Bijzonder fijn plaatje van Matthew Shipp's kwartet op het Thirsty Ear label. Het fijne van dat label is dat de sound haast als een thuiskomen voelt als je meer platen van dat label uit die tijd kent. Een soort elektronisch achtergrondgeluid met kenmerkende trompetklanken maken dat het aanvoelt als een warm deken. Een geluid dat ook de albums van bijvoorbeeld Spring Heel Jack uit die tijd kenmerkte. Het kwartet van Shipp bestaat hier, naast Shipp zelf, uit goede vriend en ''frequent flyer'' William Parker, Roy Campbell en Gerald Cleaver. Normaliter is Whit Dickey de drummer van dienst op Shipp's albums, maar in de eerste helft van de 00's koos Shipp vaker voor Gerald Cleaver - een moderne drummer met duidelijke bop roots, hetgeen een hoop ruimte biedt aan Shipp en Campbell om erop los te soleren. Dat gebeurd dan ook naar hartenlust.
Shipp is hier natuurlijk bandleider, dus verwacht een hoop aandacht voor de piano. Dat betekend echter niet dat er weinig ruimte is voor andere individuen. Integendeel. Vooral Roy Campbell pakt de spotlights met zijn op Lee Morgan geïnspireerde trompetsolo's. Op Gesture in het bijzonder komt hij direct uit de startblokken geschoten met een knetterende en adembenemende solo om daarmee de geest van wijlen Lee Morgan op te wekken. Maar ook op de door Parker en Cleaver voortgestuwde titeltrack pakt hij uit met subtiel gevoelig spel. Op Visions en Prelude to a Kiss (deze laatste als solopiano) neemt Shipp geïnspireerd over van Campbell. Eerst op Visions met een aantal opgewekte passages; vervolgens streelt hij op Prelude to a Kiss (een compositie van de Duke) ingetogen de piano als zacht respectvol eerbetoon aan Ellington. Ondertussen durft het kwartet zich halverwege ook te wagen aan het Vader Jakob - om na het traditionele pianoritme compleet te ontsporen in een vlaag van razernij waarop Parker en Cleaver het uiterste vragen van hun instrumenten (Parker gaat eventjes goed met een strijkstok los op zijn contrabas).
Op Progression en een prachtcompositie als Merge trekt het kwartet meer samen op en blijkt weer eens hoeveel chemie Parker en Shipp met elkaar hebben. Op Merge bijvoorbeeld spelen Shipp en Parker tegelijkertijd bijzonder complexe passages waarbij haast niet te onderscheiden is wie nu de leiding neemt en wie nou precies aan het soleren is. De twee voelen elkaar zo goed aan dat zelfs de meest complexe stukken bijzonder comfortabel voor het oor zijn. Een goede keuze om Campbell's trompet op Merge even niet in de mix te gooien als Parker en Shipp dusdanig los gaan. Campbell krijgt daarna de kans om van Parker's bordje te eten op Inner Order en de twee heren leveren daarop samen vakwerk af. Matthew Shipp besluit het album met een solocompositie.
Piekfijn werkje. De mensen die eens in het echte jazzwerk van Matthew Shipp willen stappen kan ik aanraden om hier eens mee te beginnen.