Degenen die Thin Lizzy per se als de robuuste stadionrockers willen, zullen bij deze plaat afhaken. Als ze dat al niet bij de hoes deden, zoals ik indertijd. Ik vergiste me echter: dit zoekende debuut kent diverse hoogtepunten en in de
superbonusversie (2010) wordt het een pareltje. Die laatste is ook op streaming te vinden.
Powertrio’s werden vanaf 1966 trendsettend. Hierin stond de gitarist centraal, denk aan Cream met Eric Clapton en The Jimi Hendrix Experience. Zij en vele anderen experimenteerden met gitaareffecten en songstructuren, wég van de klassieke popsong. Vrijheid, innovatie en peace man! Dit hoor je terug op Lizzy’s debuut, waarop Eric Bell alle vrijheid krijgt om zijn gitaar te laten zingen en frequent met zijn wahwahpedaal speelt.
Net als bij hun grote voorbeelden vechten psychedelische, blues- en hardrock om het hardst om de dominante plek. Welke stijl wint, varieert per song(deel). Soms werkt dat heel goed, soms niet. Een plaat aarzelend en pratend beginnen bijvoorbeeld, zoals hier gebeurt, werkt minder. Het duurt een dikke minuut voordat de groove begint en een aardig liedje verrijst. Pas in november 1972, tijdens de tour met Slade, leerden de drie dat je beter de luisteraar meteen kunt grijpen.
Hoe anders is tweede nummer
Honesty is No Excuse. Een akoestisch en uptempo begin (met mellotronviolen en het werkt ook nog!), waarmee de groove staat. Al snel volgt de sterke melodie. Even verderop vallen de drums knap bij (wat is die Downey hier al goed!) en halverwege volgt een wonderschone gitaarsolo. Het bewijs dat dit trio veel meer kon dan een altaar voor de gitaar bouwen.
Ook vallen spoedig de prachtige stem van Phil Lynott en diens poëtische teksten op. Gevoelig over de liefde, verhalend-sentimenteel als de Keltische geschiedenis van Ierland wordt bezongen. Plus de folkinvloeden die her en der klinken, wat de band onderscheidt van de toenmalige genregenoten.
Hierboven beschrijft
Lonesome Crow de liedjes afzonderlijk. Ik houd me dus in, al wil ik wel
Eire voor het voetlicht brengen. Vorige week werd ik alweer gegrepen door dit akoestische kleinood. Een historisch verhaal, een melancholische sfeer, fraai versierd door Bell. Van een ontroerende schoonheid.
Op cd beginnen vanaf track 11 de extra’s: eerst de geflopte single
The Farmer, hun eerste uitgave met toen nog toetsenist Eric Wrixon in de gelederen. Daarna de EP
New Day die ná
Thin Lizzy verscheen. Ook een gevarieerd schijfje, waarvan het gitaarwerk in de titelsong klinkt als een voorloper van wat The Edge acht jaar later bij U2 zou doen.
Op
Dublin klinkt een celesta, het gevoelige zusje van de piano; het bezingt de emigratie van de band, in januari 1971 naar Londen. Prachtig in zijn breekbaarheid.
Vanaf track 16 klinken vier tracks van
deze bijzondere verzamelaar, waarbij Gary Moore en Midge Ure bij
Look What the Wind Blew In,
Dublin en
Things Ain’t Working Out de gitaarpartijen opnieuw inspeelden. Hier hoor je de 1978-sound: de gitaren klinken veel zwaarder, passend bij de stadionstatus die de band inmiddels had bereikt.
Voor potentiële fans was het indertijd lastig: was dit een rockband met folkinvloeden, of een folkband die bovendien bijzonder heftig rockte? Omdat ze er niet in slaagden een hit te scoren, werd een doorbraak extra moeilijk.
En hoe luistert een rock- of metalfan anno 2022 naar deze vrije muziekopvattingen? Sterker nog, ook de huidige liefhebbers van singer-songwriters kunnen regelmatig genieten.
Voor mij geldt dat ik met alle extra’s op cd vooral blij word van alle variatie. Voor de oorspronkelijke plaat geef ik 3 sterren, met alle extra’s worden dat er anderhalf meer.