In 1977 verlieten gitarist/zanger Bob Johnson en violist/zanger Peter Knight (hier: Pete) – naar later zou blijken tijdenlijk – Steeleye Span om te werken aan een solo-project: een album gebaseerd op het sprookje
"The King of Elfland's Daughter" van Lord Dunsany.
Steeleye Span had in deze periode al veel moeite om het hoofd boven water te houden in tijden van grote muzikale veranderingen, dus veel slechter had dit project niet getimed kunnen worden. Dit album is namelijk werkelijk alles wat uit de mode raakte: folkmuziek, een conceptalbum, luchtigheid en een verzameling zangers en zangeressen die wel competent zijn, maar die in 1977 vooral has-beens waren (al zou Frankie Miller het jaar erna nog een top 10-hit scoren).
Het helpt ook niet dat het album zelf niet helemaal aan de verwachtingen voldoet. Het verhaal is af en toe lastig te volgen – wat volgens mij vooral komt door het wazige verhaal en de nummers zijn instrumentaal niet heel interessant, het zijn toch vooral vehikels voor de teksten.
Op “The King of Elfland’s Daughter” is ervoor gekozen om elk karakter door een andere vocalist te laten vertolken. De resultaten zijn heel wisselend. Zo is Christopher Lee bijvoorbeeld een uitmuntende verteller maar zeker geen geweldige zanger. Chris Farlowe daarentegen is een uitstekende blueszanger, maar hij misstaat hier ernstig in de opener. Ook van de andere mannelijke zangers ben ik niet echt kapot, zeker Frankie Miller als Alveric bakt er weinig van.
Gelukkig kunnen de twee zangeressen de plaat nog enigszins redden. P.P. Arnold is vertrouwd goed op Witch en Mary Hopkin schittert op Lirazel (en iets minder op Beyond the Fields We Know). Bob Johnson en Peter Knight nemen zelf helemaal geen vocalen voor hun rekening, al hadden ze dat wellicht beter wel kunnen doen.
Al met al is “The King of Elfland’s Daughter” geen geweldig album geworden, verre van zelfs. Of een betere uitwerking bij het uitkomen tot meer succes zou hebben geleid, is overigens maar zeer de vraag. Wel is het opvallend dat een album dat toch redelijk hetzelfde stramien volgt een jaar later een daverend succes werd: Jeff Wayne’s War of the Worlds. Maar ja, die plaat sloot dan ook veel beter aan de bij de tijdgeest.
Overigens: op mijn cd-uitgave uit 2007 is de kwaliteit van het laatste nummer zeer matig, met veel gekraak. Heel merkwaardig want de rest van het album heeft daar geen last van.