‘Parasignosis’ van Mitochondrion is een plaat die blijkbaar niet al te bekend is. Dat blijkt uit het feit dat ik pas de eerste ben die er hier een score aan geeft. Ik ken deze plaat ook enkel en alleen dankzij Don Cappuccino, die de plaat om één of andere reden niet kon toevoegen op de site, en daarom heb ik dat gedaan. Ik was ook wel benieuwd naar de plaat zelf, en zocht ze gauw op, want mijn smaak komt vrij goed overeen met die van Don Cappuccino. De positieve verwachtingen die ik had, zijn dan ook helemaal uitgekomen.
‘Parasignosis’ is een gitzwarte plaat, met ongelooflijk brute, apocalyptische riffs en gebrul alsof het uit de hel zelve weerklinkt. Het eerste nummer begint meteen griezelig spannend, met mysterieuze geluiden (alsof het één of andere obscure diersoort is, die zijn thuis heeft diep in een donker bos). Daarna barst het nummer daadwerkelijk helemaal open, wat een geweldig nummer oplevert, meteen één van de beste op deze voortreffelijke plaat. De eerste drie nummers vormen een soort van triptiek, zoals schilders uit vervlogen tijden weleens toepasten. Het spreekt dus voor zich dat de overgangen bijzonder vlot en onopvallend zijn. Het tweede deel past naadloos op het eerste, en de overstuurde gitaarriff die deze song beheerst, durf ik lichtelijk geniaal te noemen. Kippenvel!
‘Tetravirulence’, het derde deel van dit drieluik, dat trouwens een Latijnse titel draagt (‘Pestilentiam Intus Vocamus, Voluntatem Absolvimus’), is een monster van ruim 10 minuten. De zanger raast maar door, op een laag van tot de verbeelding sprekende gitaarriffs en vrij onopvallend maar vernuftig drumwerk. Dante’s Hel, in muziekvorm. Of, het zal het althans dicht benaderen, naar mijn mening. Terwijl ik van deze geweldige song zit te genieten, wil ik even nog iets kwijt over de hoes. Die past gewoon perfect bij het album, en met enige zin voor verbeelding kan je ook de ringen van Dante’s Hel erin ontwaren. Zwart en grijswaarden domineren zowel de hoes als de muziek; voor zonneschijn is hier geen plaats. Het hele nummer heeft iets loodzwaars, de manier waarop die zanger maar als een gek blijft tekeergaan, en de gitaren constant een ander “lied van de verdoemden” (om het maar eens op een andere manier te zeggen) inzetten.
Terwijl ‘Tetravirulence’ zich schijnbaar rustig blijft voortzetten, is er eigenlijk al een volgende song begonnen: ‘Trials’. Dat wordt na enkele ogenblikken duidelijk, en na een minuut barst deze helemaal open, met demonische riff erbij, helemaal in de traditie van dit album dus. Dit nummer vind ik net wat minder dan wat er al geweest is, maar slecht is het niet, hoor. Hoogstens een klein deukje in het hoogstaande niveau. Naar het einde toe wordt het nummer wel een beetje interessanter, chaotischer, lekkerder. Hierna volgt het korte intermezzo ‘Rift/Apex’, dat nog geen minuut duurt, maar echt huiveringwekkend is. En dat bedoel ik dan in uiterst positieve zin! Dit is sfeerzetting van de bovenste plank, ik kan het niet echt in woorden vatten, je moet het luisteren om zelf de intensiteit te kunnen ervaren.
Na het intermezzo barst de titeltrack haast meteen open. Gebrul dringt zich op aan mijn oren en mijn geest, en de chaos is heerlijk en nietsontziend. Ook tekstueel is het allemaal aardedonker, al verstaat men er niet al te veel van. Dit fragment bijvoorbeeld:
“Without Gods, spores prevail;
Without masters, slaves prevail;
Without daemons, worms prevails;
Without blindness, parasight prevails!”
Naar het einde toe wordt het misschien allemaal net wat té chaotisch, maar al bij al toch een erg brute en sterke song.
‘Banishment’ begint met een marsritme, gespeeld op de drums, dat langzaam wordt opgevoerd tot de gitaren en de grunts te boventoon gaan voeren. Dit is weer een beestachtig goede song, erg bruut en duister. Keyboardgeluiden maken het geheel allemaal nog wat moeilijk te bevatten, en daarmee ook wel wat interessanter. Als luisteraar spits je bijna automatisch de oren om op de details te gaan letten, en die zijn er legio. Het stuwende ritme dat zich halfweg de track meester maakt van het gebeuren, is ook een meesterlijke vondst. Spanning wordt opgebouwd, wie dit niet goed vindt, zou verbannen moeten worden. ‘Kathenotheism’ is het laatste nummer (de bonusnummers buiten beschouwing gelaten), en die term (ik heb het opgezocht), betekent zoiets als “het geloof in één God per keer”, zoals in de Veda’s, waarin elke God als een godheid wordt behandeld, maar nooit meerdere tegelijk. Nou ja, het is een vaag begrip, en ik wil enkel een beeld geven van de ingewikkelde filosofische aspecten van deze plaat; de band gebruikt veel moeilijke termen, wat deels ten goede komt van de mysteriositeit rond deze plaat (je vraagt je soms af wat er concreet bedoeld wordt, en dat gevoel vertaalt zich ook goed in de muziek), maar het kan voor sommige luisteraars ook een motief zijn om af te haken (“wat doen die moeilijk, zeg”). Bij mij geldt in ieder geval het eerste geval; ik vind dit een geweldige plaat, en kan er elke keer weer van genieten.
De bonusnummers (of moet ik zeggen nummer?) bestaan uit twee erg korte stukjes van 10 seconden, die meer als overgang bedoeld zijn, en een lange ambient outro, die niet bijster veel toevoegt, maar op zich wel degelijk is, en vooral in de laatste minuten toch weer enkele geniale stukken in zich heeft, zoals de echo van de griezelige geluiden die helemaal in het begin van het eerste nummer ook weerklonken. En zo is de cirkel rond, en Dante’s Hel weer voor een tijdje gesloten.
‘Parasignosis’ is een plaat die me de eerste paar luisterbeurten meteen tegen de grond sloeg, en de plaat heeft me nog altijd behoorlijk in z’n greep, maar ik vind het ergens wel jammer dat het na de eerste drie nummers nergens meer zo goed wordt. Maar de eerste drie nummers zijn dan ook werkelijk geniaal.
4 sterren