“Back in Line” geldt – voor zover mij bekend – als het slechtste album van de band. Het is voor mij het laatste studio-album dat ik leerde kennen, en het ontbreken ervan in de box met Chrysalisalbums is daar wel enigszins debet aan geweest. Waarom het album in die box ontbrak: geen idee, maar misschien had de publieke waardering er iets mee te maken.
Zes jaar nam de band vrijaf na het onsuccesvolle “Sails of Silver” en mede-oprichter Tim Hart stopte zelfs helemaal met het maken van muziek. Midden jaren ’80 was het folkklimaat weer enigszins in opkomst, maar dan toch eerder voor bands in de stijl van The Pogues dan voor de dino’s van Steeleye Span. Hun Blackleg Miner was echter veel gedraaid naar aanleiding van de vele stakingen in de jaren ervoor, dus de band had de hoop dat er weer voldoende belangstelling zou zijn voor een nieuwe plaat, met een geüpdatete sound.
Opener Edward is het slechtste dat de band ooit gemaakt heeft – enkele minder geslaagde grappen op eerdere albums wellicht uitgezonderd. De klinische synthesizerfolk met vocalen van Bob Johnson, toch al niet de meest begaafde zanger van de band, gaat nergens heen en duurt ook nog eens ruim zes minuten. Volstrekt onbegrijpelijk dat dit nummer in deze vorm op het album terecht is gekomen.
Het voordeel van zo’n beroerde opener is wel dat daarna alles meevalt. Isabel bevat goed zangwerk van Prior, Rick Kemp’s Peace on the Border is een prima compositie en de geüpdatete versie van The Blackleg Miner (riep iemand funk?) heeft zijn charmes. White Man is in de basis zelfs een topnummer, met geweldige zanglijnen – behorend tot de beste uit de bandgeschiedenis.
Het grootste probleem van “Back in Line” is misschien nog niet eens dat de helft van de nummers sowieso al niet al te best zijn (of in het geval van Edward zelfs ronduit slecht). Erger is dat ook de goede nummers niet goed uit de verf komen door de combinatie van productionele keuzes (nu moet ik daarbij zeggen dat ik sowieso niet dol ben op veel jaren ’80-producties) en het gebruik van de synthesizer – gastmuzikant Vince Cross speelt op minstens vier nummers mee. Net zo storend is echter het ongelooflijke saaie drumwerk van Nigel Pegrum, dat zowel Peace on the Border als Take my Heart om zeep helpt en de overige nummers ook geen goed doet (met uitzondering van Cannon by Telemann – daar is hij sowieso niet op te horen want daar speelt Peter Knight alle instrumenten).
“Back in Line” is wat mij betreft inderdaad de zwakste plaat van Steeleye Span. Enkele nummers zijn waarschijnlijk nog wel te redden met een nieuwe opname, maar sowieso zit de band hier niet echt op de toppen van zijn kunne. Het zou drie jaar duren voordat de band weer een plaat opnam en nog wel langer voor er weer een echt goede plaat werd gemaakt.