Ik ben nooit een grote fan van theater geweest, maar voor de Frans-Roemeense theatermaker Eugène Ionesco maak ik een enorme uitzondering. Sinds ik zijn eerste theaterstuk meemaakte in een stoffig mini-theatertje in Parijs voor een Frans schoolreisje, ben ik betoverd geraakt door zijn droge absurdisme, waarin complete non-sequiturs met zo'n vanzelfsprekendheid worden verkondigd dat het tegelijkertijd bevreemdend als hilarisch werkt. "Ik geef je m'n schoonmoeders slippers, als jij me de doodskist van je echtgenoot geeft", zo stelt mevrouw Martin in de climax van De Kale Zangeres, waarop haar bezoeker paniekerig antwoordt: "Ik ben op zoek naar een monofysiete priester om ons dienstmeisje te huwen."
Goed, je had er bij moeten zijn. Het punt is dat absurdisme vrij lastig is om intrigerend in plaats van tenenkrommend betekenisloos uit te voeren, en dat Eugène Ionesco en (tromgeroffel) Brigitte Fontaine dit trucje wél erg goed beheersen. In allebei de gevallen komt dat denk ik door een fijnzinnig gevoel voor contrast: Le Goudron opent met Fontaine die compleet verveeld een lieflijk rijmpje opvoert ("Laten we gaan wandelen/Wat een geluk om geboren te zijn/Het pad is zo mooi/Van de wieg tot het graf"), dat al snel vervormt tot een even verveeld opgedragen onheilspellende nachtmerrie ("We zullen gaan kijken hoe de opgezwollen stad in vlammen gaat/(...)Mijn broer is een mislukkeling, want hij is dood"). De tekst blijft dus niet alleen boeien door z'n onverwachte wendingen, maar ook door Fontaine's geweldige voordracht ervan. Dit gegeven komt vaker terug: ook Encore, eigenlijk gewoon een absurdistisch gedichtje voorgedragen op het geluid van krekels, is desalniettemin ongelooflijk pakkend door de bevreemdende aarzeling waarmee Fontaine het reciteert. Ik heb me nooit kunnen voorstellen wat mensen in AMSR zochten, maar nu begrijp ik het wel.
Dan is er natuurlijk ook de muziek! Die is kort gezegd extreem interessant. Fontaine heeft zich op dit album omringd met haar partner Areski, die de instrumentatie voorziet van haar Algerijnse invloeden, en de avant-gardistische jazzgroep Art Ensemble of Chicago, die de instrumentatie voorziet van, eh, avant-gardistische jazz. Met de chanson-achtige inslag van Fontaine zorgt dit voor een mengsel dat niet te vergelijken valt met enige andere muziek, maar desalniettemin betovert. Een voorbeeld is het titelnummer, waar Fontaines zachte praatzang begeleid wordt door trompetten die even naargeestig als catchy zijn , totdat ze de luisteraar voorstelt aan een atonaal intermezzo van wat nog het meest doet denken aan een Arabische doedelzak. Het is een geweldig moment in een nummer dat al één van de hoogtepunten in het album vormt. Ook Lettre à Monsieur le Chef de Gare de Gare de la Tour de Carol is bij gebrek aan betere woorden fucking cool, met een verbeten gitaar/viool-jamsessie die Fontaine's wederom hypnotiserende voordracht ondersteunt.
Voor zover er wel een valkuil te vinden is voor dit album, is het misschien dat het middenstuk gekenmerkt wordt door enkele nummers waarbij de interessantheid wordt verkozen boven herbeluisteringswaarde. Zo'n stuurloze jamsessie als Léo is zo'n nummer dat volgens mij ongeveer iedere experimentele 70's-plaat heeft: het werkt best als intermezzo, maar is niet bepaald pakkend en duurt stiekem ook een beetje te lang. Ook Les Petits Chevaux en Tanka I zijn interessant op dezelfde manier als conceptuele kunstwerken die je eigenlijk niet begrijpt tijdens een museumbezoek, maar waar je toch even voor blijft staan om jezelf te overtuigen dat je je best hebt gedaan. Ik weiger voor mijn eigen bestwil dan ook maar te geloven dat Le Goudron en Le Noir, C'est Mieux Choisi bonusnummers zijn, aangezien vooral de eerste echt een fenomenaal muzikaal cadeautje op het eind van het album is.
Los van dit alles blijft Comme à La Radio wel een compleet uniek kunstwerk in de (Franse) muziekgeschiedenis, met teksten die even veel intrigeren als de muzikale ondersteuning. En met zo'n muzikale ondersteuning is dat nogal een compliment.