J.F. Jenny-Clark was de naam die mij het meest deed uitkijken naar dit album, maar uiteindelijk is hij het die mij het meest ongoochelt. Kuhn (een vage bekende sedert ik een wereldmuziek-project van de man gehoord had) steelt de show met zijn verderlichte, sierlijke virtuositeit die hij op de juiste momenten in zuivere energie kan omzetten. Humair luistert goed en biedt zich als nederige begeleider aan, zodat de climax (op de drums) op de goede momenten analoog met de piano verloopt. En Jenny-Clark? Die staat er wat mij betreft plompverloren bij, gezapig aan zijn snaren plukkend, en niet in staat om het concept te verrijken.
Wat voor jazz maakt deze formatie eigenlijk? Het lijkt een standaard trio dat af en toe nog een tandje bij schakelt en zo het conventionele werk moeiteloos overstijgt. Kuhn geeft aan dat hij "verder" wil via hamerende passages, Humair laat (in één van zijn improvisaties) zijn cimbalen steels ruisen en het zuiver ritmische werk laat hij voor wat het is. Daar kan Jenny-Clark helaas niets tegenover stellen: bij hem blijven de solo’s gortdroog, en nagenoeg altijd halen ze de vaart uit de nummers.
Genoeg gezanikt echter, want deze live-performance blijft een hemelse ervaring. De variëteit aan jazz-geluiden die Kuhn uit zijn piano tovert zijn wat mij betreft ongehoord, en in tegenstelling tot menig ander trio-werk gaat dit niet vervelen. En wie de bas wegcijfert, heeft een topplaat.
Alweer bedankt, blabla.
