Blythe speelt hier met een 'gewone' line-up, dat wil zeggen: een kwartet met een bassist, pianist en drummer. Het kwartet speelt vurig en lekker stevig. De songkeuze lijkt ook niet al te spannend, maar door het ontzettend goede spel is het wel een lust voor het oor. De kracht en souplesse waarmee bijvoorbeeld Caravan is gespeeld is werkelijk heerlijk.
Het zijn ook niet de minste die Blythe hier voor gestrikt heeft: Stanley Cowell op piano, Fred Hopkins op bas en Steve McCall op drums. Zowel Cowell als McCall zijn stevige slagwerkers. Hopkins is hier echt de backbone. De constante om alles bij elkaar te houden. Knappe prestatie op deze wilde plaat, dat soms alle kanten op schiet.
Opvallend is ook de 'free' aanpak van Naima, met een scheurend alto en een totaal losgeslagen ritmesectie, terwijl het toch ook weer goed gestructureerd klinkt (wederom dankzij Hopkins). Gave versie die het predicaat ballad ver overstijgt.
Dit is een hardbopplaat in hart en nieren, en met zoveel overtuiging en hoogstaand muzikantschap gebracht, dat je je afvraagt waarom Blythe niet vaker zo een conventionele plaat opneemt. Maar ja Blythe is Blythe en doet altijd weer wat anders.
Ik had altijd al het idee dat Blythe veel waardering had voor Dolphy, en dat hij hier de Fats Waller-compositie Jitterbug Waltz (bekend ook door Dolphy) gebruikt als opener, overtuigt mij meer van dat idee.
Hoogtepunt: Caravan. Maar alle songs zijn hier fantastisch. Een aanbeveler, en ook eentje op flink hard te draaien.
Een plaat die
Tony en
Kalamitsi zeker kunnen waarderen.