Midden mei is Paul Bley in het land, vandaar dat ik langzaam maar zeker enkele recente solo-albums van de man wil gaan verkennen. Zijn meest recente opname bundelt 4 lange composities, waarvoor jazz-kenners Richard Cook en Brian Morton in hun
Penguin Guide de volle pond geven.
Wie nog niet vertrouwd is met het idioom van Bley, kan de man herkennen aan zijn hoekige, flitsende spel dat ieder moment van richting kan veranderen. Die kenmerken worden de man wel vaker toegedicht, en wie
‘Nothing to Declare’ beluistert kan Paul Bley inderdaad plaatsen als een kubist, die met scherpe en welomlijnde stoten aan het improviseren slaat.
Eerlijk gezegd had ik me bij Bley een pianist voorgesteld die von Schlippenbach-gewijs de absolute vrijheid in duikt, maar zelfs op hoog-bejaarde leeftijd lijkt het hem veeleer te draaien om een funky, diep geworteld soort jazz. Niet voor niets heeft hij ervaring opgedaan in grotere (elektronische) bezettingen of bop-formaties: op
‘Nothing to Declare’ horen we iemand aan het werk die de traditie herkauwt tot een eigen vorm, waarin een grote verscheidenheid aan roots resoneren.
Zijn puntige stijl sluit een grote dosis lyriek echter niet uit, en dat maakt Paul Bley zo’n interessante verschijning. De man murmelt zelf zijn korte, melodische lijntjes mee op de achtergrond (zoals Keith Jarrett, inderdaad), vooraleer ze zelf te onderbreken en het over een lichtjes andere boeg te gooien.
‘Nothing to Declare’ is zeker een fijne kennismaking, maar toch staat Bleys spel wat mij betreft op losse schroeven. Zijn zoete linkerhand legt stilletjes ostinate bassen neer, terwijl zijn composities een steviger onderbouw verdienen. Bley verkeert op die manier misschien wel in de mogelijkheid om snel iets anders te gaan doen, maar zuigt de luisteraar bijgevolg niet altijd mee in zijn hersenspinsels.
‘Nothing to Declare’ schotelt ons een solide achtbaan voor, doorheen verschillende tableaus met enkele gemeenschappelijke kenmerken. Alleen had het album nog een stuk straffer gekund…
