Met: Lee Morgan (trompet); Pepper Adams (Baritonsax); Bobby Timmons (piano); Paul Chambers (bas); ‘Philly’ Joe Jones (drums)
Ik heb het wel eerder ergens geroepen, maar een voordeel van een reis maken door de vroege Blue Note-platen van Lee Morgan is zeker met hoe veel verschillende interessante muzikanten hij speelt. Dit keer wordt de voorspelbare bassist Paul Chambers vergezeld door Jones, dan nog net zijn maatje in de ritmesectie van Miles Davis (opnames dateren uit september 1957, Lee morgan is nog steeds pas negentien!). Verder horen we Morgans latere Jazz Messengers maatje Bobby Timmons op piano, en Pepper Adams, die ik zelf vooral ken van
Blues and Roots van Charles Mingus, één van mijn favoriete albums.
Het gebruik van een baritonsax zorgt voor een fijn contrast met de hoge registers van Morgan, maar het is ‘Philly’ Joe die direct de openingstrack, een stampende vertolking van ‘A Night in Tunesia’ naar zich toetrekt, en eigenlijk het hele album. Dat bestaat uit: veertig minuten stomende hardbop, waarbij de drummer de boel vooruit ramt en de blazers tot uitstekende solo’s drijft. Het enige rustpunt, ‘Lover Man’, is op viervijfde van de plaat dan ook hard nodig. Ook is dat het enige moment waarop Timmons echt kan schitteren, op de overige tracks verdrinkt hij soms een beetje tussen het gebonk en getoeter.
Drie standards en twee eigen composities zorgen voor een meer dan aangename hardbopsessie (het songbook van Benny Golson, de laatste twee platen nog hofcomponist van Morgan, wordt hier met rust gelaten). Ik heb de indruk dat, vooral sinds de
Tone Poet-release, dit album steeds meer als één van Morgans absolute krakers wordt gezien. Zelf vind ik: Morgan maakt als trompettist duidelijke stappen, en het spelplezier knettert en spettert. Heel veel beter of slechter dan zijn vorige platen vind ik het niet, maar vier sterren kan ik er zeker aan kwijt. Of ik het op Tone Poet zou aanschaffen (duur!) betwijfel ik.