Het duurde blijkbaar enige jaren voor Sun Ra het aandurfde een solo-plaat te maken. Het kostte mij om die reden een kleine maand om tot dit punt van 's mans gigantische oeuvre door te dringen, en zijn meest interessante plaat (tot nog toe) te ontdekken.
Het is een kruising van pure avant-garde en traditionele bop, een smeltkroes van intieme lachbuien en fysieke mokerslagen, een allegaartje van licht verteerbare lyriek en onnavolgbare free jazz. Je moet al van een andere planeet komen om zoiets te kunnen maken, dacht u niet?
Toch krijgt Sun Ra te kampen met een relatief ernstig probleem: een gebrek aan variatie. De man is er zich echter absoluut niet van bewust, en moeiteloos legt hij zijn plaat na een klein half uur neer, met dezelfde intensiteit als hij eraan begonnen was. Dat maakt
‘Monorails and Satellites’ vooral een lastige rollercoaster, waarin de luisteraar nooit echt op adem kan komen. Waarom het album niet cyclisch opvatten, waarom geen kleine intermezzi invoegen, waarom niet toewerken naar een bepaald punt (en dan eventueel terug afbouwen)?
Het antwoord ligt waarschijnlijk besloten in het individu; de onwrikbare figuur achter de piano. Sun Ra doet lekker waar hij zin in heeft, en ware het niet zo geweest, dan was
‘Monorails and Satellites’ niet zo’n goeie plaat geweest.
Zoals leven slechts bestaat bij de gratie van de dood, zo kan Sun Ra niet zijn zonder bijhorende exentrieke kuren. Een understatement van jewelste...
