Aardig album van deze verdienstelijke saxofonist (die vorig jaar trouwens stierf). Het heeft enkele briljante stukjes, maar evengoed een aantal zo-zo stukken waardoor ik uiteindelijk een matige (niet slecht, maar zeker ook niet geniaal) indruk krijg. De verwoede pogingen van de man om zich hier als overheersende bandleider te laten gelden zijn niet altijd geslaagd want de echte held van dit album is hier naar mijn gevoel Matthew Shipp. En ja... de boel laten opknappen door een ander kan volgens mij niet echt de bedoeling zijn.
De sfeer van het album zit in elk geval goed. Vanaf de intro bewerkstelligen de heren een zekere spanning die tot de laatste minuut in zekere zin blijft doorlopen - al mocht de hele opname van mij wat ingeperkt tot iets van een 50-60 minuten.
In dat eerste nummer stromen de spirituele blaaslijnen en laat Ware zich dikwijls van zijn uitstekende kant horen: gematigd en in groep. Soms steekt hij een klaagzang af en klinkt hij heel expressief. Deze rustigere passages weten me vooral te ontroeren. In dat openingsnummer grijpt hij echter ook geregeld naar schrille klanken uit de hoge registers en is het Shipp die ze hier mooi kadreert door ze te laten contrasteren met zijn lage akkoorden.
Het tweede nummer heeft een mooi thema, vooral als de tenorsax van Ware komt bovendrijven op de breed uitgesmeerde pianoakkoorden. Soms heb ik wel het idee dat hij als blazer er te hard wil invliegen en met zijn energie de echte diepgang, die dit soort muziek kan hebben, wat afremt. Vergeleken met Coltrane bijvoorbeeld loopt dit toch een stuk minder natuurlijk.
In zijn solos ('Lithuanian Whirl') vind ik hem eigenlijk gewoon niet boeiend genoeg. Hoewel hij me in zijn groepsmeditaties wel weet mee te trekken. Springt eruit: Sun Ra's nummer 'The Stargazers', waarin William Parker een mooi bas ostinato serveert en Shipp in zijn karakteristieke hoge regionen clusters tast. Fantastisch stukje muziek hier, ook als Ware mee komt musiceren. Meer van dit soort hoogtes hadden op dit album niet misstaan.