Manu Hermia, saxofonist en clarinetist keert zich stilaan weg van de post bopjazz waarvan ik zijn werk in de bib vluchtig beluisterde. Hij gaat opnieuw in zee met Belgische pianist
Eric Vermeulen.
Het quartet vertrekt vanuit een bepaalde melodie of harmonie en laat daarbij heel wat ruimte vrij om te improviseren. Op zich niet bijzonder speciaal of uniek want de meeste jazzartiesten doen het op die manier.
Iedere artiest heeft zo zijn manier om te improviseren. Je kan op die manier vertrekken, van standards of van een bepaalde basmelodie en daaroverheen allerlei 'spontane' geluiden gaan spelen.
Uiteindelijk kan het 'vrije' gegeven in een album steeds in vraag gesteld worden. Ofwel vertrek je van een geïmproviseerd stuk ofwel ga je daadwerkelijk vrij spelen. Het merkwaardige is dat een luisteraar nooit het verschil merkt tussen deze twee factoren. Het is immers beide het resultaat van wat je voordien bedacht had. In welke mate kunnen we dan nog van improvisatie spreken? Luisteraars merken het echter wel als de muziek er wat te gemakkelijk ingaat als het te berekend lijkt hoewel ik dat niet altijd een slecht of nadelig gegeven vind.
Hetgeen ik zo waardevol vind aan jazz is dat ieder artiest zijn eigen zegje kan doen. Elke artiest heeft zijn eigen wortels en leefwereld en dat alles (ruimte, tijd en zoveel meer) heeft invloed op de denkwijze van de muzikant. Elke muzikant denkt anders en heeft een eigen piste die hij wil bevaren. De één gaat de willekeurige kant uit, de andere de melodische en nog een andere de lyrische,...
Op die manier ontstaat er een conversatie tussen verschillende artiesten die (in het beste geval) elk hun eigen verhaal hebben in het totaalgeluid. Jazz met een gezicht. Een lid dat vervangen wordt zou op die manier een ander geluid veroorzaken. Dan is jazz wat mij betreft waardevol.
Ik hou niet van
gepolijste groepen waar er eenvoudigweg akkoordenprogressies gespeeld worden of waar alles er uit moet komen zoals het er staat en waar de emotie niet bevraagd wordt. Zulke muziek heeft wat mij betreft niets meer met jazz te maken.
Eric Vermeulen zei in een tekst die ik onlangs las dat het geen enkele zin heeft je heel de tijd te dwingen anders te klinken dan anderen enkel en alleen omwille van de originaliteit. Op die manier zou de vorm van het werk het eerder halen dan op inhoud hoewel dat laatste toch van essentieel belang is in een werk. Uitsluitend schaarse geniën weten deze twee elementen te combineren en luisteraars (en artiesten) laten zich natuurlijk niet graag afhangen van de luiheid van deze garde.
Progressie is niet de enige manier om te genieten. In het verknechtende idee naar vernieuwing kan men wel eens vergeten waar het uiteindelijk allemaal om gaat. Op een zelfde plaats blijven trappelen kan je soms dat laten zien of horen waar je daarvoor blind voor was .
Dat laatste is bij deze plaat het geval. Niet omverblazend evenmin plat en eenvoudig.
Manuel Hermia beheerst zijn instrument, daar kunnen we na het luisteren van
Rajazz wel van op aan. Hij kan erg mooi uit de hoek komen in zijn spel zoals in I
ndian Suite bijvoorbeeld of
I'm Just Me (uiteindelijk vrijwel overal). De conversaties tussen de vier heren is echt compleet. Elk artiest heeft in het album wel een moment waar de riem goed los gelaten wordt. Het geluid is liefdevol en glijdt heerlijk binnen in de huiskamer als de avond valt.
Dit is een mooie toepassing van het Amerikaanse warme schelle geluid (zoals we dat bij
Coltrane gewend zijn). De muziek is niet bijzonder origineel maar licht aangenaam in het gehoor, is interessant en erg muzikaal in zijn stijl.