In 2010 wist de Brit Paul Marshall me bijzonder prettig te verrassen met het album ‘The Devil and I’, het eerste album dat hij maakte onder alter ego Lone Wolf. Eerder maakte Marshall al een obscuur plaatje onder eigen naam, en nu is er dus de tweede van Lone Wolf, getiteld ‘The Lovers’. En ik vind het nog steeds vreemd dat hier zo weinig animo voor is.
De plaat opent met een korte intro, die verder niet al te veel toevoegt. Daarna volgen gelijk de beste songs van het album. Het geluid is anders dan op de voorganger, er wordt meer teruggegrepen naar de aangezwengelde 80’s sound, ik herken er wel wat invloeden van Talk Talk in bijvoorbeeld. Dat hoeft geen verrassing te zijn; Marshall heeft het nummer ‘Wealth’ van Hollis en co. gecoverd, en de adoratie voor Talk Talk is misschien wel het duidelijkst te horen in ‘Ghosts of Holloway’. “Ghosts of Hollis”, zou je het kunnen noemen.
Vooruitgestuurde single ‘The Swan of Meander’, en daarmee ook de belangrijkste buzz voor mij om het album op te vissen (want ik had het totaal niet door, deze plaat is werkelijk met stille trom gereleased), vind ik een erg mooi nummer. Qua sfeer weet dit nummer de meeste herinneringen op te roepen aan ‘The Devil and I’, en ik ga dat album straks ook gewoon lekker luisteren, denk ik. De opening van dit nummer is opvallend te noemen, en grijpt meteen de aandacht. Wat volgt, is een liedje dat zich door allerlei sierlijke bochten wringt, met die typische zang van Marshall, die iets rustgevend heeft (terwijl hij er toch ook soms erg mee kan uitpakken).
‘Spies in My Heart’ en ‘Ghosts of Holloway’ zijn, zoals eerder gezegd, de andere hoogvliegers. ‘Spies in My Heart’ is gewoon een lekker popliedje, met een nostalgische sound, in ‘Ghosts of Holloway’ wordt hier en daar geëxperimenteerd met elektronica, met handclaps erbovenop.
Daarna is het wat mij betreft grotendeels uit met de pret, en laat Marshall me achter in vertwijfeling. De eerste nummers laten zien dat hij nog steeds in staat is om bijzonder fraaie popsongs te schrijven, ‘Good Life’ is al minder overtuigend, al helt de balans nog steeds over naar het positieve (vooral dankzij het refrein, ingezongen door Laura Groves, een vriendin van Marshall en bekend onder alter ego Blue Roses). ‘Butterfly’ is een subtiele hint naar ‘Lullaby’ van The Cure, maar verder niet zo geweldig, net als ‘Needles and Threads’ ook wat gewoontjes klinkt.
‘Two Good Lives’ is dan toch nog een lichtpunt, maar de prachtige bloem waarin het liedje zich zou kunnen transformeren, wordt het eigenlijk nooit. Het is allemaal prima, maar de magie die ‘The Devil and I’ voor mij zo’n goeie plaat maakte, is hier jammer genoeg niet aanwezig. De afsluitende titeltrack zorgt voor een gedegen einde, in alle rust.
Deze plaat is trouwens uitgebracht op het label van Marshall, It Never Rains, na de breuk met Bella Union. Hiervan was Marshall behoorlijk ondersteboven, en de vrees bestaat dat hij geen platen meer gaat uitbrengen, althans, onder het alter ego Lone Wolf toch niet. Zelf zou ik dat jammer vinden, want hoewel deze nieuwe plaat verre van een parel is, was de voorganger dat wel, en weet ik dus dat de muziek van Marshall meer dan de moeite waard is.
3 sterren