Ik kan nu toch stilaan gaan beweren dat Joe Henry één van mijn favoriete artiesten van de 21ste eeuw is. Ook in de jaren ’90 heeft hij enkele fraaie plaatjes gemaakt, maar toch vooral in deze eeuw, met onder andere ‘Tiny Voices’, ‘Scar’, ‘Reverie’ en vooral ‘Civilians’. En aan dat indrukwekkende rijtje heeft Henry nu ook ‘Invisible Hour’ toegevoegd; alweer een plaat die de luisteraar tot kroongetuige maakt van Henry’s onbetwiste vakmanschap, passie en zijn gave om excellente songs te smeden.
De albumhoes kan soms een weerspiegeling zijn van de inhoud van het pakje, en toen ik die onder ogen kreeg, wist ik dan ook dat het meer dan goed zat. Weer donkere, wat grauwe kleuren (ik herken er vaak een soort moedeloze hoop in), geen gebruik van hoofdletters. Het woordje songs op de achterkant tussen haakjes, met een witte, nieuwsgierige ezel waar de prikkeldraad dwars doorheen lijkt te lopen. Een illusie, uiteraard, maar welke van de twee is de illusie, de ezel of de draad? De hoes alleen al houdt me even zoet.
Goed, dat was een eerste indicatie. Laat de muzikale voorbode, ‘Lead Me On’, een tweede zijn, een forse aanwijzing in de richting van een geweldige plaat. Zoals één zwaluw nog geen zomer maakt, maakt ook één nummer nog geen plaat, maar de voortekenen waren er, net zoals goed drie jaar eerder, toen het erg mooie ‘Odetta’ (dat ik destijds helemaal plat heb gedraaid) het album ‘Reverie’ voorafging. Dat was toen een soort ode aan de folkzangeres Odetta, ditmaal krijgen we een wat lichtvoetig duet met de immer bekoorlijke Lisa Hannigan te horen. Het nummer doet me in de verte wat denken aan ‘Somethin’ Stupid’ van Frank & Nancy Sinatra, maar dan zonder de klefheid. Verder niets slechts over Sinatra, natuurlijk.
Een albumpie van 35 à 40 minuten hoef je van Henry niet te verwachten, en dat is voor sommigen onder ons misschien wel een reden om hem te weren, of toch wat minder hoog te waarderen. De beroemde spanningsboog, zullen we zeggen, blijft dan niet voor de volle duur overeind. Alleen, Joe Henry werkt niet met een spanningsboog. Hij hoeft dat in mijn ogen niet te doen, omdat hij één van die songsmeden is die louter met woorden een luisteraar als ik al een goed uur weet te boeien. Neem nu bijvoorbeeld ‘Sign’, waarop Henry rustig z’n tijd neemt, en in goed 9 minuten een fascinerend verhaal vertelt. De instrumentale ondersteuning is bovendien ook fantastisch, een combinatie van verschillende instrumenten die elk hun eigen rol spelen (de akoestische gitaar van Henry die de basis legt, samen met de bas en wat spaarzaam drukwerk nu en dan; een flukse klarinet; de mandoline). Het nummer begint al met de mooie, poëtische zinsnede “I was born in Montreal; A winter’s slip that bloomed in fall”, wat slechts de opmaat is voor één van de beste nummers van het jaar.
Henry zegt in zijn liner notes dat al deze songs misschien nog het meest van al over het huwelijk gaan, “marriage as a verb, not a noun” – over alle aspecten en de vreemde aantrekkingskracht van dit toch wel bloedserieuze verbond. Specifieke verwijzingen hiernaar heb ik niet meteen teruggevonden in de teksten, maar het gaat ‘m meer over het grote geheel, denk ik. Joe Henry is er ook niet de man naar om recht voor de raap te spreken, en verhult zijn ideeën, gevoelens en gedachten meestal in een stralend kleedje van poëzie en metaforen. Al vind je in het themanummer misschien nog wel een vrij duidelijk verwijzing terug:
“Oh, I’ve come back to plead and dance;
To forgive us both all in advance.”
Dit lijkt me een variant op de huwelijksgelofte, maar het is voor mij ook maar gissen en interpreteren, natuurlijk. Ieder maakt er, zoals zo vaak, toch het zijne van. Van elke versie bestaan er miljoenen versies.
Af en toe moet ik ook aan andere artiesten denken, hoewel Joe Henry zeer herkenbare en eigen muziek maakt. Twee namen: Laura Marling en Elvis Costello. Niet de meest voor de hand liggende namen, waarschijnlijk, maar sta me toe om dit even toe te lichten. Het wervelende gitaarspel in ‘Grave Angels’ doet me namelijk wat denken aan een nummer van Laura Marling (kan er niet meteen opkomen, vermoedelijk een nummer op ‘A Creature I Don’t Know’). Diezelfde jongedame komt mijn gedachten nog eens binnenzweven bij ‘Every Sorrow’, met alweer zo’n gitaarriedel die me aan haar doet denken. Bovendien doen vers 2 tot en met 6 van elke strofe me qua intonatie erg aan Elvis Costello denken, zoals bijvoorbeeld het onderstaande fragment:
“Memories of the cold Decembers;
Tramples roses, cloves and embers;
Gone the shadows deep divisions;
That trade on hopes with steep conditions.”
‘Alice’, het kortste nummer op de plaat, is, volgens het CD-boekje, opgedragen aan Alice Munro, oftewel de winnares van de Nobelprijs voor de Literatuur 2013. Ik kan, als leek wat het werk van Munro betreft, geen linken leggen, maar kan wel zeggen dat het, in al z’n eenvoud, ergens in mij iets losmaakt, waar ik de vinger niet goed op kan leggen. De tekst is ogenschijnlijk simpel, een beetje nietszeggend, zou je zelfs kunnen denken, maar Henry zingt het met zulk een gevoel, dat ik er elke keer weer intens van kan genieten. Als ‘Alice’ een ode is aan Alice Munro, laat deze alinea dan gerust een ode zijn aan Joe Henry.
Niet alleen Henry verdient lof op deze plaat, natuurlijk. Ik vernoemde eerder al Lisa Hannigan, die er zeker voor de helft voor verantwoordelijk is dat ik ‘Lead Me On’ zo knap vind, en die ook meeschreef aan de tekst van het titelnummer. Ook klasse-muzikanten als Greg Leisz (een befaamd sessie-muzikant, eerder ook al op o.a. ‘Civilians’ van de partij) en vaste waarden Jay Bellerose (drums), David Piltch (upright bass) en Levon Henry (klarinet en saxofoon, en tevens de zoon van Henry met zijn vrouw Melanie Ciccone, jawel, de zus van Madonna) doen hier hun spreekwoordelijke duit in het zakje. Tot slot moet ik ook zeker The Milk Carton Kids vermelden, die met hun – soms wat bevreemdende – achtergrondzang de nodige accenten verleggen. Goeie zet van Henry!
Maar natuurlijk komt de hoogste eer Joe Henry te beurt. Een groot deel van de mooie, grauw-melancholische foto’s die in het CD-boekje te vinden zijn, heeft hij zelf geschoten, waaronder een machtig beeld van een boom met ontzettend veel vertakkingen.
In afsluiter ‘Slide’ wordt er op een serene, rustige manier afscheid genomen van de luisteraar, beginnend met een vermaning (“Oh, cursed morning; who told you to rise?”), voortzettend met een aanmaning (“Oh, take my shoulders; and square them to the wind.”) en afsluit met voldongen feiten (“We’re dying to be other; but we’d kill not to become.”).
En, over de Nobelprijs Literatuur gesproken; in het CD-boekje draagt Henry zijn album ook nog op aan Seamus Heaney, een Noord-Iers dichter die de prestigieuze prijs won in 1995, en onlangs overleden is.
Dedicated to the memory of Seamus Heaney, who stood not only as Ireland’s “national lighthouse” but as a beacon to all of us skirting stones in rough water at the border of our hearts and minds – a division uncharted, unguarded, and ever-shifting. The treacherous beauty of that crossing is where we meet and abide and suffer and love, the man knew, and he kindly told us so.
Ik ben niet gelovig, maar: Amen.
4,5 sterren