Om maar meteen met de deur in huis te vallen (iets wat Glaciation helemaal niet doet, overigens): dit is een geweldige plaat. Veel meer uitleg hoeft eigenlijk niet eens; gewoon luisteren! Maar omdat ik, eens ik in een enthousiaste bui ben, wel ‘ns een wat pittigere mening durf te poneren, zal ik hier eindelijk ‘ns een stukje aan wijden.
Glaciation is een Franse metalband, bestaande uit 5 leden, waarvan enkel de naam Winterhalter (drummer) een belletje deed denken. Die ken ik namelijk van vooral Alcest en Les Discrets (en hij heeft ook even bij Peste Noire gezeten). Enig opzoekwerk leert me dat ook Indria Saray (bassist) bij Alcest actief is. Het mag dan ook niet verrassen dat de grootste naam een gast is; Neige. Genoeg schoon volk dus, maar dat betekent niet altijd dat je automatisch een sterk album hebt.
‘Sur les Falaises de Marbre’ is echter een driepunter zoals ik ze al eventjes niet meer in de korf heb zien belanden. Zowat het gehele plaatje klopt, van de dynamiek over de schitterende gitaarriffs tot de rake vocalen van een kerel genaamd RMS Hreidmarr. Het twaalf minuten durende, bloedmooie ‘Les Fiancées Sont Froides’ breekt al, na een intrigerende intro (hoor ik daar bijen- of wespengezoem?), meteen de ban. Het gepolijste geluid dat Alcest steeds meer tentoon begint te spreiden, galmt hier vaag na, en geeft de rauwe ondertoon een melancholisch tintje. De afwisseling houdt het nummer constant boeiend, zonder “too much” te gaan worden. De gasten van Glaciation hebben alles onder controle, rond de negende minuut barst een schitterend, onweerachtig refrein los, dat uitmondt tot een steeds wederkerend mantra:
“Ni tristesse, ni colère mais l’ennui;
Ni la vie, ni la mort mais la nuit.”
Vanitas, met een duistere strik errond.
Waar het openingsnummer rustig op gang komt en de luisteraar kortstondig de illusie geeft dat hij nog kan ademhalen, nijpt ‘La Mer, les Ruines’ meteen de strot dicht. De snedige gitaarriffs en drums zorgen voor een perfecte ondersteuning van de tekst (“GLORIA! GLORIA!”). De climax die rond de derde minuut in vol ornaat tot bloeit, staat in schril contrast met het zweverige, spookachtige toetsenwerk van François Duguest (wat in het CD-boekje heel mooi “Claviers” wordt genoemd). Ook in deze song wordt uiteindelijk ademruimte geboden, maar weer is het tijdelijk, schijn; je weet namelijk dat er nog veel geweld op je zal afkomen. De schitterende outro (weer die toetsen!) zorgt voor een mooie brug richting het volgende nummer.
‘Le Soleil et l’Acier’ begint met een gitaar die zich van de rest weet te onderscheiden, en duidelijk op het voorplan treedt, tot Hreidmarr het overneemt en zijn ruwe vocalen in het uitspansel gooit. De break is wederom verbazend, en weet me vreemd genoeg weer te verrassen. Waarom dat vreemd is? Wel, omdat dat het sterke punt van deze band blijkt te zijn; dynamiek en afwisseling. Dat ze het dan toch steeds presteren om verrassend uit de hoek te blijven komen, maakt deze plaat tot een zeer straffe stoot.
En dan moet het prijsnummer nog komen (in mijn ogen, dan toch), aangekondigd door het gezoem van de eerste minuten; ‘Kaputt’. Moest het één van de mindere broeders geweest zijn, had ik kunnen zeggen: “Goede song, maar ik ben er niet kapot van”. Dat is echter helemaal niet het geval, wel integendeel. Het duurt niet lang alvorens de hele song in stukken wordt gescheurd door een nietsontziende gitaarriff, even verder vergezeld door Hreidmarr. De dynamiek waarover ik het eerder had, is in dit nummer het sterkst aanwezig, volgens mij. Die climax die begint tussen minuut 2 en 3, en later nog wat straffer terugkeert, is onthutsend mooi, en ik moet soms zelfs denken aan Enslaved (zowat de Koningen van de Dynamiek). Telkens ‘Kaputt’ is afgelopen, zit ik er overdonderd bij, ongelovig zelfs, alsof wat ik net gehoord heb je reinste fictie is, gecreëerd in het diepste binnenste van mijn ego. Het is één van die songs waarmee ik me kan vereenzelvigen, waarin ik voor de volle honderd procent geloof en kracht uit put.
Naar het einde van de song worden de instrumenten één voor één naar de achtergrond verdrongen, waarna uiteindelijk enkel Winterhalter nog blijft doormeppen. De saxofoon die ‘Cinq’ inzet, liet zich in ‘Kaputt’ aan de goede verstaander ook al horen, maar klinkt – grappig genoeg – kapot. Ik moet toegeven dat ik van dit intermezzo in eerste instantie niet weg was, maar ondertussen zie ik het als een klein, maar essentieel deeltje van het geheel, en zet het de loutering, die in ‘Kaputt’ reeds was ingezet, voort. Een klassiek orkest klinkt ergens ver weg op de achtergrond, door een dun laagje ruis; de wind waait, maar doet niet erg veel moeite om op te vallen. De pellen vallen losgeweekt en langzaam op de grond.
De plaat wordt afgesloten door het titelnummer, waarop dus een bijdrage van Neige te horen is. Klinkt helemaal logisch, want als er één song op dit album de spirit van Alcest in zich heeft, zal het deze afsluiter wel zijn. Natuurlijk is de immer weemoedig klinkende stem van Neige uit de duizenden te herkennen, maar ook de gitaar lijkt te mijmeren, en Winterhalter is achter zijn drumstel zachtjes aan het indommelen. Ik blijf het toch an sich het minste nummer van het album vinden, maar op een eigenaardige manier klopt het toch ook weer. Na al dat geweld en de razernij, volgt de catharsis. De song is in feite niet echt een song, eerder een hele lange outro, ontdaan van al zijn gewicht, als een muzikale synthese. Associaties met de titel van Milan Kundera’s beroemdste roman, ‘De Ondraaglijke Lichtheid van het Bestaan’ (mijn Tsjechisch is niet je dat), dringen zich op. Uiteindelijk krijgt de outro aan de coda een eigen outro, die stilletjes wegdeemstert.
Op de hoes zie je, in sfeervolle zwart-wittinten, een panoramagezicht waarop een weg van boven aan een ruïne naar het dal leidt. Dante’s Inferno, maar dan omgekeerd; hoe dieper je het dal ingaat, hoe gemoedelijker het eraan toe gaat.
Glaciation is een band waarvan we hopelijk nog veel gaan horen. Met ‘Sur les Falaises de Marbre’ hebben ze een schitterend debuut uitgebracht, dat ik nog met de regelmaat van de klok zal laten draaien in mijn CD-speler, en absoluut tot het strafste van 2015 behoort. Betoverend.
4,5 sterren