Soledad
Met: Nathan Davis (tenor saxophone, soprano saxophone, flute), Hampton Hawes (piano), Jimmy Garrison (bass), Art Taylor (drums)
Over ondergewaardeerde muzikanten gesproken: Nathan Davis is er zeker één. Zijn platen zijn nauwelijks te krijgen en reissues zijn zeldzaam. Anderzijds is hij wel weer heel erg geliefd bij een kleine maar fanatieke kern liefhebbers. En zo bracht het Franse 'label' vorig jaar nog een peperdure 3LP set uit vol niet eerder uitgebracht werk. En die ging als warme broodjes over de toonbank.
Davis verbleef het grootste deel van zijn leven in Europa en dan met name in Parijs. Hij werkte daar samen met tal van andere muzikanten uit de VS die daar ook verbleven zoals Benny Bailey, Kenny Clarke en Mal Waldron. Het is een bijzonder eigenzinnige saxofonist die zich niet makkelijk in een hokje laat stoppen. Enerzijds staat zijn muziek zwaar in de traditie en hoor je invloeden van Dexter Gordon en Johnny Griffin. Anderzijds flirt hij graag met het vrijere werk en neigt hij soms wat naar postbop. Zijn eerste plaatjes voor MPS vond ik prima maar wel heel erg tam. Vanaf 1967 wordt het allemaal wat rauwer. In de jaren '70 neigt het weer wat meer naar funk/disco en daar raakt hij me weer een beetje kwijt.
Maar in deze periode was het een ontzettend creatieve en origineler speler. Voor deze plaat omringt hij zich met ware topmusici. De legendarische jazzdrummer Art Taylor behoeft geen introductie. Hij kan trouwens prima uit de voeten met zowel hele conventionele bop als met de wat spannendere vormen van jazz. Dan is er de gigant Jimmy Garrison op bas, die naast zijn werk met Coltrane niet zo heel vaak in andere settings te horen is. En de eigenzinnige Hampton Hawes, een (vooral hier op Mume) stevig ondergewaardeerde pianist die ik zelf ook nog verder moet gaan ontdekken.
De plaat gaat van start met een ode aan grootmeester Coltrane, die dat jaar overleed een zestal maanden voor deze opnames. Geweldig om te horen hoe de band bewust de sound van het klassieke kwartet neer probeert te zetten. Nathan Davis is zeker geen copycat maar brengt als ultieme vorm van eer een geweldige imitatie op gang. Hawes volgt zijn lijn en laat een prachtig stukje Tyner horen. Na deze swingende intro laten de heren Coltrane varen, al blijft zijn geest zeker enigszins aanwezig. Want A5, met Davis op sopraan, doet denken aan Coltrane's experimenten met Oosterse muziek en weerspiegelt ook wat van de geest van Yusef Lateef. Het is niettemin een uiterst exotische en originele compositie met uitstekend samenspel tussen de heren. Hawes speelt uitstekend in zijn totaal eigenzinnige stijl. En Garrison schittert er tussendoor met zijn heerlijke laidback begeleiding die nog meer ruimte schept aan de solisten.
Vervolgens swingt men erop los met het heerlijke, iets te korte Ahali The Painter. Heerlijk hoe rauw Davis hier speelt, met van die 'rolls' die de R&B saxofonisten deden in de jaren '40 zoals bijvoorbeeld Illinois Jacquet. De Oosterse sferen keren terug op 'Mandingo's Pad' waar Davis fluit speelt. Het is de zoveelste andere wending die de plaat neemt en dat houdt de boel lekker fris en interessant. Wederom laat de band reguliere begeleiding los en kabbelt men heerlijk voort op de polyritmiek uit Taylor's drumstel. De titelsong is dan weer een uiterst warme ballad met heerlijk zwoel spel.
Een veelzijdig en fascinerend plaatje. Niet makkelijk aan te komen maar zeker de moeite waard. Één van de meer creatieve saxofonisten binnen de reguliere jazzscene.