Na z'n eerste echte solo-album
Vermin in Ermine uit 1984 ruilde Marc Almond platenmaatschappij Phonogram in voor Virgin. Dit zou lang niet zijn laatste overstap blijken. In zijn autobiografie blikt hij daar met de nodige zelfspot op terug. Bij zowat elke zakelijke scheiding speelden immers dezelfde motieven: artistieke meningsverschillen en commerciële teleurstelling.
Toeval of niet: het openingsnummer van
Stories of Johnny gaat over een ruziënd koppel. De verwijten vliegen heen en weer, wat me bekend in de oren klinkt. Maar goed, laten we het hier niet over mijn thuissituatie hebben

. Ik heb het over
A Lover Spurned van het album
Enchanted (1990, Parlophone Records). Dat is een vilein duet terwijl Almond hier op de opener
Traumas Traumas Traumas de volledige leadzang voor zijn rekening neemt. Daardoor is de dynamiek iets minder, wat hij probeert goed te maken door zijn stem af en toe te verlagen. Dat werd scherp opgemerkt door de veelschrijver hierboven.
Het titelnummer
Stories of Johnny is een rijk gearrangeerde popsong zonder overdaad — een stijl die Almond en z'n team maar één keer over een volledig album wisten vol te houden:
The Stars We Are (1988, Parlophone). Pas bij het zien van de videoclip drong het tot me door dat het om het tragische relaas gaat van een jongeman die - o, ironie - overlijdt aan overdadig druggebruik. Johnny dus.
The House is Haunted, een
cover uit 1958, krijgt hier een nieuwe jas. Almond versnelt het tempo en transformeert de oorspronkelijke jazzsong moeiteloos tot cabaretnummer. Een duidelijke voorbode van zijn volgende studio-album
Mother Fist (1987, Virgin). Helemaal mijn smaak.
Drie sterke songs op rij, die ook nog eens vooruitwijzen naar drie indrukwekkende albums… zou je deze
Stories of Johnny dan geen ongeëvenaard meesterwerk mogen noemen? Dat enthousiasme wordt bij track vier wel een tikje getemperd.
Love Letter is een aanstekelijk uptempo liefdesliedje, maar de elektroklanken op de achtergrond klinken wat flets. Bij eender welke andere artiest had ik dat door de vingers gezien, maar Almond is een succesvolle pionier in de elektropop — dan mag je wat strenger zijn. Jammer dat Dave Ball hier niet van de partij is. Maar ook zonder zijn oude muzikale partner verkeert Almond in topvorm.
De afsluiter van kant A knipoogt ook naar Almonds muzikale voorgeschiedenis.
The Flesh is Willing klinkt als een stevig rocknummer van Marc and the Mambas. Het hoogst ongebruikelijke thema – gewenste intimiteiten in een mentale inrichting – versterkt die associatie. Dat geldt ook voor de lange tekst vol ‘dure’ woorden. Zoals die ook abundant kunnen voorkomen in mijn schrijfsels op deze site.
Wie kant A beluistert, moet ook kant B beluisteren. Die begint met het melodieuze
Always. Toch klinkt Almond hier af en toe minder zuiver — wie kan wel altijd (!) een vocale topprestatie leveren? Of waren de vocale partijen overambitieus? Gelukkig vallen er zinnen te horen als "How I love you when you cry". Zo blijft het nummer de moeite van het beluisteren waard.
Contempt zal ik niet misprijzen. Het is een meeslepende song, vooral dankzij de sterke arrangementen van blazers en strijkers. Niemand zingt “Loving is the saddest game to play” zo overtuigend enthousiast als Almond. Wat een genot om telkens weer in het ootje te worden genomen door bedroefde lyriek, verpakt in een opgewekt deuntje.
I Who Never had zo op
The Stars We Are kunnen staan: een weelderige productie, keurig binnen de lijntjes. Moet ik mezelf nu saai voelen omdat dit soort Almond-nummers tot mijn favorieten behoren? De titel wordt pas aan het eind voltooid: “This could even make me pray. I who never ever prays.” Een minuscuul minpuntje: had men deze song één plaatsje naar voren geschoven, dus meteen aansluitend op
Always, dan werd een intrigerend contrast tussen beide songtitels gecreëerd.
My Candle Burns biedt opnieuw een voorschot op zijn latere meesterwerken. Een engelenkoor — dat elders op de plaat ook opduikt — tilt het nummer op. Het iets lagere tempo lijkt in tegenspraak met de metafoor van een kaars die aan beide kanten snel opbrandt, maar dat is louter interpretatie. Feit is: dit is een volkomen volmaakte voorlaatste track.
Love and Little White Lies begint met een koortje en baslijn. Als Almond vervolgens inzet, hoor je iets tussen rap en gospel - noem het gerust raspel. Halverwege wordt het heerlijk over-the-top cabaret, al laat de productie het hier en daar wat afweten qua helderheid. Ook de lange tekst roept herinneringen op aan de Mambas-periode, maar ditmaal gelukkig zonder trauma’s.
Stories of Johnny hoeft voor mij nauwelijks onder te doen voor Almonds Grote Drie (
Mother Fist,
The Stars We Are en
Enchanted). Dit is gewoon de eerste in een grandioze vier op een rij. Vier-en-een-halve ster is dik verdiend. Wie er ook nog de twee onvolprezen restjes-compilaties
A Virgin’s Tale I & II en de Brel-tribute
Jacques (1989, Some Bizarre / Rough Trade) bijhaalt, merkt hoe creatief én productief Almond was in die tijd. Zijn drie jaar bij Virgin gelden voor veel fans als zijn creatieve piek. De maagd kende dus meerdere hoogtepunten — het eerste met dank aan de betreurde Johnny.