Secrets of the Moon, de zoveelste onbekende naam die in mijn muziekmand gevallen is dit jaar. Maar, het is niet zomaar de zoveelste plaat. Daarmee bedoel ik dat het geen plaat van dertien in een dozijn is geworden; ‘Seven Bells’ is een duistere, sfeervolle black metalplaat, al dekt die term de lading niet geheel.
Met Tom G. Warrior als co-producer van de plaat, kan je één en ander verwachten. De man heeft zijn sporen al lang verdiend met Celtic Frost, en met Triptykon bracht hij in 2010 ‘Eparistera Daimones’ uit, één van de meest duistere, onheilspellende platen die ik ooit heb gehoord. ‘Seven Bells’ komt wat dat betreft net niet aan die intensiteit en geeft me minder een gevoel van pure angst, maar komt soms akelig dicht in de buurt. Met de nadruk op akelig, jawel.
De titel van de plaat verwijst meteen naar de oerslagen van een klokkentoren of gong of – in ieder geval een reusachtig, machtig iets, die je in zo goed als elk nummer te horen krijgt. De “zeven bellen” komen als thema voor in de openingssong, die de albumtitel draagt. Uit de tekst kan je opmaken dat je maar beter oplet voor die zeven bellen; zij bepalen de morbide gang van zaken. De schitterende gitaarsolo in het midden van het nummer is een mooi extraatje.
En zo gaat het qua lyrics de hele plaat voort in dezelfde stijl; aardedonkere thema’s, gitzwart uitgeschreven in angstaanjagende bewoordingen. ‘Goathead’ mag qua tempo wat lager dan de soms furieuze opener, en legt een eerste rustpunt aan. De beklemmende sfeer waarin het nummer de luisteraar steeds meer onderdompelt, is wel erg geslaagd.
De bandleden lijken ook een voorliefde te hebben voor de slang, want in ‘Serpent Messiah’ wordt zij afgebeeld als een godheid. Dit nummer combineert de agressie van de opener met de terughoudendheid van ‘Goathead’, en creëert zo een mooi stukje metal, dat alleszins geen straf vormt om naar te luisteren. De vocalen krijgen hier wat meer ruimte, en gaan soms een keertje hoger. Volgens de meesten is de leeuw de koning van het dierenrijk; volgens Secret of the Moon valt die eer te beurt aan de slang. “Snake is king; serpent messiah!”
Ook ‘Blood Into Wine’ begint weer met enkele van die typische, machtige belslagen. Toch wel het handelsmerk van dit album een beetje, en zo kan je mede een nummer van dit album eruit halen. Een mooie manier om zich te onderscheiden van de rest. Het kortste nummer van de plaat (hoewel nog steeds langer dan 5 minuten!) is wat mij betreft het minste, maar nog altijd meer dan behoorlijk. Het niveau is gewoon hoog, en ook vrij constant, op dit nummer na dan. De titel kan verwijzen naar de Bijbel, en dat is dan niet de zonnige kant van dit boek, want meteen haalt men er “The black apostle bij”. Ik ben niet zo’n Bijbelkenner, maar het klinkt alleszins niet positief.
De muziek sleept zich intussen lekker voort, zoals goeie black metal met iets meer dat kan. ‘Seven Bells’ is progressieve black metal, of zo wordt het toch genoemd. ‘Worship’ is zo’n nummer dat slepend begint, en na een vijftal minuten een tempowisseling kent. Zo wordt het nummer niet gauw saai, en is de houdbaarheid een stuk hoger. En het is ook gewoon van ontzettend goeie kwaliteit. Tekstueel, muzikaal, op elk vlak spat de sinistere horror er van af.
Na de eerste vijf nummers heb je al een flinke brok muziek beluisterd, die soms wat moeilijk te behappen valt, maar eens je er van kan proeven, smaakt het heerlijk. Maar de geweldige apotheose moet dan nog komen, in de vorm van twee nummers. Het grootse slotakkoord bestaat uit ‘Nyx’ en ‘The Three Beggars’, twee knallers van black metalsongs, twee onberispelijke staaltjes van het kunnen van de Duitsers.
‘Nyx’ begint rustig, met een dreigende intro op gitaar, en de drums die wat losjes meespelen. Dan komt het nummer op gang, met geweldige, donkere gitaarsalvo’s. Om de titel te begrijpen, moet je wel wat kennis van de Griekse en Romeinse mythologie hebben. Nyx was namelijk de Griekse oergodin van de nacht (‘Nox’ bij de Romeinen), geboren uit Chaos. Net als Erebus, alias de duisternis. Als men dan ook nog de thematiek van de slang erbij haalt in de tekst (“Rise, o my snake, into brilliance of bloom; from the corpse of Nyx, afloat in the tomb”), is de cirkel weer rond. ‘Nyx’ (de song) is een monster, dat de luisteraar dreigt te verzwelgen, en de getormenteerde vocalen zingen een lied over dood en verderf.
Het rustige, zelfs dromerige slot kan de pret niet bederven; na al dat geweld is een tikje meewarigheid welverdiend. En zolang het van deze schoonheid is, hoor je mij sowieso niet klagen. Het biedt ook de gelegenheid om zelf even op adem te komen, want ‘Seven Bells’ is een erg intense trip, verslik u daar vooral niet in! Bovendien moet de langste song nog komen, ‘The Three Beggars’.
Die trapt meteen af met een machtige klokslag. De agressie en duisternis druipt wederom van het gitaarspel, alle registers worden opengetrokken. De drummer doet het, zoals de gehele plaat, op zijn eigen manier, niet te snel en niet te traag, niet te hard en niet te zacht. Hij is erin geslaagd het geschikte tempo en volume te vinden voor deze plaat. De titel lijkt gebaseerd te zijn op een film van Lars von Trier, waarin de zin “When the three beggars arrive, someone must die” voorkomt. De “three beggars” zijn overigens pain, grief en despair. De film kan dan weer geïnspireerd zijn door een oude Servische mythe, maar dat is niet zeker. In het nummer wordt ook geopperd dat de drie bedelaars de vermomming zijn van Satan (“Satan, I am the three, and they are all in me”), die zijn eigen heerschappij wil vestigen op aarde, en de bestaande wereld wil vernietigen, en al zijn principes.
Maar de teksten geven geen zekerheden, enkel veel ruimte voor eigen interpretaties. Zoals ik in dit stuk heb gedaan, kan je er waarschijnlijk ook op tien andere manieren een invulling aan geven. Daar kan je ook goeie songwriting aan herkennen. Tel dat op bij de geweldige muzikale omkadering, de duistere en intense sfeer en de rauwe vocalen, en je hebt een erg sterk album.
4 sterren