Met: Byard Lancaster (alto saxophone), Khan Jamal (vibes), Monnette Sudler (guitar) Billy Mills (bass), Dwight James (drums), Omar Hill (percussion), Rashid Salim (congas)
Ongelofelijk toch waar je jazz reis je nog steeds kan brengen. Inmiddels ben ik al zo'n vijftien jaar het genre aan het uitpluizen maar ik blijk nog lang niet klaar te zijn. Iedere keer ligt er weer een verassing op de loer in één of ander hoekje waar je niet hebt gekeken. Nu heb ik net Byard Lancaster een beetje ontdekt en ben ik zijn pad aan het volgen. En toen stuitte ik al snel op dit mooie cultplaatje. Het origineel werd voor een zachte 5700 euro verkocht via Discogs. Maar gelukkig zijn er mensen die dit heruitbrengen op een uiterst waardige en gelukkig ook legitieme manier. En de reissue van 2019 is uitstekend. Het geluid is niet fantastisch, de lage tonen denderen nogal hard door, maar ik schat zo in dat dit ook in het origineel zo was. Maar laat je niet afschrikken, het klinkt nog steeds uitstekend. Je oren raken soms wat verwend met de heruitgaven op de grotere labels.
Wat voor muziek is dit? Met alle ingrediënten die bij elkaar komen zou ik het kruising tussen souljazz en free funk willen noemen. De boel grooved in ieder geval als een malle met de modale en repetitieve composities die soms zo hypnotiserend werken dat je jezelf haast verliest in de muziek. Maar waar sommige grooves best uit en soulbandje van die tijd zouden kunnen komen, word je daar toch soms weer ruw uitgeduwd door de passionele en scheurende sax van Lancaster. Buiten het feit dat hij technisch heel begaafd is heeft hij werkelijk een schitterende toon op de alt. Met een diepe vibrato die doet denken aan de saxofonisten uit de jaren '30 zoals Benny Carter. Maar dan wel met de vrijheid van een Coltrane. Net als Noah Howard, lijkt Lancaster te zingen door zijn saxofoon.
De eerste 3 composities hebben die heerlijke swing. Zowel Lancaster als de uitstekende vibrafonist Khan Jamal (de voor mij enige andere bekende van het gezelschap) hebben eindeloos veel ruimte om alle kanten op te soleren. Daarnaast speelt Sudler (een Afro-Amerikaanse dame!) een uitstekend stuk op het korte Billie One. Vanaf nummer vier duikt de plaat meer in de richting van de freejazz. Maar het is geen ongeorganiseerde bak herrie. Het is en heerlijke muur van geluid. En net als je denkt dat men zich toch zal verliezen in dat geweld wordt er weer een heerlijke funky baslijn ingezet en swingt de band weer als een gek. En die lijn zet zich vervolgens weer voort in New Horizons waarin het nog moeilijker is om stil te blijven zitten.
Wederom een te gekke ontdekking. Ik ben nog lang niet klaar met Lancaster in ieder geval. Ook niet met Khan Jamal en Monnette Sudler trouwens. Oh ja, en die hoes....
