Wat was er toch met die Ian Gillan gebeurd, nadat hij kort na de release van liveklassieker
Made in Japan Deep Purple had (moeten) verlaten? Eén van de zaken die ik me eind jaren ’70 begon af te vragen, nadat het kwartje voor scheurende gitaren was gevallen.
Inmiddels weten we dat hij even klaar was met opnames en eindeloos touren. Hij knipte de haren korter en begon drie bedrijfjes, die op een opnamestudio na mislukten. Als hij door Roger Glover wordt gevraagd om Ronnie James Dio te vervangen voor de live-uitvoering van The Butterfly Ball, krijgt hij weer lol in het zingen en start de Ian Gillan Band. Heavy rock verruilt hij voor fusion, volgens de Popencyclopedie van Oor slechts geschikt voor een "kleine, fanatieke Purple-aanhang", dus niet voor kersverse liefhebbers als ik. In deze stijl maakte hij drie studioalbums.
Drie jaar later maakt hij een doorstart met Gillan, waarmee hij terugkeert naar het ruige werk. In de platenbakken van de alternatieve platenzaak in de Grote Stad kwam ik de dure Japanse importelpee
Gillan tegen, met enige vertraging gevolgd door
Mr. Universe, voor een normale prijs verkrijgbaar.
In Nederland kreeg hij nauwelijks aandacht: er waren twee hardrockshows op Hilversum 3, maar ik kan me niet herinneren daar iets van die twee te hebben gehoord. Het bleven voor mij schimmige platen en de hoes van
Mr. Universe vond ik veel te zomers voor heavy rock. Daar waagde ik me niet aan.
Ik had het weer eens mis! Pas met
Glory Road (1980) werd mij duidelijk dat Gillan weer muziek maakte in mijn straatje. Het is met terugwerkende kracht dat ik de voorbije weken het (Europese) debuut
Mr. Universe ontdekte. Mijn streamingplatform laat daarvan drie nummers ontoegankelijk, gelukkig is er YouTube.
Dan word ik in 2023 toch nog verrast.
Mr. Universe kan zich namelijk prima meten met de sterke drie opvolgers. Het heeft alle kwaliteiten van die platen én een goede productie.
De invloed van toetsenist Colin Towns is groot: alle nummers zijn (mede) door hem geschreven, waarbij hij wijselijk nalaat het hammondorgel te gebruiken, waardoor vergelijken met Deep Purple minder voor de hand ligt.
Idem voor de gitarist. Een ander groot verschil met Purple is namelijk de speelstijl van de Ier Bernie Tormé. Deze combineert de jengelhengel met snelle, vaak vrij korte solo’s, wat hij in zijn eigen
(punk!)band ook al deed. Zo laat de tremolo de gitaar janken, waarna vaak over de snaren wordt geracet. Sterke voorbeelden van hun kunsten zijn
Second Sight,
Secret of the Dance,
Roller en de titelsong.
Bassist John McCoy legt met drummer Mick Underwood een stevige basis, geschikt voor zowel het snelle als het langzamere werk. In afsluiter
Fighting Man laten de vijf bovendien horen hoe je een ballade met een sterke melodie kunt opbouwen naar een pakkende climax. Een groeibriljantje.
En zo krijgen we een heerlijk stevig en meestal uptempo of zelfs snel album, waarbij de zanger wordt gedwongen de grenzen van zijn stem op te zoeken. Hiermee was hij net op tijd voor de New wave of British heavy metal, die een jaar later losbarstte. Een degelijke acht lijkt mij een heel eerlijk cijfer.