Eerder deze week werd op deze site, bij een plaat van Coleman Hawkins, aangestipt dat de tegenwoordige jazzfans maar weinig naar de ‘oudere jazz’ luisteren. Dat inspireerde me om eens een stukje te schrijven over Sidney Bechet. Eerlijk gezegd ben ik pas de laatste paar jaar de vooroorlogse jazz een beetje aan het ontdekken, en dan zeer mondjesmaat. Ook ik prefereer de jazz vanaf, ruwweg, Charlie Parker. Tot dusver is Sidney Bechet mijn favoriete muzikant uit de 'oude' periode. Laat me dat eens proberen uit te leggen.
Deze specifieke plaat ken ik eigenlijk niet eens, maar ik ken, uit verschillende bronnen, alle nummers die erop staan. Allemaal opnames met zijn gelegenheidsgroep The New Orleans Feetwarmers (niet alleen de eerste vier tracks zijn met de Feetwarmers, zoals hierboven ten onrechte wordt geïmpliceerd). Veel leden van de band zijn inmiddels zo goed als vergeten, zoals trompettist Tommy Ladnier of bassist en gelegenheidszanger Wilson Myers, al is de drummer op ‘Indian Summer’ en ‘One O’ Clock Jump’ volgens Discogs de latere boppionier Kenny Clarke, en speelt pianolegende Earl Hines mee op ‘Blues In Thirds.’
Sidney Bechet (je spreekt het trouwens kennelijk uit als ‘buh-sjee’) speelde traditionele jazz in de stijl van New Orleans. Zijn instrumenten waren de klarinet en, opvallend genoeg, de sopraansaxofoon. Opvallend, omdat niet veel mensen in de jazz sopraansax speelden, zeker niet voordat John Coltrane het instrument enigszins hip maakte met
My Favorite Things. Coltrane werd op zijn beurt weer door Bechet geïnspireerd. Op de dag dat Blue Note Coltrane overhaalde om voor hen
Blue Train op te nemen, was hij op het kantoor van het platenlabel om te neuzen tussen hun voorraad plaatjes van Bechet.
Trad jazz kennen we vooral via Louis Armstrong en aanverwante artiesten. Wederom geen makkelijke muziek, voor moderne oren. Of misschien wel te makkelijk. Armstrong mag dan niets minder dan een patroonheilige van de jazz zijn, diens opgeklopte vrolijkheid en behaagzieke kazigheid trek ik niet altijd even goed, als ik heel eerlijk ben.
Bechet (die ook met Armstrong prachtige
opnames maakte), viste in feite in dezelfde vijver, maar in zijn muziek zit een soort wildheid, een soort dominante eigenzinnigheid, waardoor ik het veel makkelijker vind de muziek tachtig jaar later nog te waarderen. Misschien komt dat ook omdat Bechet qua karakter ook zowat het spiegelbeeld van Armstrong was.
Net als Armstrong was hij een kind van New Orleans, de bakermat van de jazz. Hij schreef er prachtig over in zijn
autobiografie, een van de beroemdste jazzboeken. Ik heb er een stuk van gelezen, en je waant je echt op de woonboten in de Missisippi, en tussen de straatparades met bands die het tegen elkaar opnemen op modderige kruispunten.
In het boek komt hij over als een sentimentele, goedaardige jazz-opa, maar de werkelijkheid was anders. Hij werd door tijdgenoten omschreven als een moeilijke man, die drinkend en vechtend door het leven ging. Hij woonde twee lange periodes in Europa, en werd beide keren terug naar Amerika gedeporteerd vanwege ernstige geweldsdelicten.
Niet dat het levensverhaal van de muzikant er echt toe doet (al is die van Bechet wel heel kleurrijk), maar die rebelse trek, die felheid, hoor ik dus terug in de muziek. Deze tracks stinken naar tabaks- en wietrook, het zweet, en de verschaalde drank van de drinkholen in de achterbuurten van het oude Amerika. Het is ook een plaat die het best tot zijn recht komt als ik zelf, na een avond stappen, enigszins in de olie thuiskom.
Zijn muziek grijpt je bij de lurven en rammelt je door elkaar. Als hij de blues speelt, zoals op '
No One Knows The Way I Feel Dis Mornin'', waan je je terug op de momenten in je leven dat je eigen hart in duizenden stukken lag. En als hij dan wil dat er gedanst wordt, zoals op
'I've Found A New Baby', dan zullen we ook dansen, verdomme. En zelfs als je op de bank blijft zitten, is het bijna onmogelijk je armen stil te houden, of niet met je billen op de zitting te wippen.
Op de beste momenten wordt de kneuterigheid die trad jazz toch een beetje kenmerkt, helemaal stukgeblazen door Bechet, die van wat ik tot nu toe aan Trad Jazz heb gehoord toch wel op eenzame hoogte staat in hoe dominant en expressief hij soleert. Dit is geen clown, geen behaagzieke entertainer, maar een man die zijn publiek om de vingers wond. Plaatopnames uit de jaren dertig kunnen altijd slechts een fletse weergave zijn van de belevenis die dit soort muzikanten live moeten zijn geweest, maar Bechet weet de tijdskloof toch enigszins te overbruggen, genoeg om er nog steeds echt van te kunnen genieten.
Hulde aan
Toon1 en
Cortex, die samen meer dan de helft van de slechts tien stemmen op MuMe voor het werk van Bechet voor hun rekening nemen. Deze virtuoze, rebelse, en ongenadig hard swingende muzikant verdient in ieder geval wel meer aandacht dan dat.