Eigenlijk is het niet eerlijk: eerst het UFO in de periode met gitarist Michael Schenker horen en pas jaren later de eerste twee platen met Mick Bolton. Je vergelijkt dan namelijk automatisch de “arenarock” van midden jaren ’70 met de experimentele spacerock die rond 1970 in de mode was. Je vergelijkt riffs met experimenten. Het gebeurde ook deze fan bij dit debuut, simpelweg
1 genaamd.
Dankzij cd en later streaming is dit antieke en obscure album, dat indertijd genadeloos flopte (in Duitsland en Japan wel succes volgens Wikipedia), nu makkelijk te vinden. De eerste keer dat ik
1 hoorde was ik ‘m snel zat: te freakerig, te weinig lijn. Maar als ik ‘m dan maanden of jaren later weer eens afspeelde steeg ie steeds iets in waardering.
Om de plaat te begrijpen moet je ‘m in context zetten. Het waren de jaren dat de gitarist een halfgod werd, die de nog onbekende mogelijkheden van de elektrische gitaar en nieuw uitgevonden effecten uitprobeerde.
Speel bijvoorbeeld de volgende vier nummers af in chronologische volgorde (vaak is een minuut al voldoende). Ze verschenen vóór UFO's debuut, de gitaristen tussen haakjes:
1967 Cream –
Strange Brew (Eric Clapton); 1967 The Amboy Dukes –
Baby Please Don’t Go (Ted Nugent); 1968 Iron Butterfly –
In-a-Gadda-da-Vida (Erik Brann); 1970 Mountain –
Mississippi Queen (Leslie West). Je hoort waar UFO/Mick Bolton de mosterd vandaan haalde.
Wat ook kan, is fragmenten van deze tijdgenoten beluisteren: 1970 Skid Row -
Mad Dog Woman (Gary Moore); Wishbone Ash -
Phoenix (1970, Andy Powell en Ted Turner); 1970 Black Sabbath -
Warning (Tony Iommi); 1971 Thin Lizzy –
The Friendly Ranger at Contarf Castle (Eric Bell); 1972 Scorpions –
I’m Going Mad (Michael Schenker). Je hoort er dezelfde experimentdrift als op de eerste twee albums van UFO. Met de gitarist centraal. Het is niet voor niets dat Bolton op de achterzijde van
1 prominent in het midden staat,
groter dan de andere drie.
Op
1 hoor ik op rustiger nummers als
Melinda de invloed van Cream dankzij z’n ingetogen wahwaheffect, op het onstuimige
Timothy de invloed van Iron Butterfly. Of vul zelf andere associaties in voor deze en andere nummers.
Daarbij klinkt tevens de invloed van oervormen als blues, r&b en jaren ’50 rock ‘n’ roll in
Who Do You Love,
Follow You Home en Eddie Cochrancover
C’mon Everybody. Net als bij The Amboy Dukes wordt een klassieker in een stevig jasje gestopt met daarbij een lange gitaarsolo.
Ontegenzeggelijk is het de hese stem van Phil Mogg die onmiddellijk herkenning oproept. Ofschoon het genre spacerock heette, bezingen zijn teksten meestal liefde en lust: mooie meisjes en de plannen daarmee. Maar qua muziek klinkt wel degelijk spacerock: het is niet voor niets dat bassist Pete Way veel melodieuzer klinkt dan vanaf 1974 het geval was, variatie biedend bij de uitgebreide gitaarsolo’s. Drummer Andy Parker ventileert regelmatig vreemde escapades, heel anders dan de sobere basis die hij later zou leggen.
Hier en daar worden enkele geluidseffecten toegevoegd, zoals aan het einde van
Melinda, waarin het omgekeerde geluid van een piano en pistoolschoten klinken. Dat Bolton een aardig moppie kon spelen, behoeft geen betoog: het album drijft erop.
Is dit een fantastisch album? Nee. Ik heb meer met riffs. Maar ik heb ze slechter gehoord in dit genre, zoals het tweede album van Thin Lizzy, waar het niet goed werkt.
Voor de geïnteresseerde: draai
1 af en toe, al is het maar één plaatkant (track 1-5 of 6-10). Geleidelijk zul je aan deze stijl wennen en ontdekken dat het nodige valt te genieten. Mijn favorieten: het instrumentale
Unidentified Flying Object,
Boogie,
Melinda (Mogg zingt hier al zo mooi!) en de opener van kant 2
Timothy, over een vreemd persoon van onbekende oorsprong. Deze nummers doen mijn UFO-playlist prettig starten, als album een krappe zes.