The Third Ear Band heeft hier een meesterwerk te pakken, met een album dat volledig gewijd is aan de vier elementen.
Het wordt gebracht in een hypnotiserende, jazzy mix van folk, klassiek en Oosterse muziek.
De vier suites zijn op zijn tijd erg rustgevend, maar hebben ook een donker ondertoontje, die mij erg aanspreekt.
Het album begint met “Air”, niet meteen het luchtigste nummer van de plaat. Het zuigt je tien minuten lang mee. Het leidt ons door zachte wolkjes, maar ook door keiharde hagelstenen en zure regen.
Met “Earth” belanden we weer met beide benen op de grond. Het nummer zou niet misstaan in een Côte d'Or reclame. In gedachten zit ik op de rug van een logge olifant, die me een rondleiding geeft door de Afrikaanse Savanne bij schemering.
“Fire” is misschien wel een van de broeierigste nummers die ik ken. Alle instrumenten worden ingezet om een prachtige geluidsmuur te creëren, die nog het meest weg heeft van een Turks stoombad; een beetje benauwend, maar ontzettend aangenaam.
Hierna is het nog even uitblussen met “Water”. Dit laatste nummer kabbelt aan het begin rustig door. Na een tijdje lijkt het echter, alsof het zich als een riviertje in steeds moeilijkere bochten wringt. De muziek wordt ook steeds onheilspellender. Het nummer eindigt vrij abrupt, met het geluid van golven. Heeft het riviertje zijn weg gevonden naar de grote zee, of is het uitgemond in een eenzaam beekje?