Als er één jazzmuzikant is die zijn stijl nooit verloochend heeft, is het Peter Brötzmann wel. Er zit wel degelijk vooruitgang in zijn muziek, maar je zal hem - ondanks zijn gigantische catalogus aan werken - nooit op onbezonnenheid of stijlexcursies kunnen betrappen. Het laatste concert dat ik zag van deze Duitser was twee jaar geleden denk ik, met Fred Van Hove, die donderdag helaas overleden is. Een prachtig concert was dat, van twee dijken van artiesten die Europa op de kaart zetten van de freejazz. Om die twee oudjes op het podium te zien staan, beide duidelijk genietend, en nog steeds met de nodige
Balls in hun spel, dat was een uitzonderlijke ervaring.
Voor mij zijn Brötzmann platen erop of eronder. Bij dit album met Peeter Uuskyla merk je vanaf het eerste nummer dat dit juist zit. In duo, met percussie, komt Brötzmann zijn saxofoon nog beter tot uiting, doordat het instrumentarium zo rudimentair is. De Zweedse drummer begrijpt dit zeer goed, en mept een geweldig tribaal ritme op zijn floor tom, aangevuld met accenten op de kleinere toms. Er ontstaat open ruimte en spanning waarin de oerkreten van Brötzmann, met hun bluesey ondertoon zeer goed tot hun recht komen. Als je dit luid afspeelt in je woonkamer klinkt dit zo geweldig diep, alsof het uit de aardkorst naar boven komt. Het is vooral in dit soort nummers met trage tempi dat er extra mogelijkheden ontstaan voor interactie in zijn archetypische speelstijl. En daar is er hier duidelijk geen gebrek aan. Warm aanbevolen!