Bij de eerste beluistering vond ik deze plaat uitzonderlijk eendimensionaal. De doom en gloom van de vroege 80s in het post-apocalyptische landschap van na de bom, die gelukkig nog steeds niet gevallen was. De muzikanten trokken zich daar echter niets van aan en ik haakte toen muzikaal totaal af.
Die vooroordelen bleven wel. Daardoor hoorde ik de prettige kanten van Hymn To The Silence dan ook totaal niet. Die kwamen wel naar voren bij de volgende beluistering en die daarna. Ik merkte de momenten dat Lea Porcelain de danskant van The Cure toelaat in het Joy Division landschap en zij de muziek van Tubeway Army wonderwel vermengt met de popkant van Soft Cell, tot wonderlijke popmelodieën. Daarnaast is een groot gedeelte van het album dansbaar, duister, maar zeker dansbaar. Wat in eerste instantie helemaal wegviel, waren de momenten van contemplatie, waarin zelfs een band als Alphaville doorschemert.
Het contrast tussen de hoes enerzijds en de titel en de muziek anderzijds is zo heerlijk groot. Het dekt de lading volledig niet, maar is wel echte kunst. Valt direct op. De muziek is meer van het soort dat graaf Dracula op doet staan. Het licht betekent zijn directe einde. Een teken dat er ook niet echt iets is om bang voor te zijn bij Lea Porcelain. Flirten met het duister terwijl we feesten op hun muziek.
Het blijft altijd fijn om te merken dat afgaan op de eerste indruk lang niet altijd verstandig is. Feit is wel, dat die er altijd is. Soms heeft het instinct gelijk, maar maar al te vaak is toegeven aan de eerste impuls een garantie om heel veel fijns te missen. Ik ben dan ook blij dat ik Hymns To The Night nog eens heb opgezet.
Het hele verhaal staat
hier op WoNo Magazine.