”Don’t know how we’re going / But we know just where we’re bound / We’ll just keep on singing our song to you.” Eindelijk gerechtigdheid – de aanhouder wint! Als deze groep überhaupt al bekend is, dan is dat vanwege het beduidend minder interessante werk dat ze in 1979 maakten voor Mercury. Sinds 1973 lagen deze opnamen al op de plank te vergaren – dankzij Numero is daar nu verandering in gekomen. Voordat de zevenkoppige groep zich omdoopte tot Father’s Children heetten ze The Dream, en hielden ze zich vooral bezit met doo wop. Toen ze verwikkeld raakten in een auto-ongeluk en ze allemaal ongedeerd bleven, wijzigden ze hun naam in Father’s Children. In september 1972 begonnen de eerste opnames van deze stukken. Gematerialiseerd werd het echter nooit. De manager(s) van de groep hadden nooit voor de rechten betaald, dus bleven de tapes bij producer Robert Hosea Williams – die ze voor een lange tijd “gewoon” in zijn garage opsloeg / bewaarde. In 2006 werd het materiaal herontdekt door soulhistoricus Kevin Coombe, en nu, vijf jaar later, is het album dan eindelijk een feit.
Ik heb me vaak verbaasd wat voor prachtig spul er allemaal in het verleden werd achtergehouden. Ook dit is weer zo’n prima ontdekking. Niet alles is even geslaagd, maar het grootste gedeelte is op z’n minst boeiend genoeg voor meerdere luisterbeurten. Opener Everbody’s got a problem mag zich al gelijk berekenen tot één van de hoogtepunten van dit album. Wat gelijk opvalt is de mooie, maar ook aparte, kleurklank van leadzanger Nick “Nizam” Smith, die de politieke statement in de tekst van het nummer erg naar zich toe weet te trekken en het persoonlijk weet te maken (ook het gesproken woord gedeelte op het einde is fantasisch!). Het tweede hoogtepunt is Dirt and grime. De lome groove, het mysterieuze randje, de ontoegankelijke tekst, de scheurende gitaar. Wat mij betreft is dit het pronkstuk. “My dirty, filthy habitat is where I got my habit at of cheating, stealing / Never feeling pain of a brother, you dirty mother / Look how far we are…” Het nummer is gewoon betoverend én ontzettend sfeervol.
Dan is er nog het titelnummer, Who’s gonna save the world. Hetgeen wat dit nummer vooral voor mij zo mooi maakt is dit ietwat jazzy aankleding. Dat in combinatie met de zorgelijke tekst, zorgt voor een mooi eindresultaat. Het meest bijzondere nummer is misschien wel Kohoutek, dat erg mooi aansluit op het tijdsbeeld van toen. Een echt document als het ware. Kohoutek was een in 1973 ontdekte komeet die indertijd voor nogal wat opschudding zorgde. Men vreesde dat hij de aarde zou raken, en veel doem-scenario’s werden destijds in de kranten gepubliceerd. Het is overigens ook de eerste komeet die vanuit de ruimte werd gefotografeerd. Het instrumentale nummer dat vernoemd is naar de band klinkt ook niet onaardig. Het is lekker spacey, alsof je wordt meegesleurd in een trip naar de ruimte. Naar Kohoutek bijvoorbeeld. En dat bijna acht minuten lang! Naar het overige werk valt tevens prima te luisteren, maar overtuigen doet het niet. De andere opnames zijn soms te net iets te knullig om een goede indruk achter te laten. Imponeren doet het dus niet of met moeite, maar het hele verhaal van de groep eromheen geeft alles net een beetje meer flair dat het album een ruime voldoende oplevert.