken gisteren’. Prima op het net, maar het zal je maar gebeuren dat je in het dagelijks leven Paalhaas wordt genoemd. Nog groter wordt het probleem met getallen of onuitsprekbare usernames. ‘Zeg, wat vind jij eigenlijk van die Louiszevenentwintighonderddrie en die Lucnuléénelfnegentig...’ Uitermate vreemde zinsnede.
Ik krijg toch altijd een beetje rode koontjes als ik in het echte leven met een Musicmeteraar spreek en onverhoopt zo’n username moet uitspreken. Want voor hetzelfde geld doe je het nog fout ook. Spreek je Jornaquin nou uit als Zzzjornakèèèn, Zjornakien, Jornakien of Jornakwèn? Problematisch hoor. En probeer maar eens subtiel de verschillen in uitspraak tussen Jasper, Yasper en Jazper te duiden. Eigenlijk moet je het ook gewoon niet doen, van die meetings. Zelfs de usernames zijn daar al niet op toegesneden.
En stiekem vraag ik me dan af of men elkaar in heuse MuMe-huishoudens wel eens stiekem bij de nickname aanspreekt. ‘SelmaDuim, kom je eten’... klinkt toch leuk. ‘Reptaijjlléénenzeventig (of is het reptaijjllseffentiewan?), geef jij de hagedis even te eten vandaag’. Ook mooi. Ik denk dat ik mijn kind later meteen een nickname geef. Hoeft ie daar niet meer over na te denken als ie zich hier registreert. Misschien is EVANSHEWSON wel een leuke. Is met al die hoofdletters meteen een erg geschikte roepnaam.
Wel eens geprobeerd een Musicmeter-gebruikersnaam hardop uit te spreken? Lukas zal nog wel gaan vermoedelijk, dat is een in Nederland redelijk ingeburgerde voornaam, ware het niet dat die k een beetje gek staat. Een c was immers logischer geweest. Maar goed, ik was dan ook niet in mijn meest fantasievolle bui toen ik me hier aanmeldde. Achteraf had ik mijzelf graag Nikiforenko, Verflucht, Ozewiezewozewiezewallakristallix of wellicht zelfs Pavel Zygmunt genoemd, maar helaas. Ik zal het met Lukas moeten doen. Of ik moet me opnieuw aanmelden, maar dan ben ik mijn twijfelachtige reputatie hier ook meteen kwijt. Gelukkig bevind ik mij in goed gezelschap. Ook Herman, Sietse en Toon(1) wisten blijkbaar niets beters te bedenken dan hun eigen voornaam.
Maar goed, spreek dan eens een paar keer hardop Oldfart uit. Juist ja Oldfart. oldfart. OLDFART!!!! Gaat ook nog. Is gewoon een soort van scheldwoord/geuzennaam. Bij Paalhaas wordt het echt een ander verhaal. Zoiets zeg je gewoon niet. Paalhaas. ‘Zeg, heb jij Paalhaas nog gesproken gisteren’. Prima op het net, maar het zal je maar gebeuren dat je in het dagelijks leven Paalhaas wordt genoemd. Nog groter wordt het probleem met getallen of onuitsprekbare usernames. ‘Zeg, wat vind jij eigenlijk van die Louiszevenentwintighonderddrie en die Lucnuléénelfnegentig...’ Uitermate vreemde zinsnede.
Ik krijg toch altijd een beetje rode koontjes als ik in het echte leven met een Musicmeteraar spreek en onverhoopt zo’n username moet uitspreken. Want voor hetzelfde geld doe je het nog fout ook. Spreek je Jornaquin nou uit als Zzzjornakèèèn, Zjornakien, Jornakien of Jornakwèn? Problematisch hoor. En probeer maar eens subtiel de verschillen in uitspraak tussen Jasper, Yasper en Jazper te duiden. Eigenlijk moet je het ook gewoon niet doen, van die meetings. Zelfs de usernames zijn daar al niet op toegesneden.
En stiekem vraag ik me dan af of men elkaar in heuse MuMe-huishoudens wel eens stiekem bij de nickname aanspreekt. ‘SelmaDuim, kom je eten’... klinkt toch leuk. ‘Reptaijjlléénenzeventig (of is het reptaijjllseffentiewan?), geef jij de hagedis even te eten vandaag’. Ook mooi. Ik denk dat ik mijn kind later meteen een nickname geef. Hoeft ie daar niet meer over na te denken als ie zich hier registreert. Misschien is EVANSHEWSON wel een leuke. Is met al die hoofdletters meteen een erg geschikte roepnaam.
0
geplaatst: 6 september 2007, 12:26 uur
MuMe Column 15: GENERATIEKLOOF
De collega van een vriend is bijna 50 en bijna iedere zaterdagavond zit ik met hem in de kroeg. We blijken al snel een gemeenschappelijke passie te hebben: muziek. We wisselen veel tips uit en we bezoeken geregeld samen concerten.
Hij kan er nog altijd niet over uit dat ik als jonkie zoveel muziek van “voor jouw tijd” ken. Ik geef hem als tip Real Life van Magazine en hij start een heel relaas over deze plaat en wat deze eind jaren zeventig voor hem heeft betekend. Ik zeg hem dat From The Lion’s Mouth van The Sound wel wat voor hem is en hij vertelt over de legendarische concerten die deze band in 1981 in Vaals en Maastricht gaf. “Maar dat jij dat allemaal kent, je was er toen nog niet eens.”
Hij vertelt me vaak hoe gelukkig ik me mag prijzen dat ik in het multi-mediatijdperk ben opgegroeid. “Als jij iets wilt weten over een band kijk je op internet en heb je de keuze uit honderden verhalen. Als ik vroeger iets wilde weten over een band of artiest moest ik wachten op de nieuwe Oor, en dan moest ik geluk hebben dat er iets over die band in stond. En als jij een plaat wil horen voor je hem koopt download je die en luister je hem in alle rust. Ik stond altijd met een stapel vinyl in de platenzaak te wachten, of ik kocht een plaat zonder te luisteren. Maar dat was ook geweldig, dat gevoel als je de plaat uit de hoes haalde, hem op de pick-up legde en de plaat krakend begon af te spelen.” Dat gevoel ken ik dan weer niet.
Hoezeer hij ook van muziek mag houden, sinds de intrede van de cd in de jaren tachtig lijkt hij op muzikaal gebied op een dood spoor te zitten. Gelukkig ben ik er om hem weer enigszins op dat spoor te brengen. Interpol en Editors leken me gezien zijn smaak wel geschikt, en deze zijn inmiddels zijn favoriete hedendaagse bands. Hij is ook in voor dingen die hem totaal onbekend zijn. Zonder een noot van de band gehoord te hebben gaat hij met me mee naar Explosions in the Sky in Keulen. “Ongelooflijk, wat een band. En dat zonder zang. Deze muziek is echt met niets te vergelijken.” Ik knik maar, lach even en zeg verder maar niets.
Soulseek. Ook zoiets waar hij met zijn hoofd nog niet bij kan. Ik gaf het hem als tip en elke zaterdag komt hij lyrisch vertellen wat hij er nu weer gevonden heeft. “Ik had nooit gedacht dat ik het debuut van The Icicle Works nog ergens zou vinden. Maar Soulseek heeft het gewoon. Alle nummers van het album netjes onder elkaar. Ik heb hem meteen gebrand!”
Hij kon mijn vader zijn. Van een generatiekloof valt veel, maar eigenlijk ook weinig, te merken. We houden beide van muziek. Er is in die jaren zoveel veranderd, maar eigenlijk toch ook zo weinig.
De collega van een vriend is bijna 50 en bijna iedere zaterdagavond zit ik met hem in de kroeg. We blijken al snel een gemeenschappelijke passie te hebben: muziek. We wisselen veel tips uit en we bezoeken geregeld samen concerten.
Hij kan er nog altijd niet over uit dat ik als jonkie zoveel muziek van “voor jouw tijd” ken. Ik geef hem als tip Real Life van Magazine en hij start een heel relaas over deze plaat en wat deze eind jaren zeventig voor hem heeft betekend. Ik zeg hem dat From The Lion’s Mouth van The Sound wel wat voor hem is en hij vertelt over de legendarische concerten die deze band in 1981 in Vaals en Maastricht gaf. “Maar dat jij dat allemaal kent, je was er toen nog niet eens.”
Hij vertelt me vaak hoe gelukkig ik me mag prijzen dat ik in het multi-mediatijdperk ben opgegroeid. “Als jij iets wilt weten over een band kijk je op internet en heb je de keuze uit honderden verhalen. Als ik vroeger iets wilde weten over een band of artiest moest ik wachten op de nieuwe Oor, en dan moest ik geluk hebben dat er iets over die band in stond. En als jij een plaat wil horen voor je hem koopt download je die en luister je hem in alle rust. Ik stond altijd met een stapel vinyl in de platenzaak te wachten, of ik kocht een plaat zonder te luisteren. Maar dat was ook geweldig, dat gevoel als je de plaat uit de hoes haalde, hem op de pick-up legde en de plaat krakend begon af te spelen.” Dat gevoel ken ik dan weer niet.
Hoezeer hij ook van muziek mag houden, sinds de intrede van de cd in de jaren tachtig lijkt hij op muzikaal gebied op een dood spoor te zitten. Gelukkig ben ik er om hem weer enigszins op dat spoor te brengen. Interpol en Editors leken me gezien zijn smaak wel geschikt, en deze zijn inmiddels zijn favoriete hedendaagse bands. Hij is ook in voor dingen die hem totaal onbekend zijn. Zonder een noot van de band gehoord te hebben gaat hij met me mee naar Explosions in the Sky in Keulen. “Ongelooflijk, wat een band. En dat zonder zang. Deze muziek is echt met niets te vergelijken.” Ik knik maar, lach even en zeg verder maar niets.
Soulseek. Ook zoiets waar hij met zijn hoofd nog niet bij kan. Ik gaf het hem als tip en elke zaterdag komt hij lyrisch vertellen wat hij er nu weer gevonden heeft. “Ik had nooit gedacht dat ik het debuut van The Icicle Works nog ergens zou vinden. Maar Soulseek heeft het gewoon. Alle nummers van het album netjes onder elkaar. Ik heb hem meteen gebrand!”
Hij kon mijn vader zijn. Van een generatiekloof valt veel, maar eigenlijk ook weinig, te merken. We houden beide van muziek. Er is in die jaren zoveel veranderd, maar eigenlijk toch ook zo weinig.
0
geplaatst: 10 september 2007, 18:31 uur
MuMe column 16: De eindeloze referentie naar favoriete muziek
Afgelopen zaterdag had ik familiereünie van de familie aan mijn moeders kant.
Dit was niet, tot clichéverwachting, naar aanleiding van een droevige gebeurtenis, maar meer een spontane actie. Wat natuurlijk veel leuker is, want hoevaak gebeurt dat nu?
Ik heb nu ondervonden dat zoiets heel leuk kan zijn, en dat, als je erover denkt, je een nummer kunt plaatsen bij elk lid.
Zo kun je bijna een heel album samenstellen, maar het is ook gewoon leuk om te kijken welk nummers die je kent, bij mensen passen.
Zo ontdekte ik een paar ‘Solid as a rock’s’, een paar ‘youth of the nation's’ en nog een paar.
Als je naar een dergelijk feest gaat zou je dat ook eens horen te doen.
Niet zozeer omdat ik je erom vroeg, maar meer om te kijken wat voor een muzikale familie je hebt.
Even hierop doorgaand:
In mijn klas zitten, zoals op eigenlijk elke school, veel verschillende types.
En hoewel ze allemaal youth of the nation's zijn, zitten er ook een paar pretty women tussen, een day tripper en nog wat types.
Zoals je ziet, pop is overal
Aangezien we nu alweer in lesweek 3 (week 5) van het eerste schooljaar zijn, realiseer ik me opnieuw dat tijd vliegt.
Ga maar na: Enkele weken geleden schreef ik mijn eerste column, en ben ik al met mijn tweede bezig.
Als ik terugdenk aan de afgelopen weken lach ik weer.
Het is hetzelfde als je op je kamer zit, een lijst met favoriete nummers luistert en je naar een tijdje verbaasd bent over het feit dat de hele lijst al afgespeeld is.
Zoals ik dat nu heb. Ik heb hier een lijst van anderhalf uur lang en ik start hem nu al opnieuw op.
Deze lijst varieert altijd, normaal is het een standaard lijstje, maar af en toe verwijder ik er nummers uit of voeg ik er toe.
Al met al om het algemene luistergenot te optimaliseren.
7 nummers zijn er van DT en hun zijprojecten en 4 van Nas, Linkin’ Park, New Order en Jean Michel Jarre.
Dan zou je denken: Is dat niet erg teveel van het verschillende?
Maar waarom niet? Als je naar die muziek wilt luisteren, dan doe je dat toch? Als iemand zegt: Wat is dat voor onlogische volgorde? dan ga jij toch ook niet kijken wat je kunt wijzigen, alleen om diegene zijn onnodige plezier te gunnen?
Het leuke van een muzieksmaak waarbij je veel genres tot je keuze hebt is dat je altijd eindeloos kunt variëren.
Ga gewoon je eigen gang, laat je niet misleiden door een paar gasten die niet helemaal snappen hoe jij graag je muziek hoort.
Want wat het leukste aan elke mens is, is dat hij een eigen smaak heeft en die zo veel als mogelijk toe kan passen.
Want wie hoort jou te vertellen wat je hoort te draaien, behalve jezelf?
Lang leve de vrijheid der muziek. Draag deze traditie door tot in den eeuwigheid!
Afgelopen zaterdag had ik familiereünie van de familie aan mijn moeders kant.
Dit was niet, tot clichéverwachting, naar aanleiding van een droevige gebeurtenis, maar meer een spontane actie. Wat natuurlijk veel leuker is, want hoevaak gebeurt dat nu?
Ik heb nu ondervonden dat zoiets heel leuk kan zijn, en dat, als je erover denkt, je een nummer kunt plaatsen bij elk lid.
Zo kun je bijna een heel album samenstellen, maar het is ook gewoon leuk om te kijken welk nummers die je kent, bij mensen passen.
Zo ontdekte ik een paar ‘Solid as a rock’s’, een paar ‘youth of the nation's’ en nog een paar.
Als je naar een dergelijk feest gaat zou je dat ook eens horen te doen.
Niet zozeer omdat ik je erom vroeg, maar meer om te kijken wat voor een muzikale familie je hebt.
Even hierop doorgaand:
In mijn klas zitten, zoals op eigenlijk elke school, veel verschillende types.
En hoewel ze allemaal youth of the nation's zijn, zitten er ook een paar pretty women tussen, een day tripper en nog wat types.
Zoals je ziet, pop is overal

Aangezien we nu alweer in lesweek 3 (week 5) van het eerste schooljaar zijn, realiseer ik me opnieuw dat tijd vliegt.
Ga maar na: Enkele weken geleden schreef ik mijn eerste column, en ben ik al met mijn tweede bezig.
Als ik terugdenk aan de afgelopen weken lach ik weer.
Het is hetzelfde als je op je kamer zit, een lijst met favoriete nummers luistert en je naar een tijdje verbaasd bent over het feit dat de hele lijst al afgespeeld is.
Zoals ik dat nu heb. Ik heb hier een lijst van anderhalf uur lang en ik start hem nu al opnieuw op.
Deze lijst varieert altijd, normaal is het een standaard lijstje, maar af en toe verwijder ik er nummers uit of voeg ik er toe.
Al met al om het algemene luistergenot te optimaliseren.
7 nummers zijn er van DT en hun zijprojecten en 4 van Nas, Linkin’ Park, New Order en Jean Michel Jarre.
Dan zou je denken: Is dat niet erg teveel van het verschillende?
Maar waarom niet? Als je naar die muziek wilt luisteren, dan doe je dat toch? Als iemand zegt: Wat is dat voor onlogische volgorde? dan ga jij toch ook niet kijken wat je kunt wijzigen, alleen om diegene zijn onnodige plezier te gunnen?
Het leuke van een muzieksmaak waarbij je veel genres tot je keuze hebt is dat je altijd eindeloos kunt variëren.
Ga gewoon je eigen gang, laat je niet misleiden door een paar gasten die niet helemaal snappen hoe jij graag je muziek hoort.
Want wat het leukste aan elke mens is, is dat hij een eigen smaak heeft en die zo veel als mogelijk toe kan passen.
Want wie hoort jou te vertellen wat je hoort te draaien, behalve jezelf?
Lang leve de vrijheid der muziek. Draag deze traditie door tot in den eeuwigheid!
0
geplaatst: 20 september 2007, 12:03 uur
MuMe Column 17; Muziek en Sport
Iedereen kent het wel, muziek bij de sportvereniging. En of je nou in een volleybalzaal, een voetbalstadion of op een atletiekbaan loopt, altijd weer knallen de Nederlandstalige hits en springmuziek je tegemoet. Eigenlijk gewoon strontvervelend, muzikaal drempelgedrag en gezellig. Want iedereen kent die Nederlandstalige toppers en andere springhits. De kijkers vinden het maar al te gezellig met de sfeer die de muziek kweekt. Maar wordt er ook wel eens aan de sporters gedacht?
Zal een volleyballer beter serveren als zijn favoriete song van de Kaiser Chiefs? Is een handballer beter geconcentreerd als een klassiek stuk van Chopin door de hal schalt? Swingt een buitenspeler op het voetbalveld meer bij een funky hit van Stevie Wonder? Is een scheidsrechter beter als hij een gitaarriff hoort van de Dire Straits? Ja, dat zijn vragen waarvan de weet er niet is. Misschien moet daar maar eens onderzoek naar gedaan worden. ‘Onder welke muziek presteert een bepaalde sporter het best?’ Lijkt me reuze interessant. En als dat één of andere Universiteit dit onderzoek uit gaat voeren en daadwerkelijk tot een uitslag komt. Dat er voor elke sport een bepaald genre het best zal werken. Het lijkt mij machtig.
Ben je naar het Nederlands voetbalelftal aan het kijken. Strafschop, van Nistelrooij achter de bal, hij heeft zijn concentratie hard nodig. Komt er in het stadion ‘Another one Bites the Dust’ van Queen uit de speakers. Van Nistelrooij kan zich erg goed concentreren en schiet de penalty kiezelhard raak.
Taeke Taekema moet een strafcorner nemen in de OS finale hockey. Het beslissende moment van de wedstrijd. Geen Jan Smit uit de speakers, maar ‘As’ van Stevie Wonder. Vol vertrouwen schiet Taeke raak en Nederland wint weer een gouden medaille.
WK Atletiek, Rutger Smith in de finale kogelstoten, de beslissende worp in voorbereiding. En hoor daar, geen Jeckyl & Hyde, maar the Beatles’ ‘Yesterday’. Op de top van concentratie stoot Rutger zelfs een wereldrecord!
Ja ik pleit voor een muzikaal kwalitatief hogere sportwereld. Laat het onderzoeken. Want er is toch zoveel agressie op het sportveld? Laat dan aub die Jan Smit en Nick & Simon achterwege. Dat wekt alleen maar agressie op.
Iedereen kent het wel, muziek bij de sportvereniging. En of je nou in een volleybalzaal, een voetbalstadion of op een atletiekbaan loopt, altijd weer knallen de Nederlandstalige hits en springmuziek je tegemoet. Eigenlijk gewoon strontvervelend, muzikaal drempelgedrag en gezellig. Want iedereen kent die Nederlandstalige toppers en andere springhits. De kijkers vinden het maar al te gezellig met de sfeer die de muziek kweekt. Maar wordt er ook wel eens aan de sporters gedacht?
Zal een volleyballer beter serveren als zijn favoriete song van de Kaiser Chiefs? Is een handballer beter geconcentreerd als een klassiek stuk van Chopin door de hal schalt? Swingt een buitenspeler op het voetbalveld meer bij een funky hit van Stevie Wonder? Is een scheidsrechter beter als hij een gitaarriff hoort van de Dire Straits? Ja, dat zijn vragen waarvan de weet er niet is. Misschien moet daar maar eens onderzoek naar gedaan worden. ‘Onder welke muziek presteert een bepaalde sporter het best?’ Lijkt me reuze interessant. En als dat één of andere Universiteit dit onderzoek uit gaat voeren en daadwerkelijk tot een uitslag komt. Dat er voor elke sport een bepaald genre het best zal werken. Het lijkt mij machtig.
Ben je naar het Nederlands voetbalelftal aan het kijken. Strafschop, van Nistelrooij achter de bal, hij heeft zijn concentratie hard nodig. Komt er in het stadion ‘Another one Bites the Dust’ van Queen uit de speakers. Van Nistelrooij kan zich erg goed concentreren en schiet de penalty kiezelhard raak.
Taeke Taekema moet een strafcorner nemen in de OS finale hockey. Het beslissende moment van de wedstrijd. Geen Jan Smit uit de speakers, maar ‘As’ van Stevie Wonder. Vol vertrouwen schiet Taeke raak en Nederland wint weer een gouden medaille.
WK Atletiek, Rutger Smith in de finale kogelstoten, de beslissende worp in voorbereiding. En hoor daar, geen Jeckyl & Hyde, maar the Beatles’ ‘Yesterday’. Op de top van concentratie stoot Rutger zelfs een wereldrecord!
Ja ik pleit voor een muzikaal kwalitatief hogere sportwereld. Laat het onderzoeken. Want er is toch zoveel agressie op het sportveld? Laat dan aub die Jan Smit en Nick & Simon achterwege. Dat wekt alleen maar agressie op.
0
geplaatst: 20 september 2007, 16:14 uur
De beslommeringen van een jeugdige held
Naar school gaan is zoiets als het tegenovergestelde van vakantie hebben. Elke ochtend sta je vroeg op, terwijl het buiten regent, en eet je braaf je boterhammetjes op voor je naar school gaat. Vroeg opstaan is een lastig ding, als je al wakker bent moet je daarna óók nog uit je bed stappen. En laat het nou net het geval zijn dat die dekens zo heerlijk warm zijn. De tocht van je bed naar de douche is één van de pijnlijkste in het leven. Het is zo koud, je ziet allemaal kleren en moet soms eeuwen wachten voordat je zusje er ein-de-lijk uit is. Dan is het de kunst daar zo vóór haar mogelijk te geraken, echter dat is weer moeilijk, omdat opstaan moeilijk gaat.
Na deze ontberingen te hebben overleeft kan ik eindelijk op mijn fiets stappen. Buiten regent het, dus ik verkleed mijzelf als een blauw monster met regenbroeken, regenjassen en nog meer van dat soort water-tegen-houders. Of het werkt is een tweede. Gelukkig is er op dat moment mijn grote vriend, de Samsung YP U1, hij weet mij altijd te plezieren met een album, liedje of geluidje dat mij een lach op mijn gezicht doet toveren. Er zijn mensen die chagrijnig naar hun werk fietsen, kinderen met rugzakjes en wat vroegkomers van de school naast de mijne die 10 minuten later begint. De omgeving is het mistroostige Rotterdamse Vroesenpark, op een zonnige avond een barbecue-voetbalparadijs, nu is er geen hond. Gelukkig hoor ik tussen de regen door het heerlijke Adrenaline! van The Roots en daarna de nog heerlijkere Rhymes Like Dymes van MF DOOM. Classical slapstick rappers need chapstick.
School blijft een vreemde paradox. Door de school struinend, soms weggezonken in een prachtige song van Tim Buckley, soms flauw grappen makend over Wilders, Verdonk, Kempi, Wolter Kroes en andere Nederlandse cultfiguren, ga ik van lokaal naar lokaal. De ene keer is het geluk hebben, dan staar een leraar voor de klas die gewoon een aardige kerel is, en soms zelfs met verve kan vertellen over zijn vak. Helaas bestaan er ook ontzettend vervelende leraren. Tirannen om het maar radicaal te stellen.
Zo heb ik een volstrekt overbodig vak dat ANW(algemene natuurwetenschappen) heet, en wat scheikunde, natuurkunde, biologie en aardrijkskunde bijeen is. Op die laatste na heb ik ze allemaal laten vallen. De heer in kwestie is een leraar die het lesboek te schools vindt, maar zelf met de hardste hand mogelijk de klas regeert. Hij is een fanatiek liefhebber van strafregels uitdelen en leerlingen voor schut zetten vanwege hun gebrekkige kennis van hét vak. Hij vindt leerlingen dom als zij geen natuur-profiel hebben gekozen en hij laat niks toe. Flesje water op de tafel? Taboe. Iets zeggen? Je riskeert honderd strafregels. Je snelhechter of schrift niet bij je? Dat is de hele donderdag strafregels maken. Door hem heeft de conrector nu een flinke verzameling mobieltjes, mp3-spelers en iPODS. Immers, als je klas inloopt met oordoppen in je oren, is het gelijk: inleveren maar! Mijn Samsung YP U1 is gelukkig nog in mijn veilige handen, maar moet toch constant vrezen voor zijn leven.
Er zijn echter betere mensen dan deze tiran. Zo heb ik een Amerikaanse lerares voor Engels die te goed is voor onze wereld. Vanochtend was ze twintig minuten te laat gekomen, en had ze om het goed te maken de kantine-juffrouws hulp ingeroepen om ons van koffie en maltesers(Oh, these white ones are soo good) te voorzien. En heb ik een geschiedenisleraar die constant nieuwe invalshoeken bedenkt om de les verassend te houden. Zo begon hij een keer met een klassiek muziekstuk, en gebood ons allen onze ogen dicht te doen en ons op de muziek te concentreren. Voor de rest draait hij ook vaak Hip-Hop in de klas.
Het zijn deze mensen die het leven van een hardwerkende scholier draaglijk maken, en de pijn van het vroege opstaan verzachten.
Naar school gaan is zoiets als het tegenovergestelde van vakantie hebben. Elke ochtend sta je vroeg op, terwijl het buiten regent, en eet je braaf je boterhammetjes op voor je naar school gaat. Vroeg opstaan is een lastig ding, als je al wakker bent moet je daarna óók nog uit je bed stappen. En laat het nou net het geval zijn dat die dekens zo heerlijk warm zijn. De tocht van je bed naar de douche is één van de pijnlijkste in het leven. Het is zo koud, je ziet allemaal kleren en moet soms eeuwen wachten voordat je zusje er ein-de-lijk uit is. Dan is het de kunst daar zo vóór haar mogelijk te geraken, echter dat is weer moeilijk, omdat opstaan moeilijk gaat.
Na deze ontberingen te hebben overleeft kan ik eindelijk op mijn fiets stappen. Buiten regent het, dus ik verkleed mijzelf als een blauw monster met regenbroeken, regenjassen en nog meer van dat soort water-tegen-houders. Of het werkt is een tweede. Gelukkig is er op dat moment mijn grote vriend, de Samsung YP U1, hij weet mij altijd te plezieren met een album, liedje of geluidje dat mij een lach op mijn gezicht doet toveren. Er zijn mensen die chagrijnig naar hun werk fietsen, kinderen met rugzakjes en wat vroegkomers van de school naast de mijne die 10 minuten later begint. De omgeving is het mistroostige Rotterdamse Vroesenpark, op een zonnige avond een barbecue-voetbalparadijs, nu is er geen hond. Gelukkig hoor ik tussen de regen door het heerlijke Adrenaline! van The Roots en daarna de nog heerlijkere Rhymes Like Dymes van MF DOOM. Classical slapstick rappers need chapstick.
School blijft een vreemde paradox. Door de school struinend, soms weggezonken in een prachtige song van Tim Buckley, soms flauw grappen makend over Wilders, Verdonk, Kempi, Wolter Kroes en andere Nederlandse cultfiguren, ga ik van lokaal naar lokaal. De ene keer is het geluk hebben, dan staar een leraar voor de klas die gewoon een aardige kerel is, en soms zelfs met verve kan vertellen over zijn vak. Helaas bestaan er ook ontzettend vervelende leraren. Tirannen om het maar radicaal te stellen.
Zo heb ik een volstrekt overbodig vak dat ANW(algemene natuurwetenschappen) heet, en wat scheikunde, natuurkunde, biologie en aardrijkskunde bijeen is. Op die laatste na heb ik ze allemaal laten vallen. De heer in kwestie is een leraar die het lesboek te schools vindt, maar zelf met de hardste hand mogelijk de klas regeert. Hij is een fanatiek liefhebber van strafregels uitdelen en leerlingen voor schut zetten vanwege hun gebrekkige kennis van hét vak. Hij vindt leerlingen dom als zij geen natuur-profiel hebben gekozen en hij laat niks toe. Flesje water op de tafel? Taboe. Iets zeggen? Je riskeert honderd strafregels. Je snelhechter of schrift niet bij je? Dat is de hele donderdag strafregels maken. Door hem heeft de conrector nu een flinke verzameling mobieltjes, mp3-spelers en iPODS. Immers, als je klas inloopt met oordoppen in je oren, is het gelijk: inleveren maar! Mijn Samsung YP U1 is gelukkig nog in mijn veilige handen, maar moet toch constant vrezen voor zijn leven.
Er zijn echter betere mensen dan deze tiran. Zo heb ik een Amerikaanse lerares voor Engels die te goed is voor onze wereld. Vanochtend was ze twintig minuten te laat gekomen, en had ze om het goed te maken de kantine-juffrouws hulp ingeroepen om ons van koffie en maltesers(Oh, these white ones are soo good) te voorzien. En heb ik een geschiedenisleraar die constant nieuwe invalshoeken bedenkt om de les verassend te houden. Zo begon hij een keer met een klassiek muziekstuk, en gebood ons allen onze ogen dicht te doen en ons op de muziek te concentreren. Voor de rest draait hij ook vaak Hip-Hop in de klas.
Het zijn deze mensen die het leven van een hardwerkende scholier draaglijk maken, en de pijn van het vroege opstaan verzachten.
0
geplaatst: 29 september 2007, 11:34 uur
En nu ?
Het moet één van de meest verbitterde vragen zijn die een zichzelf minnend muziekliefhebber kan stellen. Er gaat dan ook een onweerstaanbare radeloosheid van uit. Op een dag richt je jezelf op, overkijk je het choatisch muzieklandschap dat zich ongegeneerd voor je uitspreidt en denk je bij jezelf ... En nu ? Het is niet zozeer dat er helemaal niks nieuws meer te ontdekken valt. Hell no. Maar in welke richting wil je er op uit trekken. Rugzak aan en de berg of, luchtflessen aan en de dieperik in, of gewoon strandsetje uitstallen en op je luie reet genieten van het zonnetje ? De 30 labels die je volgt zijn niet meer bij te houden, je wil nieuwe dingen ontdekken maar je hebt weinig houvast om je op onbekend terrein te storten. En je wil natuurlijk geen al te slechte eerste indruk krijgen die verdere ontdekkingswaanzin intoomt. Je wil alle kanten op maar eigenlijk wil je ook nog een filmpje kijken en moet de was nog in de wasmachine gestopt worden.
Maar daar zet elk zichzelf minnend muziekliefhebber zich wel overheen. Kop in kas en gaan. Als een veelvraat door de massa albums heen en voelsprietjes uitsteken om interessante signalen op te vangen. Erger is die deprimerende gemoedstoestand die dat kleine vraagje met zich mee kan brengen. Want na "En nu ?" komt steevast
En later ?
Tja, en later. Wie later wil zien, kijkt om zich heen en ziet ouders die steevast ergens vastgeroest zitten. En ja, weet ik ook wel, er zijn enorme fiere kindjes wiens papa op eigen houtje de nieuwste CD gekocht heeft van Arcade Fire! Hoe deprimerend om jezelf voor te stellen als coole pa die het allernieuwste album gekocht heeft van de hotste New Trance DJ, de dan reeds 15de incarnatie van het trance genre.
Dapper denken we bij onszelf dat we waarschijnlijk nooit zo laag zullen vallen. Wij blijven de innovatie opzoeken! Wij blijven uitkijken naar nieuwe muziek en wij zullen voor altijd verwonderd worden door wat die schat aan klanken ons te bieden heeft. Maar de realiteit spreekt ons genadeloos tegen. De meeste van ons sterven lang voor de eindstreep nog maar in zicht komt.
En al is dit visioen eigenlijk al te erg om lang bij stil te blijven staan ... duurt de "En nu ?" fase nog wat langer dan wordt het pas echt treurig. Zwetend en prevelend kijk je vooruit naar een tijd waar de vraag circulair en hoog boven de geluidsnorm weergalmt.
En toen ?
Toen ? Toen was alles zoveel beter. Toen was muziek nog muzikaal, toen maakten muzikanten nog muziek uit het hart. Toen waren er nog rekels die op een echt instrument konden spelen en was het versuikerde gras roze als de strikjes aan de vlechtjes van een vijfjarig meisje. Toen ben je een ouwe lul die de wereld heeft losgelaten en enkel nog maar verlangend terug kan kijken naar het verleden. Naar langvervlogen tijden die dat eeuwig zullen blijven. Toen heeft geen toekomst meer, maar heeft zijn beste tijd al lang gehad. Toen is kut.
En nu ?
En nu valt er eigenlijk maar één ding te doen. Vechten tegen het lot, vechten tegen die slippery slope die je in dat dal brengt waar je geen bal interesse meer hebt in jezelf vernieuwen met vernieuwende muziek. Want dat blijkt dan uiteindelijk nog het ergste.
Als het dan uiteindelijk zo ver komt kan het ons allemaal geen barst meer schelen.
Het moet één van de meest verbitterde vragen zijn die een zichzelf minnend muziekliefhebber kan stellen. Er gaat dan ook een onweerstaanbare radeloosheid van uit. Op een dag richt je jezelf op, overkijk je het choatisch muzieklandschap dat zich ongegeneerd voor je uitspreidt en denk je bij jezelf ... En nu ? Het is niet zozeer dat er helemaal niks nieuws meer te ontdekken valt. Hell no. Maar in welke richting wil je er op uit trekken. Rugzak aan en de berg of, luchtflessen aan en de dieperik in, of gewoon strandsetje uitstallen en op je luie reet genieten van het zonnetje ? De 30 labels die je volgt zijn niet meer bij te houden, je wil nieuwe dingen ontdekken maar je hebt weinig houvast om je op onbekend terrein te storten. En je wil natuurlijk geen al te slechte eerste indruk krijgen die verdere ontdekkingswaanzin intoomt. Je wil alle kanten op maar eigenlijk wil je ook nog een filmpje kijken en moet de was nog in de wasmachine gestopt worden.
Maar daar zet elk zichzelf minnend muziekliefhebber zich wel overheen. Kop in kas en gaan. Als een veelvraat door de massa albums heen en voelsprietjes uitsteken om interessante signalen op te vangen. Erger is die deprimerende gemoedstoestand die dat kleine vraagje met zich mee kan brengen. Want na "En nu ?" komt steevast
En later ?
Tja, en later. Wie later wil zien, kijkt om zich heen en ziet ouders die steevast ergens vastgeroest zitten. En ja, weet ik ook wel, er zijn enorme fiere kindjes wiens papa op eigen houtje de nieuwste CD gekocht heeft van Arcade Fire! Hoe deprimerend om jezelf voor te stellen als coole pa die het allernieuwste album gekocht heeft van de hotste New Trance DJ, de dan reeds 15de incarnatie van het trance genre.
Dapper denken we bij onszelf dat we waarschijnlijk nooit zo laag zullen vallen. Wij blijven de innovatie opzoeken! Wij blijven uitkijken naar nieuwe muziek en wij zullen voor altijd verwonderd worden door wat die schat aan klanken ons te bieden heeft. Maar de realiteit spreekt ons genadeloos tegen. De meeste van ons sterven lang voor de eindstreep nog maar in zicht komt.
En al is dit visioen eigenlijk al te erg om lang bij stil te blijven staan ... duurt de "En nu ?" fase nog wat langer dan wordt het pas echt treurig. Zwetend en prevelend kijk je vooruit naar een tijd waar de vraag circulair en hoog boven de geluidsnorm weergalmt.
En toen ?
Toen ? Toen was alles zoveel beter. Toen was muziek nog muzikaal, toen maakten muzikanten nog muziek uit het hart. Toen waren er nog rekels die op een echt instrument konden spelen en was het versuikerde gras roze als de strikjes aan de vlechtjes van een vijfjarig meisje. Toen ben je een ouwe lul die de wereld heeft losgelaten en enkel nog maar verlangend terug kan kijken naar het verleden. Naar langvervlogen tijden die dat eeuwig zullen blijven. Toen heeft geen toekomst meer, maar heeft zijn beste tijd al lang gehad. Toen is kut.
En nu ?
En nu valt er eigenlijk maar één ding te doen. Vechten tegen het lot, vechten tegen die slippery slope die je in dat dal brengt waar je geen bal interesse meer hebt in jezelf vernieuwen met vernieuwende muziek. Want dat blijkt dan uiteindelijk nog het ergste.
Als het dan uiteindelijk zo ver komt kan het ons allemaal geen barst meer schelen.
0
geplaatst: 23 oktober 2007, 15:57 uur
Conflict
Het is voor mij niet lastig om een column te schrijven, maar waar ga ik het nu hebben?
Oh ja, ik heb besloten wat ik doe met mijn gevarieerde muzieksmaak.
Ik heb besloten Tears For Fears voor altijd de beste groep ooit te houden en Dream Theater alleen maar te beluisteren omdat ze muzikaal gewoon heel goed zijn.
Einde voor mijn fascinatie voor beiden groepen zal niet bestaan, ookal luister ik de een meer dan de ander. Maar ik neem aan dat iedereen dat wel eens gehad heeft: Dat je moest kiezen tussen twee groepen die je enorm bewonderd, elke om een bepaalde reden?
Ik kan je zeggen: Het is lastig.
Komt er namelijk het moment dat je jezelf afvraagt: Welke van de twee kies ik? Aan de ene kant die groep waar je al het langste fan van bent en aan de andere kant die groep die steeds meer van interesse wint. Je wilt dan gewoon bij een groep blijven, maar dat kan niet.
Iedereen hoopt in zijn leven wel eens dat hij of zij meer kansen krijgt, maar dat gebeurd nooit.
Waarom niet? Omdat bijna niemand een compromis kan waarderen.
Ga bij jezelf eens na hoe vaak in je leven je een compromis gesloten hebt dat goed was voor, bijvoorbeeld, je muziekkeuze.
Er bestaan natuurlijk uitzonderingen, maar zelden luistert men naar twee, muzikale, tegenpolen.
Heb jij ook iemand gezien die bijvoorbeeld naar klassiek en metal luistert en van beide optimaal geniet? Dat bedoel ik, beetje extreem voorbeeld misschien, maar de mens kiest doorgaans altijd één zijde.
Helaas wordt hierdoor een groep die je hele tijd bewonderd hebt langzaam uit je geheugen gewist en zit je te kijken met al het spul dat je van deze groep verzameld hebt over de jaren.
Daarom zijn zulke keuzes ook lastig: Je wilt wel kiezen voor die groep maar die andere groep zit in je hoofd.
Aan jou is het op dat moment de keus: Welke van de twee pak je om weer twee jaar naar te luisteren? Ik heb tot nu altijd gedaan wat iedereen eigenlijk zou moeten doen: Blijven luisteren naar de band die je op dat moment het beste bevalt en dan kijken of er nog iets heel gebleven is van je liefde voor die eerste band.
Het allerbeste, OldSkool
Het is voor mij niet lastig om een column te schrijven, maar waar ga ik het nu hebben?
Oh ja, ik heb besloten wat ik doe met mijn gevarieerde muzieksmaak.
Ik heb besloten Tears For Fears voor altijd de beste groep ooit te houden en Dream Theater alleen maar te beluisteren omdat ze muzikaal gewoon heel goed zijn.
Einde voor mijn fascinatie voor beiden groepen zal niet bestaan, ookal luister ik de een meer dan de ander. Maar ik neem aan dat iedereen dat wel eens gehad heeft: Dat je moest kiezen tussen twee groepen die je enorm bewonderd, elke om een bepaalde reden?
Ik kan je zeggen: Het is lastig.
Komt er namelijk het moment dat je jezelf afvraagt: Welke van de twee kies ik? Aan de ene kant die groep waar je al het langste fan van bent en aan de andere kant die groep die steeds meer van interesse wint. Je wilt dan gewoon bij een groep blijven, maar dat kan niet.
Iedereen hoopt in zijn leven wel eens dat hij of zij meer kansen krijgt, maar dat gebeurd nooit.
Waarom niet? Omdat bijna niemand een compromis kan waarderen.
Ga bij jezelf eens na hoe vaak in je leven je een compromis gesloten hebt dat goed was voor, bijvoorbeeld, je muziekkeuze.
Er bestaan natuurlijk uitzonderingen, maar zelden luistert men naar twee, muzikale, tegenpolen.
Heb jij ook iemand gezien die bijvoorbeeld naar klassiek en metal luistert en van beide optimaal geniet? Dat bedoel ik, beetje extreem voorbeeld misschien, maar de mens kiest doorgaans altijd één zijde.
Helaas wordt hierdoor een groep die je hele tijd bewonderd hebt langzaam uit je geheugen gewist en zit je te kijken met al het spul dat je van deze groep verzameld hebt over de jaren.
Daarom zijn zulke keuzes ook lastig: Je wilt wel kiezen voor die groep maar die andere groep zit in je hoofd.
Aan jou is het op dat moment de keus: Welke van de twee pak je om weer twee jaar naar te luisteren? Ik heb tot nu altijd gedaan wat iedereen eigenlijk zou moeten doen: Blijven luisteren naar de band die je op dat moment het beste bevalt en dan kijken of er nog iets heel gebleven is van je liefde voor die eerste band.
Het allerbeste, OldSkool
0
geplaatst: 24 oktober 2007, 09:59 uur
VOOROORDELEN
Vooroordelen. De wereld zit er vol mee. Niet in het minst de muziekwereld. Bob Dylan is een genie, The Beatles waren nog beter, en Sharon den Adel kan zingen. Niets is vaak minder waar. Zelf ben ik ook behept met een dosis vooroordeel waar u u tegen mag zeggen. Je krijgt dat overigens ook wel eens onterecht in de schoenen geworpen. Als ik de eerste drie albums van Dream Theater als meer dan rampzalig beoordeel, kun je van mij niet verwachten dat ik het vierde ga beluisteren, om eventueel een andere mening over Dream Theater te ontwikkelen.
Een publiek figuur dat als geen ander weet hoe het is om met vooroordelen door het leven te gaan is Rob de Nijs. Deze week verschijnt er een – geautoriseerde! – biografie over hem van de hand van Robert Haagsma, met wie ik het afgelopen ook gewerkt heb aan een boek over Pink Floyd. U zult denken – ook een vooroordeel, overigens! – daar heb je hem weer met zijn Pink Floyd en zijn boek, maar ik moest het hier even noemen om mijn betoog te kadreren.
Rob de Nijs heeft het als geen andere muzikant in Nederland aan zich, om beoordeeld te worden op alles behalve zijn muziek. ‘Er verschijnt pas een nieuwe elpee van Rob de Nijs als hij een nieuw kapsel voor de hoes heeft bedacht’, stellen Van Kooten en De Bie eens, zo valt in het boek te lezen.
Bij een dergelijk boek hoort natuurlijk een uitreiking. Aangezien De Nijs op 18 oktober in Rotterdam concerteert en de auteur daar woonachtig is, wordt het Nieuwe Luxor Theater uitgekozen om het boek te presenteren. Dat gebeurt dan ook aan het einde van de eerste set. Jan Rot overhandigt de zanger het eerste exemplaar, terwijl hij zich tot het publiek richt met de woorden ‘Ik kan me voorstellen dat u de afgelopen periode al genoeg over Rob heeft gelezen.’
Rob de Nijs wordt van een opmerking als deze niet warm of koud, en komt tijdens het concert al meerdere malen terug op zijn qua privéleven turbulente zomer. Het wordt hem door de uitverkochte zaal niet kwalijk genomen. De Nijs is van het publiek, en het publiek is van hem. Ondanks dat ik me allesbehalve verdiept heb in zijn oeuvre blijkt een groot deel van de nummers ergens opgeslagen te liggen in mijn geheugen. De andere nummers zijn albumstukken en wat nummers van een aankomende release. Mooie, ingetogen stukken, met sterke teksten. Maar ook meezingers als Banger Hart en Malle Babbe. Vijftien jaar geleden tijdens mijn jaren al student al een knaller. Nu, afgezien van de destijds bijkomende drankconsumptie, nog altijd een feestnummer om voor uit de stoelen te springen.
Natuurlijk kom je tijdens een dergelijk concert een bekende tegen. ‘Jij hier?’ klinkt het. ‘Ja’, zeg je dan, en je begint een verhaal op te hangen van je boek, medeauteur, blah, blah, blah. Daar kom ik bij een volgend bezoek aan Rob de Nijs niet meer mee weg vrees ik.
Vooroordelen. De wereld zit er vol mee. Niet in het minst de muziekwereld. Bob Dylan is een genie, The Beatles waren nog beter, en Sharon den Adel kan zingen. Niets is vaak minder waar. Zelf ben ik ook behept met een dosis vooroordeel waar u u tegen mag zeggen. Je krijgt dat overigens ook wel eens onterecht in de schoenen geworpen. Als ik de eerste drie albums van Dream Theater als meer dan rampzalig beoordeel, kun je van mij niet verwachten dat ik het vierde ga beluisteren, om eventueel een andere mening over Dream Theater te ontwikkelen.
Een publiek figuur dat als geen ander weet hoe het is om met vooroordelen door het leven te gaan is Rob de Nijs. Deze week verschijnt er een – geautoriseerde! – biografie over hem van de hand van Robert Haagsma, met wie ik het afgelopen ook gewerkt heb aan een boek over Pink Floyd. U zult denken – ook een vooroordeel, overigens! – daar heb je hem weer met zijn Pink Floyd en zijn boek, maar ik moest het hier even noemen om mijn betoog te kadreren.
Rob de Nijs heeft het als geen andere muzikant in Nederland aan zich, om beoordeeld te worden op alles behalve zijn muziek. ‘Er verschijnt pas een nieuwe elpee van Rob de Nijs als hij een nieuw kapsel voor de hoes heeft bedacht’, stellen Van Kooten en De Bie eens, zo valt in het boek te lezen.
Bij een dergelijk boek hoort natuurlijk een uitreiking. Aangezien De Nijs op 18 oktober in Rotterdam concerteert en de auteur daar woonachtig is, wordt het Nieuwe Luxor Theater uitgekozen om het boek te presenteren. Dat gebeurt dan ook aan het einde van de eerste set. Jan Rot overhandigt de zanger het eerste exemplaar, terwijl hij zich tot het publiek richt met de woorden ‘Ik kan me voorstellen dat u de afgelopen periode al genoeg over Rob heeft gelezen.’
Rob de Nijs wordt van een opmerking als deze niet warm of koud, en komt tijdens het concert al meerdere malen terug op zijn qua privéleven turbulente zomer. Het wordt hem door de uitverkochte zaal niet kwalijk genomen. De Nijs is van het publiek, en het publiek is van hem. Ondanks dat ik me allesbehalve verdiept heb in zijn oeuvre blijkt een groot deel van de nummers ergens opgeslagen te liggen in mijn geheugen. De andere nummers zijn albumstukken en wat nummers van een aankomende release. Mooie, ingetogen stukken, met sterke teksten. Maar ook meezingers als Banger Hart en Malle Babbe. Vijftien jaar geleden tijdens mijn jaren al student al een knaller. Nu, afgezien van de destijds bijkomende drankconsumptie, nog altijd een feestnummer om voor uit de stoelen te springen.
Natuurlijk kom je tijdens een dergelijk concert een bekende tegen. ‘Jij hier?’ klinkt het. ‘Ja’, zeg je dan, en je begint een verhaal op te hangen van je boek, medeauteur, blah, blah, blah. Daar kom ik bij een volgend bezoek aan Rob de Nijs niet meer mee weg vrees ik.
0
geplaatst: 24 oktober 2007, 14:39 uur
Zeikerige Dunnen Mannetjes
Je ziet ze vooral bij concerten, in streepjes shirts of oude concert T-shirt gehulde marge of juist dikke mannetjes. De alles wetende nerd die omdat hij geen vriendin kan krijgen de meest onnodige informatie over alle bands probeert te vergaren en er mee rond te bazen. Dit forum heeft er gelukkig geen, maar bij concerten of op straat kom ik ze jammer genoeg te vaak tegen. Hoe kun je ze herkennen? Zoals ik al eerder zie streepjes T-shirt of oude concert T-shirts, geïsoleerd gedrag maar vooral het wel bekende ‘die band is bekend aan het worden dus die ga ik vanaf haten’ syndroom. Een andere benaming die voor de meeste van deze zeikerige dunnen of dikke mannetjes kan gebruikt worden is indie. Indie betekent indepent, dat betekent onafhankelijk. Het probleem is de enige manier waardoor ze onafhankelijk kunnen zijn is door bandjes met namen als ‘Natahlie’s Portman Shaved Head(Bestaat echt, zoek maar op!) de hemel in te prijzen. Iedere muziekliefhebber heef een indie in zich, altijd op zoek naar het meest vage en meest weg gestopte juweeltje en hem dan schoon poetsen en er mee pronken, maar dan ook als het juweeltje bekend wordt en het nog steeds juweel platen maken of de gevonden juweel plaat(en) nog steeds ontzettend goed zijn er van blijven houden. Daar is niets mis mee, maar het probleem is met deze mannetjes. Ze verstoten bands wanneer ze maar een puntje populair worden dumpen ze de band en zeggen dat ze te geld en roem zuchtig werden. Vaak is het tegendeel. Nog een eigenschap van de indie is het richten op de vaagste bandjes die er zijn. Vaak ontzettend slecht, maar hoe onbekender hoe beter en dan maar de hemel in blijven prijzen. Vernieuwd, wanneer ze het hele grunge gebeuren gebruiken en zeggen dat ze grunge haten en toch stiekem in hun verrotte volkswagen hippie busje met matrassen alleen naar Nirvana, Pearl Jam en Soundgarden luisteren. Zielig gewoon. Zeg dan gewoon dat je alleen naar Grunge luistert en je ziel aan de duivel zal verkopen als je maar een keer voor echt grunge wordt bestempelt. Nog een gebrek bij deze mensen is dat ze vrouwen afstoten, ze hebben het liefdesleven van een goudvis. Mij liefdes leven is ook niks maar mij is het wel een keer bijna gelukt. Bij de meeste indie’s is het net als de wel bekende Treckies(Star Trek fanaten), ze willen en kunnen alleen maar vrouwen die voor hetzelfde leven als hun. Het vrouwelijk gedeelte van de indie’s kan geschat worden op wat minder dan 1 procent dus veel kans hebben ze niet. Toch staan ze een vuilbekkende lelijke frontvrouw van hun indie bands de hemel in te prijzen dat ze zo mooi en sexy is. Ga dan gewoon de vrouwen die je echt mooi vindt de hemel in prijzen, waar je nooit bij kan komen maar dan heb je betere dromen ook al is ze zo beroemt. Ik zeg niet dat iedere indie irritant of zo is maar de meeste die ik ken en zie wel. Ik heb ook een aantal bands gedumpt toen ze te geldzuchtig werden, maar toen werden de platen ook veel minder tot vreselijk. Maar goed, dit is maar mij visie op een groep mensen. Dus, voel je niet aangesproken door een 15 jarige rockliefhebbend nerd, laat je gewoon eens over nadenken. Misschien help dat.
Je ziet ze vooral bij concerten, in streepjes shirts of oude concert T-shirt gehulde marge of juist dikke mannetjes. De alles wetende nerd die omdat hij geen vriendin kan krijgen de meest onnodige informatie over alle bands probeert te vergaren en er mee rond te bazen. Dit forum heeft er gelukkig geen, maar bij concerten of op straat kom ik ze jammer genoeg te vaak tegen. Hoe kun je ze herkennen? Zoals ik al eerder zie streepjes T-shirt of oude concert T-shirts, geïsoleerd gedrag maar vooral het wel bekende ‘die band is bekend aan het worden dus die ga ik vanaf haten’ syndroom. Een andere benaming die voor de meeste van deze zeikerige dunnen of dikke mannetjes kan gebruikt worden is indie. Indie betekent indepent, dat betekent onafhankelijk. Het probleem is de enige manier waardoor ze onafhankelijk kunnen zijn is door bandjes met namen als ‘Natahlie’s Portman Shaved Head(Bestaat echt, zoek maar op!) de hemel in te prijzen. Iedere muziekliefhebber heef een indie in zich, altijd op zoek naar het meest vage en meest weg gestopte juweeltje en hem dan schoon poetsen en er mee pronken, maar dan ook als het juweeltje bekend wordt en het nog steeds juweel platen maken of de gevonden juweel plaat(en) nog steeds ontzettend goed zijn er van blijven houden. Daar is niets mis mee, maar het probleem is met deze mannetjes. Ze verstoten bands wanneer ze maar een puntje populair worden dumpen ze de band en zeggen dat ze te geld en roem zuchtig werden. Vaak is het tegendeel. Nog een eigenschap van de indie is het richten op de vaagste bandjes die er zijn. Vaak ontzettend slecht, maar hoe onbekender hoe beter en dan maar de hemel in blijven prijzen. Vernieuwd, wanneer ze het hele grunge gebeuren gebruiken en zeggen dat ze grunge haten en toch stiekem in hun verrotte volkswagen hippie busje met matrassen alleen naar Nirvana, Pearl Jam en Soundgarden luisteren. Zielig gewoon. Zeg dan gewoon dat je alleen naar Grunge luistert en je ziel aan de duivel zal verkopen als je maar een keer voor echt grunge wordt bestempelt. Nog een gebrek bij deze mensen is dat ze vrouwen afstoten, ze hebben het liefdesleven van een goudvis. Mij liefdes leven is ook niks maar mij is het wel een keer bijna gelukt. Bij de meeste indie’s is het net als de wel bekende Treckies(Star Trek fanaten), ze willen en kunnen alleen maar vrouwen die voor hetzelfde leven als hun. Het vrouwelijk gedeelte van de indie’s kan geschat worden op wat minder dan 1 procent dus veel kans hebben ze niet. Toch staan ze een vuilbekkende lelijke frontvrouw van hun indie bands de hemel in te prijzen dat ze zo mooi en sexy is. Ga dan gewoon de vrouwen die je echt mooi vindt de hemel in prijzen, waar je nooit bij kan komen maar dan heb je betere dromen ook al is ze zo beroemt. Ik zeg niet dat iedere indie irritant of zo is maar de meeste die ik ken en zie wel. Ik heb ook een aantal bands gedumpt toen ze te geldzuchtig werden, maar toen werden de platen ook veel minder tot vreselijk. Maar goed, dit is maar mij visie op een groep mensen. Dus, voel je niet aangesproken door een 15 jarige rockliefhebbend nerd, laat je gewoon eens over nadenken. Misschien help dat.
0
geplaatst: 30 oktober 2007, 18:42 uur
De dag dat de wereld werd gered....
Daniel, Zimmerman en Murphy zaten in hun huisje boven op de berg. Ze dronken een kop thee, en namen daarbij een gelukskoekje. Normaal zaten onze drie helden vol geniale ideeën, maar vandaag wilde het niet echt vlotten. Misschien zat het gelukskoekje vol geniale ideeën, maar dat bleek niet zo te zijn. Ze zaten daarom maar in hun huisje, en dronken thee, en verveelden zich. Totdat opeens Daniel opsprong en schreeuwde: “ik heb het!, Vandaag mijn kameraden, zullen wij de wereld gaan redden!”
Zimmerman en Murphy keken hem allereerst een tikkeltje verbaasd aan, maar Daniel wist hun te overtuigen van zijn plan. Allen zouden ze naar een land gaan om daar de orde te herstellen, en de mensen vrijheid gunnen. Het was het kinderlijk enthousiasme van Daniel dat hen wist te overtuigen. En ze gingen op pad.
Daniel ging naar het land dat werd aangevallen door een robuust. Dit monster was gruwelijk, het had jaren in een meer geleefd, maar had nu besloten dat het tijd was om het land te veroveren. Het hooglandschap was kaal, met een enkele berg, en was vrij makkelijk voor een aanval, maar des te moeilijker te verdedigen. De bewoners spraken een rare vorm van Engels, en sommige mannen droegen een soort van rokken. Ze konden niks tegen het monster doen, maar gelukkig was daar Daniel.
Daniel realiseerde dat hij dit niet alleen kon, en riep daarom de hulp in van zijn vrienden Otis en Burton. Tezamen vormden ze een sterk team, maar het monster was bruut. De slangachtige bewegingen van het monster bleken slangachtig en snel. Maar dankzij de meesterlijke flow van Daniel(met woorden die aankwamen als messteken) en de prachtige, next-level ondersteuningen van Burton en Otis werd het gruwelijke monster compleet weggefonkt, en overladen met een jazz-sausje, waar het nooit meer uit kon komen. De bewoners van het hooglandschap bedankten de helden in hun vreemde Engelse gebrabbel, en de helden keken elkaar aan, deden de handen op elkaar, glimlachten en zeiden:
superheroes for life until our souls vanish
Zimmerman ging naar het vlakke land waar een brute dictator huishield. Het was een ogenschijnlijk vriendelijke man, maar onder zijn blonde afro had hij de meest kwaadaardige ideeën die een mens maar kan bedenken. Hij liet mensen die volgens hem anders waren opsluiten, en daarna met zijn twintigen tegelijk verdrinken in een grote pot boerenkool. De mensen in het land waren te bang om er een stokje voor te steken, maar gelukkig was er Zimmerman.
Slechts gewapend met zijn gitaar zong hij liederen die de burger aanspoorden tot revolutie. Hij liet de nederige burgers van het vlakland zelfvertrouwen winnen, en hen een sterk collectief vormen. De burgers begonnen te beseffen dat het anders moest, en zij verzamelden zich om de verschrikkelijke dictator af te zetten, en hem te laten inzien dat hij de meest paupere ziel van het vlakland was. En zo liepen de burgers hun succesvolle staatsgreep tegemoet, om de democratie terug te brengen, en het goede leven te vervolgen. Terwijl zij naar het paleis liepen zongen zij eensgezind het lied van het veranderen der tijden.
Come gather 'round people/ Wherever you roam / and admit that the waters / around you have grown
Murphy ging naar het land dat al tijden werd geteisterd door barden die het land in bedwang hielden met hun afschrikwekkende liedjes, of wat daar van over bleef. De burgers, doorgaans gekleed in lederen broeken, en niet vies van een aantal liters gele priksap, waren het inmiddels spuugzat, maar zij konden niets doen. De barden hielden het land in bedwang, als zijnde zij de leiders die het volk opium toedienen. Het begin is leuk, maar ze realiseren goed genoeg dat zij er spoedig aan ten gronde zullen gaan.
Murphy bracht zijn geluidsinstallatie mee naar de hoogste berg van het land, en begon er een flinke hap rauwe fonk tegen aan te gooien. De synths scheurden, de punk beukte, en Murphy zelf zong het als een neuroot, en het vormde een berg punkfunk, waar iedereen u tegen zie. De barden konden het niet aanhoren, en vluchtten naar het buitenland, terwijl de burgers zichzelf lieten veranderen in een kolkende dansmassa. Murphy gooide er, hoewel dat onmogelijk leek, nog een schepje bovenop en zong verder:
Makes you want to feel like tééénager
Die avond kwamen de drie helden bijeen, en vertelden elkaar over hun avonturen. Ze beseften dat ze nu in elk geval een deel van de wereld hadden gered, maar de klus was nog lang niet geklaard. Nu waren ze echter aan rust toe, en na het nuttigen van een sterke kop thee, zochten zij hun mandje op, en bedachten dat spoedig misschien de hele wereld gered zou zijn.
Daniel, Zimmerman en Murphy zaten in hun huisje boven op de berg. Ze dronken een kop thee, en namen daarbij een gelukskoekje. Normaal zaten onze drie helden vol geniale ideeën, maar vandaag wilde het niet echt vlotten. Misschien zat het gelukskoekje vol geniale ideeën, maar dat bleek niet zo te zijn. Ze zaten daarom maar in hun huisje, en dronken thee, en verveelden zich. Totdat opeens Daniel opsprong en schreeuwde: “ik heb het!, Vandaag mijn kameraden, zullen wij de wereld gaan redden!”
Zimmerman en Murphy keken hem allereerst een tikkeltje verbaasd aan, maar Daniel wist hun te overtuigen van zijn plan. Allen zouden ze naar een land gaan om daar de orde te herstellen, en de mensen vrijheid gunnen. Het was het kinderlijk enthousiasme van Daniel dat hen wist te overtuigen. En ze gingen op pad.
Daniel ging naar het land dat werd aangevallen door een robuust. Dit monster was gruwelijk, het had jaren in een meer geleefd, maar had nu besloten dat het tijd was om het land te veroveren. Het hooglandschap was kaal, met een enkele berg, en was vrij makkelijk voor een aanval, maar des te moeilijker te verdedigen. De bewoners spraken een rare vorm van Engels, en sommige mannen droegen een soort van rokken. Ze konden niks tegen het monster doen, maar gelukkig was daar Daniel.
Daniel realiseerde dat hij dit niet alleen kon, en riep daarom de hulp in van zijn vrienden Otis en Burton. Tezamen vormden ze een sterk team, maar het monster was bruut. De slangachtige bewegingen van het monster bleken slangachtig en snel. Maar dankzij de meesterlijke flow van Daniel(met woorden die aankwamen als messteken) en de prachtige, next-level ondersteuningen van Burton en Otis werd het gruwelijke monster compleet weggefonkt, en overladen met een jazz-sausje, waar het nooit meer uit kon komen. De bewoners van het hooglandschap bedankten de helden in hun vreemde Engelse gebrabbel, en de helden keken elkaar aan, deden de handen op elkaar, glimlachten en zeiden:
superheroes for life until our souls vanish
Zimmerman ging naar het vlakke land waar een brute dictator huishield. Het was een ogenschijnlijk vriendelijke man, maar onder zijn blonde afro had hij de meest kwaadaardige ideeën die een mens maar kan bedenken. Hij liet mensen die volgens hem anders waren opsluiten, en daarna met zijn twintigen tegelijk verdrinken in een grote pot boerenkool. De mensen in het land waren te bang om er een stokje voor te steken, maar gelukkig was er Zimmerman.
Slechts gewapend met zijn gitaar zong hij liederen die de burger aanspoorden tot revolutie. Hij liet de nederige burgers van het vlakland zelfvertrouwen winnen, en hen een sterk collectief vormen. De burgers begonnen te beseffen dat het anders moest, en zij verzamelden zich om de verschrikkelijke dictator af te zetten, en hem te laten inzien dat hij de meest paupere ziel van het vlakland was. En zo liepen de burgers hun succesvolle staatsgreep tegemoet, om de democratie terug te brengen, en het goede leven te vervolgen. Terwijl zij naar het paleis liepen zongen zij eensgezind het lied van het veranderen der tijden.
Come gather 'round people/ Wherever you roam / and admit that the waters / around you have grown
Murphy ging naar het land dat al tijden werd geteisterd door barden die het land in bedwang hielden met hun afschrikwekkende liedjes, of wat daar van over bleef. De burgers, doorgaans gekleed in lederen broeken, en niet vies van een aantal liters gele priksap, waren het inmiddels spuugzat, maar zij konden niets doen. De barden hielden het land in bedwang, als zijnde zij de leiders die het volk opium toedienen. Het begin is leuk, maar ze realiseren goed genoeg dat zij er spoedig aan ten gronde zullen gaan.
Murphy bracht zijn geluidsinstallatie mee naar de hoogste berg van het land, en begon er een flinke hap rauwe fonk tegen aan te gooien. De synths scheurden, de punk beukte, en Murphy zelf zong het als een neuroot, en het vormde een berg punkfunk, waar iedereen u tegen zie. De barden konden het niet aanhoren, en vluchtten naar het buitenland, terwijl de burgers zichzelf lieten veranderen in een kolkende dansmassa. Murphy gooide er, hoewel dat onmogelijk leek, nog een schepje bovenop en zong verder:
Makes you want to feel like tééénager
Die avond kwamen de drie helden bijeen, en vertelden elkaar over hun avonturen. Ze beseften dat ze nu in elk geval een deel van de wereld hadden gered, maar de klus was nog lang niet geklaard. Nu waren ze echter aan rust toe, en na het nuttigen van een sterke kop thee, zochten zij hun mandje op, en bedachten dat spoedig misschien de hele wereld gered zou zijn.
0
geplaatst: 4 november 2007, 16:45 uur
MuMe Colum 24: Vocalism
Over het algemeen houdt men heel erg van hokjes denken. Alles wordt zo veel mogelijk een label opgeplakt zodat het aanwijsbaar wordt. Zo is het ook in de muziek. Metal van nu wordt nu-metal, soul van nu wordt nu-soul en ga zo maar door. Erg jammer, naar mijn bescheiden mening. Want waar het gewoon om gaat is dat het muziek is en iedereen daar zijn of haar eigen smaak en ei in kwijt kan.
Grote overeenkomsten binnen elk genre zijn muzikaal en vocaal. Muzikaal is wederom wel weer genregericht, maar vocalen kunnen door de luisteraars uit elk verschillende genre geapprecieerd worden. Zo kan het best dat iemand die liefhebber is van de stem van Damien Rice ook zeer geïntegreerd wordt door het stemgeluid van een classic-vocalzangeres als Janine Pas.
Hierbij wil ik graag mezelf even als voorbeeld nemen. Ben zelf een groot liefhebber van vocale muziek, zeker meer dan van alleen muzikale nummers. Dat komt natuurlijk ook wel door het genre waar ik het meest naar luister, soul. Daarin staan de zangers en zangeressen natuurlijk erg op de voorgrond en is de stem een groot gedeelte van de muziek. Ik loop helemaal weg met de stemmen van Sam Cooke, Donny Hathaway, Marvin Gaye en Otis Redding. Maar kunnen ook de nieuwere stemmen van Musiq Soulchild, Anthony Hamilton en India.Arie mij erg meedragen. Ook erg aparte stemmen als die van Macy Gray vind ik er fijn om te horen. Maar buiten mijn favoriete genre komen mijn nog wel eens meer vocalisten ten gehoren. Jazzvocalisten als Amos Lee, Dinah Washington en Billie Holiday pakken me ook altijd erg aan. Nou ligt dit toch vaak dicht bij de soul.
Boven noemde ik Damien Rice, een singer/songwriter, waarvan ik de cd ‘O’ zomaar eens uitprobeerde. Hij wist veel gevoel in zijn stem te leggen en mij ook te grijpen. Zo ben ik dus van mening dat vocalen genreoverschrijdend zijn.
Waar het vooral om gaat in de stem is het gevoel dat iemand aanspreekt. Het pakt je of het pakt je niet. Soms is het wennen, maar als je een stem na drie keer luisteren nog steeds niks vindt zal dit niet snel veranderen. Zoals stemmen vaak gevoel uitdragen moet dit gevoel ook bij de luisteraar binnen komen. En het mooie aan al die verschillende stemmen is dan weer dat er voor iedereen wel wat wils tussen zit.
Over het algemeen houdt men heel erg van hokjes denken. Alles wordt zo veel mogelijk een label opgeplakt zodat het aanwijsbaar wordt. Zo is het ook in de muziek. Metal van nu wordt nu-metal, soul van nu wordt nu-soul en ga zo maar door. Erg jammer, naar mijn bescheiden mening. Want waar het gewoon om gaat is dat het muziek is en iedereen daar zijn of haar eigen smaak en ei in kwijt kan.
Grote overeenkomsten binnen elk genre zijn muzikaal en vocaal. Muzikaal is wederom wel weer genregericht, maar vocalen kunnen door de luisteraars uit elk verschillende genre geapprecieerd worden. Zo kan het best dat iemand die liefhebber is van de stem van Damien Rice ook zeer geïntegreerd wordt door het stemgeluid van een classic-vocalzangeres als Janine Pas.
Hierbij wil ik graag mezelf even als voorbeeld nemen. Ben zelf een groot liefhebber van vocale muziek, zeker meer dan van alleen muzikale nummers. Dat komt natuurlijk ook wel door het genre waar ik het meest naar luister, soul. Daarin staan de zangers en zangeressen natuurlijk erg op de voorgrond en is de stem een groot gedeelte van de muziek. Ik loop helemaal weg met de stemmen van Sam Cooke, Donny Hathaway, Marvin Gaye en Otis Redding. Maar kunnen ook de nieuwere stemmen van Musiq Soulchild, Anthony Hamilton en India.Arie mij erg meedragen. Ook erg aparte stemmen als die van Macy Gray vind ik er fijn om te horen. Maar buiten mijn favoriete genre komen mijn nog wel eens meer vocalisten ten gehoren. Jazzvocalisten als Amos Lee, Dinah Washington en Billie Holiday pakken me ook altijd erg aan. Nou ligt dit toch vaak dicht bij de soul.
Boven noemde ik Damien Rice, een singer/songwriter, waarvan ik de cd ‘O’ zomaar eens uitprobeerde. Hij wist veel gevoel in zijn stem te leggen en mij ook te grijpen. Zo ben ik dus van mening dat vocalen genreoverschrijdend zijn.
Waar het vooral om gaat in de stem is het gevoel dat iemand aanspreekt. Het pakt je of het pakt je niet. Soms is het wennen, maar als je een stem na drie keer luisteren nog steeds niks vindt zal dit niet snel veranderen. Zoals stemmen vaak gevoel uitdragen moet dit gevoel ook bij de luisteraar binnen komen. En het mooie aan al die verschillende stemmen is dan weer dat er voor iedereen wel wat wils tussen zit.
0
geplaatst: 25 november 2007, 13:09 uur
Ode aan de Twijfel
‘Kijk, hier heeft hij toch duidelijk de relativiteit van tijd aan de mensen willen laten zien. En kijk, hier zie je de invloed van de Tweede Wereldoorlog in zijn werk. Op het volgende schilderij zullen jullie duidelijk zijn affiniteit met de dood en zijn aanklacht tegen het christendom zien.’
Wat zal Salvador gelachen hebben als hij door zijn eigen museum was gelopen. Pretentieus geneuzel. Wat is toch die onrust in een mens als hij iets niet direct thuis kan brengen? Waarom moet alles gelijk toch zo wanhopig geconcretiseerd worden?
De mensen met de grootste onrust kunnen herkend worden aan de grote stelligheid waarmee ze dingen zeggen. Er mag geen twijfel meer in het midden worden gelaten, de kunst moet geconcretiseerd worden. ‘Dát is het.’
De mindere extreme vorm moet zichzelf altijd vragen stellen. Bij elke abstracte vorm neemt de onrust toe en stelt men zich de vraag: ‘Wat is het?’
De vraag helemaal niet meer stellen, het hoogste goed. Het verschil tussen lectuur en literatuur (wat ik overigens altijd een bijzonder saaie discussie vind) ligt in het abstracte en het onduidelijke. Het duidelijk goede of slechte uit de lectuur bestaat niet in de literatuur. Is dat niet met elke kunstvorm zo? Dat het eigenlijk pas de naam ‘kunst’ mag dragen als het niet te concretiseren is? Ik denk het wel. Daarom zou ik u willen vragen dingen voortaan wat vaker in het midden te laten.
‘Kijk, hier heeft hij toch duidelijk de relativiteit van tijd aan de mensen willen laten zien. En kijk, hier zie je de invloed van de Tweede Wereldoorlog in zijn werk. Op het volgende schilderij zullen jullie duidelijk zijn affiniteit met de dood en zijn aanklacht tegen het christendom zien.’
Wat zal Salvador gelachen hebben als hij door zijn eigen museum was gelopen. Pretentieus geneuzel. Wat is toch die onrust in een mens als hij iets niet direct thuis kan brengen? Waarom moet alles gelijk toch zo wanhopig geconcretiseerd worden?
De mensen met de grootste onrust kunnen herkend worden aan de grote stelligheid waarmee ze dingen zeggen. Er mag geen twijfel meer in het midden worden gelaten, de kunst moet geconcretiseerd worden. ‘Dát is het.’
De mindere extreme vorm moet zichzelf altijd vragen stellen. Bij elke abstracte vorm neemt de onrust toe en stelt men zich de vraag: ‘Wat is het?’
De vraag helemaal niet meer stellen, het hoogste goed. Het verschil tussen lectuur en literatuur (wat ik overigens altijd een bijzonder saaie discussie vind) ligt in het abstracte en het onduidelijke. Het duidelijk goede of slechte uit de lectuur bestaat niet in de literatuur. Is dat niet met elke kunstvorm zo? Dat het eigenlijk pas de naam ‘kunst’ mag dragen als het niet te concretiseren is? Ik denk het wel. Daarom zou ik u willen vragen dingen voortaan wat vaker in het midden te laten.
0
geplaatst: 28 november 2007, 16:07 uur
De eerste de beste?
Wat een fijne uitvinding, dat internet. Via de pindakaasmachine haal je het ene na het andere album binnen en leer je veel artiesten en hun platen kennen. En wat je goed vindt geef je een hoge rating op deze site, wat je minder te pruimen vindt geef je een lage waardering. En als je dan ook nog eens voldoende inspiratie, tijd en zin hebt, onderbouw je deze waardering ook nog eens. Wat in het geval van een lage waardering weer leidt tot zielige en overtrokken reacties van fanbois en fangirls met te lange tenen en een benauwde kijk op muziek, die kritiek op hun bandje persoonlijk opvatten.
Maar daarover wil ik het niet hebben. Want er valt me in het bovenstaande proces iets op dat te vaak gebeurt om het als toeval af te doen. Als ik aan een nieuwe band of artiest begin, vind ik het album waarmee ik begin bijna altijd het beste. Wanneer je weer een album van een onbekende band of artiest hoort waarbij je tranen in de ogen krijgt van ontroering of de rillingen je over de rug lopen vanwege de schitterende muziek, start je snel weer de pindakaasmachine op om meer albums van deze band of artiest te horen.
Maar deze zijn bijna altijd een stuk minder dan het album waarmee ik begonnen ben. Waarom? Natuurlijk heeft dat te maken met de voorselectie. Als ik aan een nieuwe band begin, pak ik natuurlijk niet het album met de laagste waardering als beginpunt. Over het algemeen heeft het grote MuMe-collectief het toch behoorlijk bij het rechte eind met de stemgemiddeldes. Maar toch. Er zijn bands met meerdere goede platen, het kan toch niet zo zijn dat ik daar meteen de beste uithaal? Misschien ligt het wel aan mezelf. Na het horen van een prachtalbum luister je misschien wel met andere oren naar de volgende plaat van dezelfde band, en ga je ze ongemerkt vergelijken. Het zou kunnen.
Misschien moet ik maar na de eerste plaat die ik van een band luister, stoppen…
Wat een fijne uitvinding, dat internet. Via de pindakaasmachine haal je het ene na het andere album binnen en leer je veel artiesten en hun platen kennen. En wat je goed vindt geef je een hoge rating op deze site, wat je minder te pruimen vindt geef je een lage waardering. En als je dan ook nog eens voldoende inspiratie, tijd en zin hebt, onderbouw je deze waardering ook nog eens. Wat in het geval van een lage waardering weer leidt tot zielige en overtrokken reacties van fanbois en fangirls met te lange tenen en een benauwde kijk op muziek, die kritiek op hun bandje persoonlijk opvatten.
Maar daarover wil ik het niet hebben. Want er valt me in het bovenstaande proces iets op dat te vaak gebeurt om het als toeval af te doen. Als ik aan een nieuwe band of artiest begin, vind ik het album waarmee ik begin bijna altijd het beste. Wanneer je weer een album van een onbekende band of artiest hoort waarbij je tranen in de ogen krijgt van ontroering of de rillingen je over de rug lopen vanwege de schitterende muziek, start je snel weer de pindakaasmachine op om meer albums van deze band of artiest te horen.
Maar deze zijn bijna altijd een stuk minder dan het album waarmee ik begonnen ben. Waarom? Natuurlijk heeft dat te maken met de voorselectie. Als ik aan een nieuwe band begin, pak ik natuurlijk niet het album met de laagste waardering als beginpunt. Over het algemeen heeft het grote MuMe-collectief het toch behoorlijk bij het rechte eind met de stemgemiddeldes. Maar toch. Er zijn bands met meerdere goede platen, het kan toch niet zo zijn dat ik daar meteen de beste uithaal? Misschien ligt het wel aan mezelf. Na het horen van een prachtalbum luister je misschien wel met andere oren naar de volgende plaat van dezelfde band, en ga je ze ongemerkt vergelijken. Het zou kunnen.
Misschien moet ik maar na de eerste plaat die ik van een band luister, stoppen…
0
geplaatst: 28 november 2007, 16:23 uur
Ik ben voor school al erg veel aan het schrijven, waaronder ook columns. Echt veel tijd voor een creatieve muziekperiodiek heb ik daarom niet, maar wel een column over mijn held Herbert.
------------------------------
Achtentwintig drie! Anderhalf miljoen Nederlanders veren op. Ze kijken tv en zien twee mannen in een strak pak op schaatsen over ijs glijden. Meestal gaat zo’n achtentwintig drie gepaard met een welgemeende ‘ohohohohohoh’ van Herbert. Het schaatsseizoen is namelijk weer begonnen en Herbert mag de achtentwintigers van Sven Kramer aan elkaar praten. Als het even kan, voegt hij daar enthousiast aan toe dat ie vroeger nog de eerste rammelaar van onze nationale schaatstrots heeft gekocht.
Ik smul van schaatsen. De sport heeft een heerlijke, kneuterige Hollandse saaiheid. Het is zelfs zo’n fantastisch schouwspel dat schaatsen vermoedelijk de enige sport is waar je zonder problemen de beelden bij weg kan halen. Als de rondetijden maar te zien zijn. En het commentaar te horen, uiteraard.
Tijdens een wereldbekerwedstrijd krijgt de schaatsvolger namelijk een stortvloed aan zinneprikkelend jargon voorschoteld. Een fastfoodverslaafde schaatsster heet bijvoorbeeld een sterk meisje, na acht ritten en twee dweilpauzes gaan we er nu eens even echt goed voor zitten en mocht het zo zijn dat u later heeft ingeschakeld, dan praat Herbert u even bij. Als Mart en Ria dat tijdens het ijspoetsen nog niet gedaan hebben, wel te verstaan.
Want er valt meer te analyseren bij een schaatswedstrijd dan menigeen voor mogelijk houdt. Zo legt Ria in twee minuutjes even haarfijn uit waarom de Tsjechische Sablikova zo hard kan schaatsen. Ze heeft van nature vermoedelijk meer mannelijke hormonen dan haar concurrentes. Testosteronmonster Mart knikt begrijpend en laat met een dubbelzinnig grapje nog even doorschemeren dat ie 25 jaar geleden de lakens deelde met Ria. Gelukkig zijn we meestal net op tijd terug bij Herbert voor rit negen.
Herberts commentaar is vervolgens als een superhit. Het zit meteen in je hoofd en je kunt het de volgende keer moeiteloos meezingen. Een encyclopedie aan schaatsfeiten staat inmiddels in mijn langetermijngeheugen gegrift. Ik zal nooit meer vergeten dat de Pool Pawel Zygmunt uit een echte sportfamilie komt en dat ie aanvankelijk aan langlaufen deed. Daar beheerste hij de schaatspas zo goed, dat ie met succes op ijs is overgestapt. Overigens zingt Zygmunt in zijn vrije tijd graag opera.
Ook in Calgary schudt Herbert ze weer moeiteloos uit zijn mouw. Hij wijst nog eens op de zeisachtige rechterarmbeweging van de Noor Grødum en vertelt andermaal hoe de milieukundestudie van de Italiaan Fabris vordert. Hij is namelijk in tegenstelling tot veel illustere landgenoten geen boswachter. Als klap op de vuurpijl levert Sven Kramer nog even zijn wekelijkse historische sportprestatie.
Met een beetje geluk doet Groninger Henk Kok vervolgens de interviews. Zijn beste vraaggesprekken beginnen meestal met de vraag ‘Maariaane Tsimmer, waats ging er foot?’ Marianne stottert dan wat over vroeg in het seizoen en problemen met de timing.
Dan zit zo’n schaatsavond er weer op. Gelukkig valt er nog genoeg na te genieten. Niet zo zeer van het wekelijkse wereldrecord, maar des te meer van weer een avondje heerlijke clichés. Dat rondje achtentwintig drie rijden ze over twee weken toch weer sneller. Maar ooit hoop ik Pawel Zygmunt opera te horen zingen. Ik beloof plechtig dat ik in dat geval even aan Herbert zal denken.
------------------------------
Achtentwintig drie! Anderhalf miljoen Nederlanders veren op. Ze kijken tv en zien twee mannen in een strak pak op schaatsen over ijs glijden. Meestal gaat zo’n achtentwintig drie gepaard met een welgemeende ‘ohohohohohoh’ van Herbert. Het schaatsseizoen is namelijk weer begonnen en Herbert mag de achtentwintigers van Sven Kramer aan elkaar praten. Als het even kan, voegt hij daar enthousiast aan toe dat ie vroeger nog de eerste rammelaar van onze nationale schaatstrots heeft gekocht.
Ik smul van schaatsen. De sport heeft een heerlijke, kneuterige Hollandse saaiheid. Het is zelfs zo’n fantastisch schouwspel dat schaatsen vermoedelijk de enige sport is waar je zonder problemen de beelden bij weg kan halen. Als de rondetijden maar te zien zijn. En het commentaar te horen, uiteraard.
Tijdens een wereldbekerwedstrijd krijgt de schaatsvolger namelijk een stortvloed aan zinneprikkelend jargon voorschoteld. Een fastfoodverslaafde schaatsster heet bijvoorbeeld een sterk meisje, na acht ritten en twee dweilpauzes gaan we er nu eens even echt goed voor zitten en mocht het zo zijn dat u later heeft ingeschakeld, dan praat Herbert u even bij. Als Mart en Ria dat tijdens het ijspoetsen nog niet gedaan hebben, wel te verstaan.
Want er valt meer te analyseren bij een schaatswedstrijd dan menigeen voor mogelijk houdt. Zo legt Ria in twee minuutjes even haarfijn uit waarom de Tsjechische Sablikova zo hard kan schaatsen. Ze heeft van nature vermoedelijk meer mannelijke hormonen dan haar concurrentes. Testosteronmonster Mart knikt begrijpend en laat met een dubbelzinnig grapje nog even doorschemeren dat ie 25 jaar geleden de lakens deelde met Ria. Gelukkig zijn we meestal net op tijd terug bij Herbert voor rit negen.
Herberts commentaar is vervolgens als een superhit. Het zit meteen in je hoofd en je kunt het de volgende keer moeiteloos meezingen. Een encyclopedie aan schaatsfeiten staat inmiddels in mijn langetermijngeheugen gegrift. Ik zal nooit meer vergeten dat de Pool Pawel Zygmunt uit een echte sportfamilie komt en dat ie aanvankelijk aan langlaufen deed. Daar beheerste hij de schaatspas zo goed, dat ie met succes op ijs is overgestapt. Overigens zingt Zygmunt in zijn vrije tijd graag opera.
Ook in Calgary schudt Herbert ze weer moeiteloos uit zijn mouw. Hij wijst nog eens op de zeisachtige rechterarmbeweging van de Noor Grødum en vertelt andermaal hoe de milieukundestudie van de Italiaan Fabris vordert. Hij is namelijk in tegenstelling tot veel illustere landgenoten geen boswachter. Als klap op de vuurpijl levert Sven Kramer nog even zijn wekelijkse historische sportprestatie.
Met een beetje geluk doet Groninger Henk Kok vervolgens de interviews. Zijn beste vraaggesprekken beginnen meestal met de vraag ‘Maariaane Tsimmer, waats ging er foot?’ Marianne stottert dan wat over vroeg in het seizoen en problemen met de timing.
Dan zit zo’n schaatsavond er weer op. Gelukkig valt er nog genoeg na te genieten. Niet zo zeer van het wekelijkse wereldrecord, maar des te meer van weer een avondje heerlijke clichés. Dat rondje achtentwintig drie rijden ze over twee weken toch weer sneller. Maar ooit hoop ik Pawel Zygmunt opera te horen zingen. Ik beloof plechtig dat ik in dat geval even aan Herbert zal denken.
0
geplaatst: 11 december 2007, 10:43 uur
Muzikaliteit
Een aardig vaak voorkomend gesprek in mijn leven, met mijn vrienden is:
“Hey Reijersen, je bent zo ongelooflijk gek op muziek, op het verslaafde af. Maar je bent helemaal niet muzikaal man.”
Dan vraag ik altijd: “Niet?”
“Nee, je speelt geen muziekinstrument, je kan geen noten lezen.”
“Ow, en dan ben ik niet muzikaal?”
En dat is een vraag waar op MusicMeter ook weleens een discussie over gestart mag worden. Wanneer ben je muzikaal?
Ben je alleen muzikaal als je een instrument bespeelt, of als je noten kan lezen? Of ook als je gewoon een goed luisterend oor hebt?
Het is dus een discussie die ik vaak met vrienden heb. Zo vinden ze het ook maar raar dat een muziekliefhebber als ik een schamele stereo-installatie in bezit heb. Al met al zeg ik beroep ik me altijd op een goed luisterend oor. Ik vind namelijk dat als je veel muziek luistert, en dan bedoel ik ook echt goed luisteren, dat je je luisterend oor verbetert en je hierdoor een bepaalde muzikaliteit ontwikkeld, zeg maar luistermuzikaliteit. En of ik dan noten kan lezen of een instrument bespeeld maakt niet uit. De feeling met muziek lijkt mij het belangrijkst om muzikaal te zijn.
Een aardig vaak voorkomend gesprek in mijn leven, met mijn vrienden is:
“Hey Reijersen, je bent zo ongelooflijk gek op muziek, op het verslaafde af. Maar je bent helemaal niet muzikaal man.”
Dan vraag ik altijd: “Niet?”
“Nee, je speelt geen muziekinstrument, je kan geen noten lezen.”
“Ow, en dan ben ik niet muzikaal?”
En dat is een vraag waar op MusicMeter ook weleens een discussie over gestart mag worden. Wanneer ben je muzikaal?
Ben je alleen muzikaal als je een instrument bespeelt, of als je noten kan lezen? Of ook als je gewoon een goed luisterend oor hebt?
Het is dus een discussie die ik vaak met vrienden heb. Zo vinden ze het ook maar raar dat een muziekliefhebber als ik een schamele stereo-installatie in bezit heb. Al met al zeg ik beroep ik me altijd op een goed luisterend oor. Ik vind namelijk dat als je veel muziek luistert, en dan bedoel ik ook echt goed luisteren, dat je je luisterend oor verbetert en je hierdoor een bepaalde muzikaliteit ontwikkeld, zeg maar luistermuzikaliteit. En of ik dan noten kan lezen of een instrument bespeeld maakt niet uit. De feeling met muziek lijkt mij het belangrijkst om muzikaal te zijn.
0
geplaatst: 11 december 2007, 17:24 uur
Fan bij impact
Zelden maakt iet werkelijk direct indruk op me.
Ik ben zo iemand die alles een paar keer luistert en er dan pas van onder de indruk kan raken.
Maar, zoals logisch zal zijn zit ook in dit net gaten.
Alhoewel, er zitten inmiddels zoveel gaten in dat het bijna geen net meer is.
Muziek heeft altijd indruk op me weten te maken. Al dan niet als geheel, dan wel met de tekst of melodie, maar zelden is dat gebeurd sinds de eerste seconde dat ik het nummer hoorde.
De laatste paar weken is dit fenomeen steeds vaker voorgekomen.
Het begon eigenlijk met de solo in DT’s Octavarium (op 12.15). Ik hoorde gewoon dat het met een synth (een van de briljante instrumenten ooit) gespeeld was. De melodie klinkt zo simpel, maar toch is hij ingewikkeld te spelen. Toen ik die solo gehoord had luisterde ik alleen maar die anderhalve minuut van een 24-minuten lang nummer, en ik heb er nog geen genoeg van kunnen krijgen.
Toen kwam ‘Learning to live’, ook Dream Theater (Tegen mijn besluit minder DT te gaan luisteren in). De openingssolo vond ik gewoon geweldig, en als het begin goed is belooft dat al wat bij mij.
In ieder geval: Toen ik het hele nummer luisterde vond ik het instrumentaal een geweldig nummer. Beter dan ik gedacht had. Ook bleef de eerste zin door mijn hoofd spoken:
There was no time for pain
No energy for anger
Het volgende kwam bij ‘Black ice’, van John Petrucci en Jordan Rudess. Een dreigende opening, dat langzaam naar rustig gaat. Op het einde ging de gitaar naar een hoogtepunt en ik vroeg me af: HOE willen ze het nummer eindigen? Want Je kunt wel van een hoogtepunt op gitaar naar niks gaan, maar dan is het nummer niet af.
Ik luisterde het dus af en het einde was buiten mijn verwachting: Het werd even stil en toen startten ze weer vanaf het begin. Hoevaak ik het nummer ook luister, het blijft me verrassen.
En dan is daar nog de laatste dader: Metropolis Part 1, ook van Dream Theater.
Muzikaal vond ik het wel gaan, maar textueel heeft het me aangegrepen.
Regels als:
I was told if you dream of the next world
You'll find yourself swimming in a lake of fire
As a child, I thought I could
live without pain, without sorrow
As a man I've found it's all caught up with me
I'm asleep yet I'm so afraid
Zijn gewoon geweldige waarheden, maar de laatste twee coupletten deden iets emotioneels met mij, wat ik nog steeds niet heb kunnen verklaren:
Before the leaves have fallen
Before we lock the doors
There must be the third and last dance
This one will last forever
Metropolis watches and thoughtfully smiles
She's taken you to your home
It can only take a place
When the struggle between
our children has ended
Now the Miracle and the
Sleeper know that the third is love
Love is the Dance of Eternity
Misschien was de manier waarop LaBrie het zingt, misschien de passende achtergrondmuziek, maar die regels blijven me kippenvel bezorgen, hoevaak ik ze ook luister.
Dit is natuurlijk gesproken vanuit mezelf, maar ik betwijfel niet dat mensen het gevoel kennen.
Oh ja, dat ik, als doorwinterde Tears For Fears-fan, zojuist 3 DT-nummers opgenoemd heb, is puur en stom toeval.
Zelden maakt iet werkelijk direct indruk op me.
Ik ben zo iemand die alles een paar keer luistert en er dan pas van onder de indruk kan raken.
Maar, zoals logisch zal zijn zit ook in dit net gaten.
Alhoewel, er zitten inmiddels zoveel gaten in dat het bijna geen net meer is.
Muziek heeft altijd indruk op me weten te maken. Al dan niet als geheel, dan wel met de tekst of melodie, maar zelden is dat gebeurd sinds de eerste seconde dat ik het nummer hoorde.
De laatste paar weken is dit fenomeen steeds vaker voorgekomen.
Het begon eigenlijk met de solo in DT’s Octavarium (op 12.15). Ik hoorde gewoon dat het met een synth (een van de briljante instrumenten ooit) gespeeld was. De melodie klinkt zo simpel, maar toch is hij ingewikkeld te spelen. Toen ik die solo gehoord had luisterde ik alleen maar die anderhalve minuut van een 24-minuten lang nummer, en ik heb er nog geen genoeg van kunnen krijgen.
Toen kwam ‘Learning to live’, ook Dream Theater (Tegen mijn besluit minder DT te gaan luisteren in). De openingssolo vond ik gewoon geweldig, en als het begin goed is belooft dat al wat bij mij.
In ieder geval: Toen ik het hele nummer luisterde vond ik het instrumentaal een geweldig nummer. Beter dan ik gedacht had. Ook bleef de eerste zin door mijn hoofd spoken:
There was no time for pain
No energy for anger
Het volgende kwam bij ‘Black ice’, van John Petrucci en Jordan Rudess. Een dreigende opening, dat langzaam naar rustig gaat. Op het einde ging de gitaar naar een hoogtepunt en ik vroeg me af: HOE willen ze het nummer eindigen? Want Je kunt wel van een hoogtepunt op gitaar naar niks gaan, maar dan is het nummer niet af.
Ik luisterde het dus af en het einde was buiten mijn verwachting: Het werd even stil en toen startten ze weer vanaf het begin. Hoevaak ik het nummer ook luister, het blijft me verrassen.
En dan is daar nog de laatste dader: Metropolis Part 1, ook van Dream Theater.
Muzikaal vond ik het wel gaan, maar textueel heeft het me aangegrepen.
Regels als:
I was told if you dream of the next world
You'll find yourself swimming in a lake of fire
As a child, I thought I could
live without pain, without sorrow
As a man I've found it's all caught up with me
I'm asleep yet I'm so afraid
Zijn gewoon geweldige waarheden, maar de laatste twee coupletten deden iets emotioneels met mij, wat ik nog steeds niet heb kunnen verklaren:
Before the leaves have fallen
Before we lock the doors
There must be the third and last dance
This one will last forever
Metropolis watches and thoughtfully smiles
She's taken you to your home
It can only take a place
When the struggle between
our children has ended
Now the Miracle and the
Sleeper know that the third is love
Love is the Dance of Eternity
Misschien was de manier waarop LaBrie het zingt, misschien de passende achtergrondmuziek, maar die regels blijven me kippenvel bezorgen, hoevaak ik ze ook luister.
Dit is natuurlijk gesproken vanuit mezelf, maar ik betwijfel niet dat mensen het gevoel kennen.
Oh ja, dat ik, als doorwinterde Tears For Fears-fan, zojuist 3 DT-nummers opgenoemd heb, is puur en stom toeval.
0
geplaatst: 12 december 2007, 10:26 uur
Horizon Verbreden:
MusicMeter is DE website bij uitstek om je muzikale horizon te verbreden. Dat heb ik persoonlijk ook wel gemerkt. Zo kwam ik ruim 2 jaar geleden op de site als een verstokte R&B liefhebber, nu ben ik een verstokte Soulliefhebber die af en toe ook naar Ray LaMontagne, Damien Rice en The Mars Volta luistert. En eigenlijk nog veel meer anders. Ja, MusicMeter is de perfecte site om je eens te verdiepen in andere genres.
Maar nou is je horizon verbreden niet een must, als je toch geen interesse hebt in een genre lijkt me immers onzinnig hier albums van te beluisteren en laag te stemmen. Dat is immers je horizon verbreden in de zin van het woord, maar eigenlijk je horizon zo verstokt houden als hij eigenlijk is.
Leuk hoor, een rockliefhebber die een R&B-album gaat luisteren, maar als deze dan al van tevoren weet dat het niks gaat worden dan heeft het weinig met het verbreden van zijn/haar horizon te maken, maar meer met het bevestigen van zijn/haar vooroordelen.
Vooroordelen, daar leeft een site als MusicMeter ook van. Alle hiphop is met bling-bling, in alle metal wordt geschreeuwd, alle R&B is geslijm. Niet dus! Maar helaas denken veel mensen dat wel.
Dus ik zeg; Horizon verbreden is altijd welkom, maar dan moet je er wel écht open voor staan.
MusicMeter is DE website bij uitstek om je muzikale horizon te verbreden. Dat heb ik persoonlijk ook wel gemerkt. Zo kwam ik ruim 2 jaar geleden op de site als een verstokte R&B liefhebber, nu ben ik een verstokte Soulliefhebber die af en toe ook naar Ray LaMontagne, Damien Rice en The Mars Volta luistert. En eigenlijk nog veel meer anders. Ja, MusicMeter is de perfecte site om je eens te verdiepen in andere genres.
Maar nou is je horizon verbreden niet een must, als je toch geen interesse hebt in een genre lijkt me immers onzinnig hier albums van te beluisteren en laag te stemmen. Dat is immers je horizon verbreden in de zin van het woord, maar eigenlijk je horizon zo verstokt houden als hij eigenlijk is.
Leuk hoor, een rockliefhebber die een R&B-album gaat luisteren, maar als deze dan al van tevoren weet dat het niks gaat worden dan heeft het weinig met het verbreden van zijn/haar horizon te maken, maar meer met het bevestigen van zijn/haar vooroordelen.
Vooroordelen, daar leeft een site als MusicMeter ook van. Alle hiphop is met bling-bling, in alle metal wordt geschreeuwd, alle R&B is geslijm. Niet dus! Maar helaas denken veel mensen dat wel.
Dus ik zeg; Horizon verbreden is altijd welkom, maar dan moet je er wel écht open voor staan.
* denotes required fields.
