De vroege albums van gelauwerd
ECM-icoon John Surman zijn een interessant studie-object voor jazz-fanaten. Waar Surman doorheen de jaren een vast, herkenbaar idioom heeft ontwikkeld dat hij tot op heden nog verder exploreert, was er in de beginjaren geen sprake van een eigen sound. Eind jaren ’60 en nog even daarna, toen Surman naambekendheid maakte in allerhande formaties, deed hij verschillende projecten onder zijn eigen naam, die erg variëren qua inhoud. Hier en daar horen we muziek die al ruikt naar het latere
ECM-werk, nog andere keren sluipt een stukje fusion zijn albums binnen (met vibrafoons en rhodes die aan
‘In a Silent Way’ doen denken), en nog andere keren gaat Surman zich te buiten aan energetische exploten die de Coltrane-traditie terug in het leven lijken te roepen.
‘How Many Clouds Can You See?’ is een voorbeeld van het laatstgenoemde type. Pianist John Taylor roept de geest van McCoy Tyner op, via een continue zware basondersteuning. De solo’s komen qua kwaliteit niet meteen in de beurt, maar de intensiteit, de snelheid en het timbre zijn dezelfde. Ook de drummers (Jackson of Oxley) hebben, net als Elvin Jones, de techniek in de vingers om het quartet in een mum van tijd naar een hoger niveau te schakelen.
Toch is Surman niet zomaar een copy-cat: de energie mag dan letterlijk overgeërfd zijn, dat geldt niet voor de stijl. Het openingsnummer
‘Galata Bridge’ (opgenomen met het octet dat Surman toen nog leidde) is bijvoorbeeld het soort experiment dat Coltrane niet zou geïnteresseerd hebben: de communicatie tussen de musici is hecht, maar komt pas halverwege (volgens Coltrane-standaarden ongetwijfeld “te laat”) echt op gang. Het Naimaëske
‘Caractacus’ is dan weer een zachte ballade, maar Surman houdt het nog iets killer dan zijn collega – wat evenzeer zijn charme heeft. En dan is het tijd voor
'Premonition', een monumentale compositie (van John Warren) waarin Surman langzaam maar zeker naar de hoge registers klimt en het verschroeiende einde afkondigt in heus getier. Naast de geest van Coltrane lijkt ook die van Pharoah Sanders plots rond te waren op deze plaat.
Surman zou Surman echter niet zijn mocht er niet iets vreemd aan de hand zijn met het album. Zo is het laatste nummer een gezellige miniatuur voor een bescheiden brass-band (die Surman in zijn ééntje opwekt via overdubbing), en lijkt het alsof de rest van de eerder zo hechte band (die bestaat uit 2 drummers en 2 bassisten, naast nog een heleboel blazers) plots met de noorderzon is verdwenen.
Hoe consistent is
‘How Many Clouds Can You See?’ dan eigenlijk? Wel, gevoelsmatig zit deze sessie in ieder geval op één en dezelfde golflengte, maar qua sound durft het album fluctueren...en dat maakt het geheel alleen maar interessanter, niet?
