Met: Miles Davis (trompet); Thelonious Monk (piano); Milt Jackson (vibrafoon); Percy Heath (bas); Kenny Clarke (drums)
Behalve op ‘’Round Midnight’, Davis met John Coltrane (tenorsax); Red Garland (piano); Paul Chambers (bas); ‘Philly’ Joe Jones (drums)
Deze lp uit 1959 verzamelt vooral opnames uit december 1954 van een sessie met driekwart van The Modern Jazz Quartet (vandaar de titel), en de legendarische pianist Thelonious Monk. Deze werden eerder uitgebracht als
Miles Davis All Stars Volume 1 en
Volume 2. Het was dezelfde sessie als waarop ‘Bags’ Groove’ werd opgenomen, dat titelnummer zou worden van
een andere lp, en hier dus ontbreekt.
‘’Round Midnight’ is als enige van een sessie van bijna twee jaar later, van de band met John Coltrane, die later bekend kwam te staan als Miles Davis’ ‘First Classic Quintet.’ Met datzelfde kwintet zou Davis van dit nummer ook
een legendarische opname maken voor Columbia, met wie hij rond 1955 een lucratief platencontract afsloot.
Het is te begrijpen dat Prestige dit nummer van de plank haalde, om mee te liften op het latere succes van Davis. Maar: vergeleken met de bekender versie klinkt deze opname van ‘‘Round Midnight’, hoewel later opgenomen, als een demo’tje.
Op de enige andere niet eerder verschenen track, de eerste take van ‘The Man I Love’, horen we hoe pianist Thelonious Monk door het intro begint te praten, en de rest van de band tegen hem uitvaart. Misschien komt het daardoor, dat over deze sessie allerlei verhalen de ronde deden, over spanningen in de studio. Vooral Davis en Monk zouden vechtend over de vloer gerold hebben!
Davis ontkende die geruchten met klem, en met atypische zelfspot gaf hij toe dat Monk een stuk breder dan hem was, en hem waarschijnlijk door de muur had heen gegooid, als het echt vechten was geworden.
De geruchten over een vechtpartij mogen overdreven zijn, maar een bepaalde ongemakkelijkheid is zeker hoorbaar. In de tweede take van ‘The Man I Love’, waar het album mee opent, begint Monk rond de vijfde minuut te soleren op een manier die, zelfs voor zijn doen, dissonant klinkt.
Na een paar maten laat hij een stilte vallen die zo lang aanhoudt, dat Davis uiteindelijk zelf maar weer begint te toeteren. De pianist begint dan weer dwars door hem heen te spelen, en brengt zijn solo alsnog tot een -toegegeven- vrij virtuoos einde.
Meer dan onderlinge agressie klinkt het, eerlijk gezegd, alsof de band gewoon niet voldoende had gerepeteerd. Ook Miles Davis zelf klinkt op ‘Swing Spring’, nota bene zijn eigen compositie, alsof hij nog niet goed heeft bedacht wat hij nou eigenlijk wíl met zijn solo.
Als de band inderdaad niet voldoende ingespeeld is, is dat typerend voor het Prestige-label, berucht om zijn krenterigheid met studiotijd. Misschien daarom klinken voor mij de meeste tracks op deze plaat wat vluchtig, onaf zelfs (ondanks dat ik niet zo van de vibrafoon houdt, moet ik een uitzondering maken voor Milt Jackson, duidelijk de uitblinker hier. Op ‘Bemsha Swing’ speelt de hele band nog wel goed, al heb ik ook van deze Monk-compositie betere versies gehoord). Al met al kan ik bij herbeluistering niet verder gaan dan drie sterren, geruchten over vechtpartijen meegerekend.
Het zal natuurlijk ook gewoon aan mijn smaak liggen: zoals ik al schreef bij Bags’ Groove, is deze bandopstelling voor mij iets té artistiek en smaakvol om echt een volle lp mijn aandacht vast te houden. Dat dit de enige studiosessie is waarop legendes Monk en Davis samen te horen zijn, mag dan nog een interessante historische voetnoot heten.