In 1975 verliet het derde originele groepslid van Babe Ruth de groep. Dat gitarist Alan Shacklock kon spelen én schrijven bleek op de eerste drie albums. Toetsenist Steve Gurl wist raad en belde Bernie Marsden, zo vertelt de laatste in zijn biografie Where's My Guitar? (2020). De twee kenden elkaar van hun tijd bij Wild Turkey.
Marsden hapte toe omdat de albumplannen voor een elpee van Cozy Powell's Hammer waren getorpedeerd door producer Mickie Most. Dezelfde voor wie Marsden als sessiemuzikant schnabbelde, waardoor hij is te horen op albums van Hot Chocolate.
Nu ken ik Marsden als schrijver van enkele juweeltjes in zijn jaren bij Whitesnake. Wat hij vóór 1975 bij UFO en Wild Turkey liet horen, maakte eveneens indruk; overigens allemaal werk dat pas decennia later op geluidsdrager verscheen. Cozy Powell gunde hem van harte dat hij en zijn composities bij Babe Ruth eindelijk eens op een plaat zouden verschijnen, zo schrijft de gitarist.
Toch hapte hij vooral toe omdat zijn weekloon een eind omhoog ging; Marsden had daarvoor zelfs geen auditie hoeven doen. Daar had hij achteraf enige spijt van: Babe Ruth miste de dynamiek van Hammer en bovendien vond hij de manager irritant: deze bemoeide zich namelijk ook intensief met de podiumpresentatie, met name die van zangeres Jenny Haan.
Zat de groep eerst bij Harvest,
Stealin' Home verscheen bij het grote Capitol en de verwachtingen waren hooggespannen.
Geen westernthema op de hoes: er wordt teruggekeerd naar het honkbal van het debuut. Gezien de groepsnaam (Babe Ruth was een legendarische Amerikaanse honkballer) wel begrijpelijk, maar juist de voorganger deed het zo goed.
De Britse band nam ook deze keer de muziek in Engeland op, terwijl men in de V.S. en Canada een aanhang had opgebouwd.
Opener
It´ll Happen In Time is een mat rockertje, tot en met de drumpartij toe; wél leuk is dat ik aan het einde met Gurls toetsenpartijen en Haans sterke zang (wát een een talent!) een soort proto-new wave hoor. Althans, ik moet denken aan Amerikaanse groepen als The Shirts en Sue Saad and the Next. De zangeres schreef het met haar partner, bassist Dave Hewitt.
Vervolgens de eerste door Marsden neergepend:
Winner Takes All rockt steviger en uptempo, wederom vind ik de melodie niet zo sterk. Marsdens spel is daarentegen prima, rock in bluessaus.
Fascination is van drummer Ed Spevock; Haan zingt prima en de muziek klinkt met z'n vleugje funk als een stevige versie van 10CC. Kant 1 sluit af met
2000 Sunsets, een ballade van Haan. Na enige tijd komen er strijkers bij, die goed werken.
De tweede helft begint met
Elusive, geschreven door Spevock en Gurl. Een rocknummer met soms sterke funkinvloeden en een lekkere gitaarsolo. Vervolgens klinkt langzame popreggae in
Can You Feel It, oorspronkelijk een soulnummer uitgevoerd door de mij onbekende Dobie Gray uit 1974. Werkt deze cover? Nee. Het was immers al te vaak te mat.
Dan de tweede compositie van Marsden op de plaat:
Say No More rockt uptempo en bevat de nodige slidegitaardelen, maar alweer vind ik de melodie niet zo interessant. Het instrumentale
Caught at the Plate van Gurl is een intermezzo met slechts elektrische piano en een vroege synthesizer.
En dan wordt het met de afsluiter onverwacht toch nog boeiend:
Tomorrow (Joining The Day) van Haan begint met een bluesschema, waarna felle streken op cello's klinken, ondersteund door elektrische gitaar; als op de eerste albums van E.L.O. Vervolgens wordt versneld en krijgt Marsden de gelegenheid een heerlijke solo neer te zetten, waarna Haans klaaglijke zang, cello’s en gitaar het nummer op langzamer tempo voortzetten naar een intens slot.
De geflopte plaat is te vinden op YouTube.
De versie die ik daar beluister is een wat dof klinkende vinylrip: ik weet weer waarom ik eind jaren '80 alsnog om ging voor de cd. Tegelijkertijd is daar goed doorheen te luisteren en dan concludeer ik dat de composities te mager zijn, zeker in vergelijking met de voorganger en zelfs met het zoekende debuut. Op het slotlied na.