“Propulsive and brutal, yet ambient and expansive… a clear and visceral climax that merits comparisons ranging from Godspeed to Neurosis to Swans to Agalloch.”
Dat is de mening van Stereogum, een website waarop onder andere nieuwe albumreleases onder de loep worden genomen, over deze eerste volwaardige plaat van Vattnet Viskar, een vierkoppig ensemble uit de Verenigde Staten, dat, zoals de bovenstaande omschrijving van Stereogum, en vooral ook de genoemde bands, zich vooral toelegt op het scheppen van een duistere sfeer. Dit jaar mogen we alvast niet klagen wat betreft de kwaliteit van hetgeen met name enkele Amerikaanse metalbands hebben uitgebracht, met Deafheaven als kroonjuweel. Vattnet Viskar moet echter niet bepaald ver achterblijven; ‘Sky Swallower’ is een monumentale, gevarieerde plaat geworden, en goed geolied geheel ook.
In 2012 brachten deze mannen al een EP op de markt, self-titled. Ik heb, na het beluisteren van de EP, dit album gewoon blind aangeschaft, want die EP is echt indrukwekkend. Bij nader inzien, in essentie misschien nog wel indrukwekkender dan de langspeler. Ik zeg “in essentie”, omdat ‘Sky Swallower’ natuurlijk wel enkele pluspunten kent ten opzichte van de EP; ten eerste is dit helemaal een afgewerkt product, waar de EP meer een probeersel is. Ten tweede is ‘Sky Swallower’ gekenmerkt door een zekere constante doorheen het album, waar op het eerste gehoor maar moeilijk doorheen te komen is, maar eens het kwartje valt, heb je hier ook echt enorm veel aan. Ik betrap me er, na plusminus 15 luisterbeurten, nog steeds op dat, met de ogen strak gesloten, de songs tegen mijn netvlies projecteer, en een huiveringwekkende film te zien krijg.
Er bestaat een zekere balans tussen hard en stil, en die is hier duidelijk terug te vinden. Vattnet Viskar is een band die als geen ander kan spelen met die twee uitersten; ze trekken de luisteraar langzaam naar zich toe, met een soms minutenlange, en dus zeer geduldige opbouw (voorbeeld bij uitstek: het ontzettend sfeervolle ‘Fog of Apathy’), om je dan genadeloos weg te katapulteren, het ijle in. In dat opzicht zijn ook de drie kortere nummers o zo typerend voor deze band; het zijn zeer goed gebouwde bruggen, over de breed uitgesmeerde modderpoelen die van de andere songs eilandjes maken. Enkel de oversteek van opener ‘New Alchemy’ en ‘Fog of Apathy’ lijkt op het eerste gezicht geen brug nodig te hebben, al zit die gewoon in het tweede nummer ingemetseld. Maar dat heb ik hierboven reeds vermeld.
Dat dit met veel gevoel is geconstrueerd, valt duidelijk te horen in ‘Monarch’; omdat ‘Fog of Apathy’ en ‘Breath of the Almighty’ enkele genuanceerde verschillen in geluidskleur vertonen, is dit korte stukje (een dikke minuut) welgekomen, en vanuit een bepaalde optiek zelfs noodzakelijk. ‘Breath of the Almighty’ is in wezen een spiegelbeeld van ‘Fog of Apathy’ (de eerste minuten zijn meteen behoorlijk hard, daarna volgt de rust, het instrumentale mijmeren), en ‘Monarch’ is het spiegelglas. Ook voor dat rustigere tweede deel wordt de nodige tijd genomen, om er dan nog een furieuze laatste minuut aan te breien. “Cut deep! Watch the signal rise! Collapse under the weight! Of silence!’
‘Ascend’ is dan weer een stukje muziek dat hardop lijkt te dromen, en als in een trance binnen dezelfde grenzen blijft, tegen de stille melancholie aan schurend. ‘Mythos’ haalt ons dan weer abrupt uit die droom weg, zowel instrumentaal als tekstueel. Nijdige gitaren, die lijken tegen te spartelen tegen de halfslaap; nijdige woorden ook, over het nodeloze vechten tegen de bierkaai. De ik-persoon loopt tegen een muur aan, beseft dat voor de volle 100%, en loopt er, nog met een wrang gevoel terugdenkend aan de vorige bikkelharde confrontatie (“Why waste my breath; prolonging the myth of hope?”) alweer tegenaan. En hoe sterk de woorden ook mogen klinken; dit nummer kent zijn beste momenten als het er volledig instrumentaal aan toe gaat. De heerlijkheid zit ‘m ook voor een stuk in de herhaling; bepaalde stukjes worden alsmaar herhaald, waardoor het nummer iets intrigerend krijgt. En ook hier is de timing perfect; net voordat het wat te lang zou gaan duren, worden de accenten verlegd, en wordt er toegewerkt naar een climax (of anticlimax).
Na een korte onderbreking (ik vind ‘As I Stared into the Sky’ persoonlijk een veel interessantere onderbreking dan het gemiddelde reclameblok) zet de band slotsong ‘Apex’ in. De vocalen van Nicholas Thornbury zijn ook hier (al had ik het nog niet eerder vermeld) krachtig en onrustwekkend; alsof hij daadwerkelijk één of andere sinistere preker is. De teksten liegen er dan ook niet om. In het tweede deel van de song zit ik wel te wachten op een soort van climax, die er dan niet komt. Misschien niet enorm bevredigend, maar ook zeker niet gangbaar; het strijkt tegen de haren in, en dat mag ik wel. Zo kent dit korte, maar op verscheidene vlakken intense album een apart einde, geheel in overeenstemming met zijn karakter.
De cover art is ook de moeite waard, en ik maak met plezier wat “reclame” voor de kunstenaar, Bryan Proteau. Hij heeft een sobere doch intense stijl, wat ook tot uiting komt in de achterkant van de hoes, een mooie tekening van een gigantische vrouw, gebaseerd op “The Giant” van de Spaanse kunstenaar Francisco de Goya.
4 sterren