Ik moet toch constateren dat er dit jaar al heel wat uitstekende platen zijn uitgebracht, en dit 'We Built A Fire' van het IJslandse Seabear is er in mijn ogen één van.
Nooit eerder van gehoord, van Seabear, en door het feit dat ze afkomstig zijn van IJsland, dacht ik: 'Misschien een variant op het bij mij hoog aangeschreven 'Sigur Ros'?' Toen ik de posts bij dit album las, en de eerste noten van deze plaat me zachtjes in de oren klonken, bleek dit helemaal niet waar te zijn. Seabear is een groepje dat folkpop maakt, soms ingetogen, soms druk, met rijkelijke arrangementen, maar één constante zit er wel in: kwaliteit.
'Lion Face Boy' is de opener, en de blazers doen hier zeer zeker aan Beirut denken (goed gezien, joramhoogink!). Dat Beirut hier nog niet aan gelinkt werd, heeft waarschijnlijk veel te maken met het zachte, Sufjan Stevens-hese stemgeluid van de zanger.
'Fire Dies Down' en 'I'll Build You A Fire' zijn twee uitstekende songs, gedragen door een zowel aanstekelijk als aandoenlijke combinatie van knappe orchestratie en bij vlagen harmonische zang.
Bij het nummer ‘Cold Summer’ is de vergelijking met Sufjan Stevens al helemaal onvermijdelijk. De piano verweeft zich heerlijk met de hese, gevoelige zang en de violen en blazers, die bescheiden op de achtergrond hun ding doen, maar af en toe toch wat nadrukkelijker komen piepen. Halfweg komt het nummer ineens, aangenaam verrassend, in een stroomversnelling. Naar het einde toe komen alle instrumenten bijeen in een fantastische ontknoping.
Het volgende nummer, ‘Wooden Teeth’, heeft een vrolijke ondertoon. Als ik het goed heb, hoor ik ook een banjo. Tja, dat is wel erg Sufjan Stevens natuurlijk, maar ze komen er mee weg! De zangeressen geven het nog dat tikkeltje extra, waardoor dit toch één van de topnummers is op deze plaat.
‘Leafmask’ is duidelijk opgebouwd rond een nostalgisch aandoend gitaargeluid. Het geeft een andere indruk dan voorgaande nummers, maar dat maakt het niet minder geslaagd. De engelachtige achtergrondzangeressen doen dit nummer opstijgen naar het soort dromerige pop waarvan de meeste bands enkel kunnen dromen. Dit nummer bleef me na enkele luisterbeurten het minste bij, maar groeit nu toch uit tot een erg sterk nummer.
Dan komen we bij ‘Softship’, ook weer zo’n geweldig nummer. Staan hier wel mindere nummers op, vraag ik me af. Je moet wel voor dit soort muziek zijn om het echt te kunnen appreciëren denk ik, want het lijkt wel of de meeste liedjes zijn opgebouwd volgens hetzelfde trucje. In het midden van het nummer krijgen we hier een bescheiden gitaarsolootje. Weer die mooie achtergrondzang, die hier, op dit album, toch echt iets toevoegt, mijns inziens.
De strofe van ‘We Fell Of The Roof’ doet me vaag denken aan een nummer van Ozark Henry (jawel, Ozark Henry!). Over het algemeen is dit een heerlijk rustig nummer, de akoestische gitaar werkt hier prima, en na ongeveer anderhalve minuut versnelt men eventjes, en mogen drums en violen samen spelen. De drums vind ik in dit nummer heel erg goed. Later horen we ook nog wat belletjes à la Sufjan Stevens (weer hij) in het nummer.
In ‘Warm Blood’ treedt de piano weer op het voorplan, en speelt een korte intro, waarna de akoestische gitaar erbij komt. Ingetogen samenzang leidt na ongeveer een minuut tot een wat drukker stuk, waarin de elektrische gitaar zijn zin mag doen. Dit duurt echter niet lang, maar de elektrische gitaar zal in dit nummer echter nooit ver weg zijn. Het ‘La-la-la’ op de achtergrond voegt dromerigheid toe aan het geheel. Ik voel ook een zekere, constante spanning in het nummer hangen, alsof het elke seconde helemaal kan losbarsten. Wat in de laatste minuut in zekere zin ook wel gebeurt, en dit keer tot het einde van de song. M’n persoonlijke favoriet tot nu toe.
Het begindeuntje van ‘In Winters Eyes’ doet me denken aan ‘A Sunday Smile’ van Beirut, en dat gevoel gaat eigenlijk niet meer weg. Na een minuut schakelt het nummer over in een hogere versnelling, wat ik wel kan waarderen. Een beetje variatie kan nooit kwaad, is mijn motto. Het is de mix van alle gebruikte instrumenten (gitaar, piano, drums, violen, achtergrondzang, noem maar op) dat dit nummer zo aantrekkelijk maakt. Depressief zou ik het zeker niet noemen.
Het album wordt afgesloten door het –ingeval van dit album –snellere en intensere ‘Wolfboy’. Hierin was ik aanvankelijk wel een beetje teleurgesteld, omdat ik had verwacht dat ze toch zeker zouden afsluiten met een trager, meeslepender pareltje, zoals er hier wel meer opstaan. Maar als ik m’n teleurstelling even opzij zet, moet ik toch constateren dat het een meer dan degelijke song is, zeker niet m’n favoriet, maar toch ook de moeite waard.
11 songs een goeie drie kwartier later moet ik concluderen dat hier geen skipnummers opstaan, ze zijn zeker ook niet allemaal even fantastisch, uitschieters zijn naar mijn mening 'Cold Summer'; 'Wooden Teeth' en 'Warm Blood'. Om het in drie woorden samen te vatten: een aangename verrassing.
4 sterren