Een prima plaat van deze Gong muzikant. En als je Gong een beetje kent, dan herken je wel wat muzikale invloeden. Maar het is toch echt een plaat van Steve Hillage.
De productie is in handen van Todd Rundgren en hij heeft zijn groep Utopia meegenomen die Steve Hillage begeleiden. De invloed van Todd Rundgren is zeker qua productie redelijk aanwezig, maar daar is verder eigenlijk niet veel mis mee. De kritiek op de productie van Todd Rundgren is dat hij niet altijd de artiesten begrijpt. Op dit album is dat wat qua keuze van de songs, waardoor het een wat zwaarmoedig album is geworden. Hetzelfde was ook aan de hand bij Patti Smith's Wave volgens de criticasters. Persoonlijk heb ik daar een heel ander gevoel bij. De plaat begint met het hippie achtige 'Hurdy Gurdy Man' van Donovan waar een prachtig psychedelisch space nummer van gemaakt wordt met een goede gitaarsolo van Steve Hillage himself. Het tweede nummer Hurdy Gurdy Glissanda is door Steve geschreven samen met zijn Franse partner ,de zangeres en keyboardspeler Miquette Giraudy, die ook een rol heeft op deze plaat. Het is een nummer met heel veel Gong invloeden : tabla's, gezang, Steve Hillage die 'da blues' speelt tijdens de intro, een fantastisch ritme dat vervolgens invalt met een uitstekende baslijn, en Roger Powells mini-Moog solo die overgaat in vlammend gitaarspel. Het nummer is prima en verrassend - het eindigt met Steve Hillage die een bombastisch een melodie speelt als afsluiting. Een composities tussen het Canterbury genre en Space Rock in. Kant 1 (vinyl) sluit af met een kort eenvoudiger nummer van Steve Hillage, weer terug op aarde.
De tweede kant opent met 'Om Nama Shivaya', waarin Oosterse filosofieën en instrumentatie een prachtig muziekstuk inspireren. Van de chant en tambura (een instrument vergelijkbaar met een sitar) aan het begin tot Wilcox's complexe drumritmes aan het einde, is het nummer zeer aangenaam. Het volgende prima nummer van het album, 'Lunar Music Suite' is bijzonder goed, passend in de hippie tijden. Het nummer duurt net geen twaalf minuten en is wederom een steeds veranderende compositie met intense gitaarsolo's, trance-achtige synthpatronen en een bijna primitief drumritme. Het opzwepende tempo zakt echter al snel en vertraagt om plaats te maken voor een duistere riff met vreemde maatsoorten en fraseringen, die overgaat in een sereen gedeelte met avant-garde achtig trompetspel van jazzmuzikant Don Cherry. Het is echt muziek passend in de jaren 70 met veel experimenten en waarschijnlijk ook wel wat drugsgebruik.
Ook hier als laatste weer een korter nummer, dit keer een cover van George Harrisson.
Al met al een prima album, maar het is wel voor een beperkt select publiek.