Op papier natuurlijk een van de meest interessante collaboraties ooit in de wereld van experimentele (improvisatie-)muziek. Vier legendes op leeftijd uit diverse muzikale scholen die (voor het eerst in deze samenstelling) samen komen tijdens een driedaags Italiaans festival ter bemoediging van experimentele muziek in 2011.
Roscoe Mitchell en Wadada Leo Smith komen oorspronkelijk uit de freejazz sector en zijn bekende namen uit de hoogtij-jaren (late 60's, early 70's) van dat genre. Ze komen ook beiden voort uit de AACM-vertakking van het genre. Sterker nog; zij bevonden zich direct vanaf het ontstaan van deze beweging te midden van het gebeuren als zijnde de grote vernieuwers. Deze plaat kun je dan ook goed plaatsen in het verlengde van diezelfde jazzbeweging waarin jazzcomponisten werden aangemoedigd om vrij te denken omtrent wat het begrip ''jazzmuziek'' inhoudt (of dit begrip juist los te laten) en te experimenteren met Europese postmoderne (kamer)muziek, doch ook met Afrikaanse - meer tribale - muziek. Muziek in welke diverse instrumenten met elkaar, of/alsook met de luisteraar, in dialoog treden.
Pauline Oliveros (reeds overleden in 2016) was een artieste die uit een heel andere richting kwam. Zij kwam meer uit de post-moderne school en was een invloedrijke naam binnen de elektronische avant-garde muziek. Ze was in de jaren 50 en 60 bijvoorbeeld actief met tape/sound manipulator Morton Subotnick en leerde ondertussen veel van muziek door actief naar John Cage en Terry Riley te luisteren. Later zou ze die invloeden in de praktijk toepassen op haar eigen opnamen waarop ze haar accordeon-sound manipuleerde (met bewerking van tape-opnamen, en door haar accordeon aan versterkers te hangen en zo met toonhoogtes te ''klooien'') en liet dronen. Zo probeerde ze, geïnspireerd door de stilte van de natuur en haar aangeleerde meditatietechnieken, een vorm van transcendentale ''deep listening'' te creëren.
John Tilbury sluit ietwat meer aan op Oliveros in de zin van dat ook hij oorspronkelijk uit de post-moderne school komt, maar Tilbury experimenteert meer op de klassieke manier door middel van dissonant (geprepareerd) pianospel. Hij is vooral bekend van vrije interpretaties van werk van Morton Feldman en John Cage, maar heeft bijvoorbeeld ook samengewerkt met freejazz legende Evan Parker. Zijn pianospel voelt vaak 'gebroken' en minimalistisch aan en doet mij vaak denken aan Derek Bailey's gebroken gitaarspel. Dat hij nog weleens met AACM-muzikanten neigt samen te werken is zodoende, ondanks zijn andere achtergrond (of misschien juist wel dóór zijn achtergrond), geen raadsel.
Dat geeft uiteindelijk deze line-up:
Solisten: Wadada Leo Smith - trompet; Roscoe Mitchell - saxofoon, fluit.
Bas: Pauline Oliveros - digitale accordeon; John Tilbury - piano.
De eerste compositie voelt wat aftastend aan. Uitsloverij is uit den boze zodat men geen lange solo's hoeft te verwachten. De ene muzikant schiet een noot af in de groep, waarop de ander reageert met een even zo lange noot. Dat herhaald zich continu. Dat komt misschien ook wel doordat Tilbury de boel wat te strak dirigeert met zijn tonaties op piano zodat de andere drie geen moment kunnen ontsporen als het ware. Dat vermindert de spanning en doet het optreden voorzichtig aanvoelen. Oliveros lijkt ook nogal schuchter hier in een soort bijrol. Dat is niet gek, daar ze meer solist dan ensemblist is geweest in haar leven. Ze is weinig te horen en speelt korter dan de anderen. Dat verandert gelukkig enigszins in de tweede compositie - de langste van het stel. Deze lijkt wat meer geprepareerd. Tilbury en Oliveros vormen op de achtergrond gezamenlijk een rustige basis alsof het hun rol is om alles in het gareel te houden. Wadada Leo Smith is hier in zijn element als de pure solist die met zijn trompetspel continu te horen is. Roscoe Mitchell anticipeert hierop en speelt zo nu en dan door hem heen, of gebruikt een vallende stilte voor een aanval met een eigen solo. De eerste afwachtende 30 minuten zijn zodoende wel vergeten.
De laatste compositie, als toegift helaas ook het kortste, boeit het meest. Oliveros manifesteert zich hier met haar gemanipuleerde accordeon sterk op de voorgrond en doet je afvragen waarom ze dat in godsnaam niet eerder deed. Ze begint als basso continuo zodat Tilbury en Mitchell flink kunnen soleren, en wisselt op den duur met Tilbury om zelf een van de hoofdrollen te vervullen en tovert de ene na de andere bijzondere texturen uit haar accordeon. Tilbury durft de touwtjes wat los te laten en gaat zelf in het begin ook aardig tekeer, terwijl Smith de rest de ruimte geeft om te soleren. Zodra zij even stoppen, pakt hij zijn kans om als wisselspeler vlagende salvo's uit zijn trompet af te vuren. Desalniettemin blijft het jammer dat dit slechts 5 schamele minuutjes duurt.
Hoe dan ook erg mooi om deze vier legendes in deze samenstelling gehoord te hebben. Een perfect optreden is het niet direct. Dat is eveneens een risico wanneer men vier muzikanten voor het eerst in een samenstelling laat improviseren, maar er is genoeg moois om van te genieten zodat deze opname het uitzoeken zeker waard is.