Het debuut van het Friese Kjeld is ondertussen alweer elf jaar oud. Ik heb de band pas een paar weken geleden ontdekt via het laatste album Ôfstân. Vandaar dat ik er nu even over begin. Met terugwerkende kracht valt er wel vast te stellen dat Kjeld niets aan haar geluid of stijl heeft willen veranderen. Kjeld legt zich to op klassieke Scandinavische 2nd wave black metal maar bedient zich daar wel bij van een oorlogszuchtig hifi-geluid. Het stijlconservatisme wordt ruimschoots gecompenseerd door spanning en het vernuft dat in de afzonderlijke nummers verweven wordt.
De Tiid Hâldt Gjin Skoft is dus de titel van de eerste EP. Twee nummers die tezamen een dik kwartier duren, nemen je mee in de folkloristische wereld van de lokale, onheilspellende sagen uit vervlogen tijden. De Friezen zijn meesters in het optuigen van een dreigend sonisch decor waarbinnen de kobolden en de witte wieven hun clandestiene wegen zoeken.
Het titelnummer is echt bad ass met zijn waanzinnige opbouw, killerriffs en vikinggalmzangintermezzo. We horen hier allerlei bekende invloeden voorbijkomen van Borknagar tot Satyricon en dat is toch wel genieten hoor. Want die bands zijn allemaal andere wegen ingeslagen. Het navolgende Ivich Libben blinkt uit door zijn ijskoude,melancholische aspecten die vanwege het slepende baswerk wel een beetje aan de pagan/folk dingetjes van toen raken om de argeloze luisteraar vervolgens weer te verzwelgen in donderend blastgeweld.
Het is een verbluffende EP waaruit blijkt dat als je je schrijverstalenten maar goed genoeg weet te benutten, het lang niet altijd nodig is om oude grenzen te overschrijden en nieuwe te vinden.