De twee albums die Kansas met zanger John Elefante maakte, waren de eerste die ik bewust meemaakte. Kort daarvoor had frontman Steve Walsh de groep verlaten. Terwijl ik hun vorige werk ontdekte, desintegreerde de groep. Hoofdcomponist en gitarist/toetsenist Kerry Livgrens soloproject AD groeide uit tot een band, waartoe in 1984 ook Kansas' bassist Dave Hope toetrad. Elefante vertrok eveneens en keerde terug naar Californië. Kortom,
Drastic Measures (1983) was Kansas' zwanenzang, de groep was opgeheven. Dacht ik.
Niet dus.
Toen ik
Power in december 1986 in een platenzaak zag staan, was ik volkomen verrast. Zijn ze er weer? De groep bleek nooit te zijn gestopt, al was ze vleugellam. Drummer Phil Ehart en gitarist Rich Williams waren achtergebleven, likten hun wonden, keken terug, rustten uit en kwamen tot een conclusie: wij zijn Kansas en we gaan dóór.
Ondertussen was Steve Walsh’ band Streets ondanks de hoge kwaliteit van de twee gemaakte albums geen succes geworden. De zanger hapte maar al te graag toe toen Ehart hem belde om terug te keren bij het moederschip. Hij nam uit die groep Billy Greer mee als bassist. Einde Streets.
Waarom men geen violist aantrok, weet ik niet. Robby Steinhardt was al vóór
Drastic Measures vertrokken en niet vervangen, waarmee één van de belangrijkste stijlkenmerken van de groep wederom ontbrak.
Voor Livgren werd een meer dan adequate vervanger gevonden. Steve Morse kende ik van Dixie Dregs, een voornamelijk instrumentale groep. vooral bekend van het nummer
Take it off the Top, in gebruik als slottune in de Friday Rock Show van Tommy Vance op BBC Radio 1.
De hoes was ook het bekijken waard, een stijlbreuk met voorheen. Op de voorzijde niet meer de baardmans van eerdere albums maar een kortharige, gespierde smid. Op de achterzijde zien we gitarist Rich Williams met plotseling een ooglapje en Walsh lijkt een vetkuif te hebben.
Power verscheen in hetzelfde jaar als
Reconstructions, de derde van Livgrens groep AD. Klinkt daar typische midden-jaren ’80 poprock, vergelijkbaar met Genesis in die dagen, bij Kansas knallen scheurende gitaren de speakers uit.
De plaat klonk voor mij als het logische vervolg op
Crimes in Mind van Streets. Je zou het ook kunnen zien als de stap na Walsh' vorige Kansas,
Audio-Visions. Hij is in dezelfde topvorm als op de tweede Streets, terwijl Kansas in de lijn van Streets stevige en geïnspireerde aor maakt. Dit in een sterke productie van Andrew Powell, geflankeerd door Ehart. Morse stelde zijn herkenbare shreddingstijl volledig in dienst van de sterke composities.
Dat het wat vlakke titelnummer reeds als tweede op het album staat, is jammer; iets verderop had het waarschijnlijk beter gepast. Dat meteen daarna ballade
All I Wanted komt, is evenmin een voorbeeld van slimme timing. Ondanks de zwoele keyboardtonen een prachtig liedje. En daarna domineren de gitaren van Williams en Morse. Genieten, genieten, genieten.
Walsh’ rauwe randje klinkt regelmatig. Ook hierboven lees ik het nodige sentiment naar het Kansas van de eerste albums, maar niemand noemt dat Walsh hier nog beter zingt dan toen. Bovendien bevat menige tekst een “minispeelfilm”. Boeiend om te volgen, zoals de verhalen in
Secret Service of
Tomb 19.
De meeste nummers werden geschreven door beide Steves, soms met andere groepsleden. De flitsende gitaarstijl van Morse geeft de muziek een frisse bries, zoals in de eerste tonen van het album met
Silhouettes in Disguise meteen duidelijk wordt. Geen violen, behalve in
Secret Service met meteen het Londense Philharmonic Orchestra, inclusief felle koperblazers en prachtige breaks. Het snelle
We're Not Alone Anymore sluit de A-zijde knallend af.
Opvallend is de opener van de B-kant. Het instrumentale
Musicatto draagt duidelijk het stempel van Morse en heeft een folkachtige melodie, vergelijkbaar met wat Gary Moore in 1979 deed op Thin Lizzy’s
Black Rose of in 1987 op soloalbum
Wild Frontier.
Het dampende stuk wordt gevolgd door het kleine, akoestische kleinood
Taking in the View met bovendien een charmant kinderkoortje. Het midtempo
Pretenders blijft onveranderd mooi, mede door de fraaie gitaarsolo, net als het uptempo
Tomb 19.
De afsluitende ballade
Can’t Cry Anymore bewijst dat dit soort liedjes helemaal niet saai hoeven te zijn, alleen al omdat Walsh zingt. Het is een cover van The Producers, een Amerikaanse new wave band dat het in ’85 op hun album
Run for Your Life zette. Maar de Kansasversie is krachtig, weet ik na het horen van het origineel op YouTube.
All I Wanted haalde in januari 1987 #17 in de Billboard Hot 100, Kansas' laatste hit tot de dag van vandaag.
Inmiddels is het een dikke 35 jaar dat ik dit album koester. Hij staat hier op vinyl én cd. Altijd pakken de muziek en verhalende teksten me weer. Bovendien is Morse met de rest van de groep ontzettend op dreef, Ehart bijvoorbeeld drumt weer eens de sterren van het firmanent. Daarbij spelen ze altijd in dienst van de liedjes, iets wat Morse later ook bij Deep Purple zou doen. Toch vind ik dit misschien wel zijn sterkste album, al heb ik ook voor zijn volgende album met Kansas een zwak. Op naar
In the Spirit of Things.