Met op de lange tracks: Miles Davis (elektrische trompet); Gary Bartz (sopraan- en altsax); John McLaughlin (elektrische gitaar); Keith Jarrett (elektrische piano, orgel); Michael Henderson (electrische bas); Jack DeJohnette (drums); Airto Moreira (percussie), en op de kortere tracks: nog een hoop andere mensen.
Musicmeter schaart deze onder de livealbums, wat logisch lijkt, maar bij Wikipedia staat deze juist bij zijn studioplaten. De waarheid ligt ergens in het midden, maar écht een liveplaat is het niet, al zijn alle lange tracks (ongeveer 85% van de muziek hier) samengesteld uit opnames een liveoptreden in The Cellar Door (Washington DC) op 19 december 1970.
Die liveopnames zijn later ook uitgebracht op de boxset
The Cellar Door Sessions 1970 (2005). Die heb ik nog niet uitgebreid kunnen beluisteren (we zetten maar weer vijf uur Miles Davis-muziek op de to do lijst erbij), maar bij een oppervlakkige vergelijking valt het wel op dat
Live Evil toch wel wezenlijk anders klinkt. Wat precies de rol van overdubs en van knip- en plakkunstenaar Teo Macero is geweest hierin, is een leuke discussie voor mensen die net iets geobsedeerder zijn dan ik (net iets, he), maar ik vind de met vette galm overgoten, ronkende sound van
Live Evil toch best wel gaaf.
Davis zelf zei een soort vervolg op
Bitches Brew te hebben willen maken, maar dat er iets heel anders uitkwam (de hoes is natuurlijk vergelijkbaar, zelfs nog wel iets cooler). Verder heeft Davis niet veel zinnigs over de plaat te zeggen, rond deze tijd leek (nog meer dan anders) zijn strategie te zijn om zicht te omringen met talentvolle muzikanten en de ideeën maar gewoon te laten stromen. De band van de Cellar Door-sessions barst bijna uit elkaar van de creatieve energie, waarbij de nadruk duidelijk ligt op het bandgeluid en de groove en minder op de solo’s van de individuele bandleden (al zijn Jarrett en McLaughlin wel iets dominanter dan de rest).
Davis laat zich deze keer niet echt overschaduwen door zijn eigen bandleden. Ik heb het al vaker ergens gezegd, maar de elektrische, funk-gerichte stijl paste gewoon prima bij zijn spel, en eigenlijk heeft hij zelden zo goed gespeeld als in deze periode. Al heb ik geen idee wat er in die tijd precies verstaan werd onder een ‘elektrische trompet’, eerlijk gezegd. Het wah-wah effect dat Davis hier gebruikt is volgens hemzelf een eerbetoon aan Jimi Hendrix, die drie maanden voor de Cellar Door-concerten overleed. De twee kenden elkaar goed en er waren kennelijk redelijk concrete plannen voor een samenwerking: de geest van de legendarische gitarist waart ook door andere aspecten van deze plaat.
Tijdens de lange ‘live’tracks dendert en freakt de band maar door, en op zijn beste momenten is het echt waanzin, zowel in de betekenis van ‘pure chaos’ als ‘waanzinnig goed.’ De kortere stukken tussendoor, sfeervolle maar ook wat creepy studio-opnames van eerder in 1970, werken als rustpunten maar werken me ook een beetje op de zenuwen soms.
Over de lengte van de plaat heb ik een beetje mijn twijfels: als ik de plaat als geheel probeer te luisteren (wat natuurlijk niet verplicht is) dan merk ik dat ik het zo tegen ‘Funky Tonk’ wel een beetje beu raak. Bijvoorbeeld bij
Bitches Brew had ik minder dat gevoel. Ik ben er nog niet uit of ik de eerste helft van
Live Evil gewoon sterker vind, of dat dit een plaat is die ik beter in delen tot me kan nemen. Dat ‘Sivad’ en ‘Selim’ achterstevoren te lezen zijn, maar ‘Nem um Talvez’ niet, vond ik wel een beetje frustrerend, maar heeft geen invloed op de eindscore.