Al sedert mijn kennismaking met Uri Caine’s interpretatie van de
‘John Zorn’s Book of Angels’-cataloog (
Vol. 6), speel ik met het idee om de ganse serie ineens uit te pluizen. Het is er tot op heden echter nog niet van gekomen (
“..want de jaren vlieden”, zoals Elsschot dan zou zeggen), en om die reden ben ik hoogst tevreden dat Heemskertollie mij - samen met u - nog eens op het geniale van de reeks heeft gedrukt. De vaste ingrediënten liggen nu immers met zekerheid vast: melancholische, maar vooral diep gewortelde composities laten de luisteraar eindeloos wegdromen…een stel briljante muzikanten vullen de leemtes en vervolmaken het kunstwerkje.
Dat Zorn zodanig ingebed is in de Joodse cultuur, en toch onversneden avant-gardistische jazz blijft maken, is een gegeven dat me tot op de dag van vandaag met verstomming slaat. Anderzijds voel je die ambiguïteit ergens ook aan: de werken uit
‘Book of Angels’ ademen geen sacrale geheelonthouding (
these), maar een profane levensvreugde (
anti-these). Op die (bijna contradictoire) synthese steunt juist de kracht van het album: ook al gaan de strijkers door merg en been, tegelijk wil je dansen en zingen van plezier.
Maar misschien schuilt daarin ook precies de kern van het Joodse geloof? Niet voor niets laat Tom Lanoye zijn chassidisch personage uit
'Fort Europa' zeggen:
“Onze vroomheid schuilt in onze muziek, in de roes van de schoonheid, in de aanvaarding van het leven, zoals het leven is.” Die belijdenis van
“de mystiek van het allermeest alledaagse”, ontstaan naar aanleiding van al het leed tijdens en na de Holocaust, is wat Zorn misschien uitdraagt, en zijn groepje strijkers met hem.
Maar wat maakt
‘Azazel’ dan juist zo superieur, buiten de reeds genoemde inbreng van Zorn? Enerzijds de enorme emotionele (of spirituele?) draagkracht die Feldman, Friedlander en Cohen uitdragen, die de muziek naar een nog hoger niveau tilt. Bovendien zit het samenspel tussen de muzikanten onderling ontzettend juist, zodanig dat het lijkt alsof ze alles van naaldje tot draadje vooraf hebben gerepeteerd – zonder aan spontaniteit te moeten inboeten, uiteraard.
En juist om al die redenen vind ik
‘Azazel’ voorlopig een behoorlijk grote brok om in één keertje doorgeslikt én verteerd te krijgen. Na iets meer dan een uur is het voor mij werkelijk welletjes geweest; en deze meerdere keren draaien per week zou ik evenmin willen of kunnen.
Desondanks heb ik het gevoel dat deze plaat nog veel kan groeien. Nog veel.
