Platenmaatschappijen zijn net kleine kinderen. Ze willen allemaal hun aandeel in verkoopsuccessen. Na jarenlang albums te hebben gemaakt die slechts in relatief kleine kring gewaardeerd werden, brak John Hiatt vanaf 1987 eindelijk op grote schaal door dankzij het in dat jaar uitgebrachte album Bring the family. Het werd een langzaam groeisucces, want met name in Nederland steeg zijn populariteit voor korte tijd tot grote hoogte toen hij twee jaar later, in 1989, zelfs een heuse hitsingle wist te scoren met de aangrijpende pioanoballade Have a little faith in me.
Zijn albums op het A&M-label (na Bring the family volgden het vrijwel even succesvolle Slow turning en Stolen moments) waren goed voor flinke verkopen en dat bracht zijn voormalige platenmaatschappij Geffen op het idee om in het hit-jaar een verzamelalbum uit te brengen van zijn beste werk van zijn voorgaande albums, waarvan er enkele op dat Geffen-label waren uitgebracht.
Omdat Geffen destijds gelieerd was aan MCA - waarop Hiatt in '79 en '80 eveneens twee albums had uitgebracht - kon ook uit dat materiaal geput worden. Eigenlijk werden alleen zijn twee eerste albums, die via Epic/CBS het licht hadden gezien in de jaren zeventig, dus overgeslagen.
Hoe dan ook, het leidde tot deze zeer geslaagde compilatie, die een goede samenvatting biedt van die jaren. Ik zal nog net niet zeggen dat het de afzondelijke albums overbodig maakt, maar zijn beste werk uit die tijd staat hier wel op. Al kun je altijd wel een persoonlijke favoriet aanwijzen die ontbreekt, zoals het hierboven al genoemde Take off your uniform. Zelf mis ik ook zijn duet met Elvis Costello: Living a little, laughing a little. Dat was ooit een single, maar ook een cover (van The Spinners), dus wellicht heeft dat nummer dit album om die reden niet gehaald.
Het maakt, voor wie dat nog niet wist, eens te meer duidelijk dat Hiatt al vanaf het begin van zijn loopbaan een getalenteerd songschrijver en zanger was. Veel gecoverd, maar net zoals bijvoorbeeld bij Leonard Cohen vind ik toch dat de beste versies van die nummers meestal de originele uitvoeringen zijn.
Het album zou zich kunnen laten beluisteren als een mooi regulier album, want het niveau ligt onveranderd hoog. Ware het niet dat de productionele verschillen tussen de nummers vrij groot zijn. Het gevolg van het streven van de platenmaatschappijen om Hiatt te koppelen aan een producer die zijn carrière net dat extra zetje kon geven. Zo hoor je dat de samenwerking met Tony Visconti op het album All of a sudden (1980) niet het resultaat heeft opgeleverd waar de betrokkenen op gehoopt zullen hebben. Dat album is hier vertegenwoordigd met de nummers I look for love en My edge of the razor, en met name de eerste laat zien dat de sterproducer de artiest een productioneel pak aanmat dat helemaal niet bij hem past.
Niettemin bevat deze verzamelaar voldoende fraais, met hoogtepunten als She loves the jerk, She said the same things to me, Radio girl (een single die in 1979 de Nederlandse tipparade haalde) en Washable ink (een nummer dat hetzelfde deed, maar dan in de versie van The Neville Brothers). Aanrader wanneer je weinig of geen werk van Hiatt in huis hebt van vóór Bring the family.