The Beach Boys – Sunflower
Schrijf ik deze recensie te laat?
Een paar maanden geleden was er een dag waarop Sunflower perfect mijn emoties omvatte. Het was de dag na een feest, een vriend was bij me slapen. In de mei-zon genoten we in de tuin van ons late ontbijt en praatten we over artistieke ambities. Niets moest, het was weekend en de zonnige dag strekte zich voor me uit. Ook nog toen hij weer weg was. En toch… bij alles wat ik die dag nog deed – al had het leuk moeten zijn – voelde ik een diepe leegte. Een ongeluk wat ik maar niet het zwijgen op kon leggen. Ik zette Sunflower op die dag en de plaat speelde maar 40 minuten, maar toch bleef hij de hele dag aanstaan. En tegelijkertijd met die leegte, voelde ik de woorden die bij deze plaat paste in me opkomen. Alsof ik de hele recensie al geschreven had. Ik wilde me er toe zetten om het uit te schrijven en het hier te plaatsen, maar iets weerhield me ervan. Op een of andere manier voelde ik me te breekbaar die dag om wat ik bij deze muziek voelde in woorden om te zetten… al had ik de toon en de structuur van deze recensie toen al te pakken.
Die breekbaarheid die ik bedoel, kom je overal tegen in de muziek van The Beach Boys. Het is vaak die kenmerkende samenzang onder ogenschijnlijk opgewekte melodieën die 't 'm doen. Zo’n vrolijke club was het helemaal niet. Maar toch is Sunflower anders. En om dat te beschrijven, moet ik de plaat in zijn perspectief plaatsen. Een decennium was verstreken sinds The Beach Boys hun klim naar de roem gemaakt hadden. Van tieners waren ze late-twintigers geworden, sommigen zelfs bijna dertig. En de surfplank die eens hun vrolijke muziek symboliseerde, was opgeborgen. Dat was al lang zo, maar op dit album klinkt die realisatie door.
Medio jaren zestig realiseerde Brian Wilson zich wat hij aan potentie had en begon hij het te verwezenlijken. Het resultaat was o.a. Pet Sounds – een briljante plaat, doch een waarop Brian zichzelf nog steeds – hoewel in kleine mate – censureerde, om zijn band nog enigszins te vriend te houden. Het bleek nodig, want toen Brian daarna alle limieten overboord gooide met Smile kreeg hij het zwaar te verduren. Zijn creatieve ambities bleken te moeilijk te rijmen met het imago waar de andere Beach Boys nog steeds aan vast klampten. Brian Wilson zag af van zijn leidersrol en The Beach Boys raakte stuurloos. Alhoewel een nieuwe Pet Sounds of Smile ondenkbaar was geworden, bleek al snel dat de tijd van zorgeloze strandjongens ook definitief was verdwenen. De platen die volgden waren briljant, maar vreemd – prachtige liedjes van een band die zich nog niet opnieuw had uitgevonden.
Op Sunflower wordt de balans opgemaakt van die jaren. The Beach Boys klinken niet meer zorgeloos – integendeel: ze zijn beschadigd. De hoes straalt dat ook uit. Op het eerste gezicht lijkt alles er zoet uit te zien. Maar het beeld van Brian spreekt boekdelen. Volledig in wit – haast gekleed als patient – zit hij met wijde benen op de grond, spelend met z’n dochtertje. Hij oogt afwezig – haast verloren – en kijkt naar beneden. De andere bandleden staan of zitten om hen heen en houden de schijn op van een familie waar alles naar behoren gaat. Maar in de muziek doen ze dat niet. Op Sunflower treurt Brian en zijn bandleden rouwen met hem mee. Misschien maakt dat Sunflower wel zo’n goede Beach Boy-plaat. Pet Sounds en Smile waren fenomenaal, maar het waren one-man shows, uitgevoerd met een band die er niet geheel achter stond. Op Sunflower hebben de andere Beach Boys ook geaccepteerd dat het niet meer zo gaat zijn als vroeger en maken ze noodgedwongen volwassenere muziek. Die combinatie van een nog steeds geniale Brian Wilson met een zich ontplooiende band laat de sublieme breekbaarheid van The Beach Boys op Sunflower prachtig uit de verf komen. Zowat ieder lied schiet vol in de roos.
Teksten zijn nooit het sterkste punt van The Beach Boys geweest, maar op deze plaat bereiken ze zelfs hiermee pure schoonheid. Toegegeven: de tekst van een Add Some Music To Your Day is niet geweldig en zelfs knullig te noemen, maar het wordt door zulke beeldschone muziek en zulke sterke zangers gedragen, dat het verheven wordt tot grote kunst. De muziek lijkt licht en het nummer is ook opwekkend, maar tegelijkertijd gaat daar die treurende samenzang van The Beach Boys achter schuil. En om de beurt zingen Mike Love, Brian Wilson, Carl Wilson en Bruce Johnston daar hun solopartijen overheen. Op een lijn zittend, doen ze allemaal hun zegje en bezingen ze de troostende kracht van muziek, die zelfs in de moeilijke tijden nog door kan dringen. En als je, wetende welke kant hij in die tijd op ging, Brian over die kracht hoort zingen, dan breekt bij mij m’n hart.
Toch is het niet allemaal zo zwaar op de hand. Kant 1 van de plaat bevat ook hele uitbundige nummers, waarop de andere bandleden die meer losse stijl – die op voorgaande albums soms moeilijk te volgen was – perfect vorm geven. Als The Beach Boys een Exile On Main St. hadden gemaakt, dan hadden daar nummers opgestaan als Got To Know The Woman en It’s About Time. Ze zijn puntjes van licht, op een album dat verder ook wel zonnig is, maar toch meer pijn bezielt.
Met Tears In The Morning heb ik – als opener van een buitengewoon sterke tweede kant – toch altijd nog wat moeite. Het is een mooi nummer dat ik zeker graag hoor, maar toch… Het is te gelikt. De melodramatische tekst, de arrangementen, de zang van Bruce Johnston. Het is niet iets te. Johnston weet wat hij moet doen om een mooi nummer te maken en het werkt, maar het is te veel effectbejag. Dan vind ik zijn andere toevoeging – Deirdre – een stuk mooier en een stuk eerlijker. Qua thematiek past het ook een stuk beter in de plaat. Geen zoveelste liedje over een stukgelopen liefde, maar een troostend liedje over het accepteren van voorbij gegane tijd en het ouder worden:
‘Good times have gone, but it’s over now
So don’t look sad, cause you’re older now
All the people miss Deirdre’
Dennis Wilson vind ik als componist hier een stuk sterker. Op de eerste kant grooved hij lekker met composities als Slip On Through en Got To Know The Woman en op de tweede kant pakt hij uit met het prachtige Forever. Ook effectbejag, zou je kunnen zeggen, maar hier wordt het nummer gered door de breekbare zang van Dennis en de prachtige koortjes in de refreinen. Brian Wilson noemde dit terecht een nummer dat haast klinkt als een gebed.
Toch is het Brian zelf die nog steeds als sterkste componist uit de bus komt, weliswaar nu beter bijgestaan door zijn bandleden. All I Wanna Do is, bijvoorbeeld, een groeibriljant. Op het eerste gehoor klinkt het wat te gewoontjes, maar het nummer ontwikkeld op zo’n indrukwekkende manier, dat het na een aantal keer luisteren een van de sterkste nummers blijkt. Mike Love zingt hier buitengewoon mooi en teder en dan – net als het nummer dat steuntje in de rug nodig heeft – zet die echoende stem van Brian in. Een melodie zingend die vervuld is van een treurnis die Brian Wilson kennelijk eigen is. Als een waterval kabbelt die stem door het nummer heen om in een fuzz-gitaar en aanzwellend gezang uit te monden, die het nummer een karakter geven, dat beloont zou moeten worden met de status van een klassieker.
Ook Our Sweet Love en At My Window zijn ongekend schone stukken muziek. Carl verwoordt prachtig de liefde voor natuur die ieder mens eigen zou moeten zijn en hoe die zich verhoudt tot de liefde tussen twee mensen. Our Sweet Love is als melodie even geraffineerd als God Only Knows en misschien nog wel doeltreffender, omdat het genie Brian hier geen genie probeert te zijn: hij wil zich niet bewijzen, maar componeert en zingt slechts om het geloof in zijn eigen leven erin te blijven houden. En daar gaat een eerlijkheid van uit die veel muzikanten zoeken (zie Bruce Johnston hierboven), maar nooit in die mate zullen vinden. Dát is het talent van Brian Wilson.
Ook At My Window is ongekend mooi. Die zoete stem van Johnston die over een vogeltje zingt. Zo eenvoudig als het maar zijn kan, maar zo doeltreffend. En tussen de coupletten door – die treurende, huilende stemmen, perfect bijgestaan door een gitaarklanken of pianoklanken op precies de juiste momenten. De melodie voert me even door de lucht, door een hemelse jeugd die ook ik achter aan het laten ben, en legt me dan weer op de grond. En uit die stilte komt dan weer die stem voort:
‘From their eyes... the people must look like miniature toys’
En dan vliegt het vogeltje uit, voor eeuwig. En misschien symboliseert die vogel de jeugd wel, de strandjongens-tijd waar The Beach Boys afscheid van moesten nemen. Misschien is dat wegvliegende vogeltje wel de perfecte metafoor voor dat gevoel. En als dat zo is, dan zijn The Beach Boys de perfecte muzikanten om dat gevoel te bezingen.
Hun stemmen klinken, weemoedig en langzaam vervagend: ‘Fly away, fly away…’
Dat laatste had ik met name in mijn hoofd, die ene dag die ik eerder beschreef. Het geeft perfect die breekbaarheid weer die ik soms voel, en die beeldschoon en tegelijkertijd verschrikkelijk is. Het is de gewaarwording de juiste woorden in je hoofd te hebben om zo’n recensie te schrijven, maar het niet te kunnen doen, omdat het werk te veel naar boven zou halen, het breekbare zou breken en me te verdwaasd achter zou laten, zonder de mogelijkheid om te genieten van wat ik zojuist geschreven zou hebben. Dan is het gemakkelijker die pijn uit te laten vliegen als die vogel en de volgende dag opnieuw te beginnen.
Via dat deel van mijn ziel identificeer ik mij met Brian Wilson – al hoop ik nooit door te hoeven maken wat hij doormaakte. Maar in mij is dat deel wat een glimp van die pijn voelt en met veel liefde aan hem denkt. En dat deel van mij is ook dankbaar dat deze man zijn miserie overleeft heeft. Want wat is het hartverscheurend zijn droefheid - vermengd met hoop - hier op Sunflower op zijn mooist te horen. Maar het is tegelijkertijd die kwaliteit die Sunflower een van de beste albums van The Beach Boys maakt. Een emotionele reis die me dankbaar maakt, dat ik zo gevoelig ben voor muziek. Zoals The Beach Boys zelf zongen in ‘Add some music to your day’.
Op nummer 1 blijft voor mij vooralsnog nog steeds Smile staan, omdat dit Brian Wilson in zijn volle glorie is. Maar Sunflower kent vele momenten die tot het beste werk van deze fenomenale band (en man) behoren en – omdat het misschien wel de meest volwassen plaat van The Beach Boys als band is – perfect etaleren wat deze groep zo onvergetelijk goed maakt. Met nog een stukje Smile wordt er geëindigd. Een prachtig stukje a capella muziek uit Brians hoogtijdagen klinkt door de effectwinden heen, maar het is niet nodig. Wat gezegd moest worden, is gezegd. Heerlijk zacht kabbelt het album naar een einde. At My Window was te intens en te pijnlijk geweest. Nu blijven we als luisteraar achter met het gevoel dat – ondanks alle pijn en weemoed – er ook nog altijd ruimte blijft voor wat onschuld. Een onschuld die net zo verfrissend kan zijn als een koele poel water, waar zachtjes een surfplank op weg drijft.