In 1955 tekende Miles Davis bij een groot label (Columbia), en was hij klaar om uit te groeien tot het grote jazzicoon dat we nu kennen. Alleen stond hij op dat moment ook nog onder contract bij Prestige. Hij voldeed aan die verplichting met twee lange studiosessies, in mei en oktober 1956. Het was genoeg materiaal voor Prestige om de vier albums samen te stellen, die nu de ‘Cookin’/’Relaxin’/’Workin’/’Steamin’-serie vormen.
Hoewel het dus feitelijk een verplicht nummertje was, gelden de platen als bescheiden klassiekers. Juist de nonchalance is een sterk punt: de band staat in wezen gewoon hun beste livemateriaal na te spelen, wat zorgt voor een oprechte, ongedwongen sound. Ook aantrekkelijk: veel van deze muzikanten zouden een bepalende rol spelen in de jazzmuziek van de komende jaren, en we horen ze hier op een cruciaal, vroeg moment in hun ontwikkeling. Wat te denken van Davis zelf, op de vooravond van zijn grote succes? Of de mysterieuze saxofonist Coltrane, nog helemaal op het begin van zijn reis door de stratosfeer?
Maar laten we de kwaliteit ook niet overdrijven: De Max Roach/ Clifford Brown-band van de paar jaar daarvoor is minstens net zo goed, en klinkt ook nog minder gedateerd. De materiaalkeuze van Davis is wisselvallig, en niet al te uitdagend: een handjevol bop-klassiekers, een paar verdwaalde ‘eigen composities’ die zwaar op de blues leunen, en vooral veel veilige standards, liedjes uit het musical- en nachtclub-repertoire die destijds erg populair waren, maar 65 jaar popcultuur later vaak weeïg en sentimenteel klinken. Na me een aantal weken in deze sessies te hebben ondergedompeld vind ik het nog steeds moeilijk de ene ‘Something I Dreamed Last Night’ te onderscheiden van de andere ‘You’re my Everything’, zeker omdat de arrangementen van Davis’ ‘Grote Kwintet’ vaak wel een beetje op elkaar lijken.
Wat overeind blijft, is het fijne contrast tussen Davis’ koele, droge trompetstijl, en de fladderende, onstuimige solo’s van Coltrane (die zich af en toe nog wel in zijn eigen creativiteit verslikt). Ook de ritmesectie dwingt vaak bewondering af, met de melodieuze, dominante basnoten van Paul Chambers over de subtiel gevarieerde roffels van ‘Philly’ Joe Jones: Die laatste zou altijd de favoriete drummer van Miles Davis blijven. Garland, ten slotte, wellicht de minst iconische van het stel, is met zijn bluesy stijl en ‘block chords’ een anker in de muziek, maar pakt hier en daar ook zijn momentjes voor een verrassend sierlijke solo.
***
Cookin’, de eerste van de vier platen die Prestige uit deze sessies perste, bevat alleen opnames van de laatste sessie, sterker nog, dit waren ongeveer de laatste vier nummers die Davis voor Prestige opnam.
De B-kant is duidelijk de betere hier. De band speelt drie nummers die Davis al eerder opnam. Airegin, van en oorspronkelijk met Sonny Rollins, wordt heerlijk fel gespeeld waarbij drummer ‘Philly’ Joe Jones de band alle hoeken van de kamer laat zien. ‘Tune Up’ en ‘When The Lights Are Low’ werden eerder in inferieure versies opgenomen voor Blue Haze, maar worden hier aaneen gesmeed tot een stomende medley waarin alles samenkwam wat deze band waarschijnlijk in hun tijd zo geliefd maakte. Wellicht het beste nummer van de Prestige-sessies.
Daarentegen heeft de A-kant de tand des tijds minder goed overleefd. Het geliefde maar nogal sentimentele ‘My Funny Valentine’ (zonder Coltrane) lijkt vooral een slijmerig appèl richting het blanke publiek van concullega Chet Baker. ‘Blues By Five’ (zowaar een compositie van Garland) is fijn gespeeld, maar de wel erg letterlijke titel is een veeg teken voor de banaliteit van de compositie.
Een magere 3,5 voor de A-kant, een ruime 4 voor de B-kant, en ach, laten we het naar boven afronden.