Wat nog gte schrijven over dit 22e album van Stephan Micus op het gelauwerde ECM label. Stephan Micus die al vanaf eind jaren 70 zijn geheel eigen weg gaat, een soort muzikale kluizenaar. ‘Il Voyage en Solitaire’ zong de Franse singer-songwriter Gérard Manset ooit: ‘Hij reist alleen.’ Dat geldt zeker voor Stephan Micus. Wat hij doet is redelijk uniek en bij sommige puriteinen ook wel omstreden. Hij reist de hele wereld rond op zoek naar muziek, naar inspiratie op zoek naar inheemse instrumenten.
Eenmaal thuis gekomen (of soms ook al op de reis zelf) leert hij zo'n inheems instrument bespelen, enkel doet hij dat op geheel eigen wijze. Hij neemt de vrijheid om op een totaal andere wijze zo'n instrument te bespelen dan de traditie het bepaalt. Daar hebben sommigen moeite mee, zeker als het instrumenten zijn, die ook bij bepaalde rituelen of religieuze plechtigheden gebruikt worden.
Hij zoekt voor zijn nummers instrumenten bij elkaar, die normaal gesproken nooit bij elkaar in één nummer zullen zitten, dat is ook op dit album het geval. Hierdoor hoor je allerlei invloeden terug, zonder dat ze direct te plaatsen zijn. Dat maakt de muziek van Stephan Micus uniek en ook universeel. Verder zingt hij ook op sommige nummers , maar vaak is dat geen echte taal, enkel klanken of zelf verzonnen woorden. Ook dat kan niet iedereen waarderen, waarom als je wel de instrumenten uit een bepaalde cultuur gebruikt, waarom dan niet de taal ?
Persoonlijk maakt het mij niets uit, ik blijf iedere keer gefascineerd luisteren naar de muziek van deze muziektovenaar.
Op dit album bespeelt hij de zeer zeldzame Tadzjiekse balanzikom, een Zweedse nyckelharpa, de wat bekendere citers en Japanse shakuhachi, maar ook een Marokkaanse genbri en verder gitaren (verschillende). Daarnaast zingt hij op een aantal nummers : op 'Flor Dul Sol' zingt hij lager dan ik gewend ben van hem, maar dat klinkt eigenlijk erg mooi. Op 'Virgin de la Mar' heeft hij 16 stemmen van hem in dat nummer gemixt. Wat een werk, maar ook wat een geduld. Twee jaar lang is hij in zijn eigen studio bezig geweest om dit album te maken. Volgens mij is hij de enige bij ECM die van baas Manfred Eicher zijn eigen albums geheel zelf mag produceren.
Ieder nummer is een pareltje en zoals ik al hierboven beschreef doet hij op geheel eigen wijze. De nyckelharpa wordt in Zweden vooral bij vrolijke dansnummers gebruikt als een soort gitaar, maar hier gebruikt Micus een strijkstok en er komt totaal andere muziek tevoorschijn.
In het boekje staat een gedicht van Joseph Roth over een vroege winteravond, waar frisse, witte sneeuw valt, als een soort verlichting van de duisternis .
Deze stemming is ook terug te vinden in de nummers , die universeel zijn. Soms waan je je in Scandinavië, maar net zo makkelijk in Zuid Spanje of de steppe in Mongolië. De natuur speelt een grote rol. Met behulp van zijn instrumenten om geografische grenzen te overbruggen, construeert hij een wereld die bekend lijkt voor ons, maar waar tradities of ingebeelde perspectieven uit de echte wereld vervagen. De binnenzee van Stephan Micus is net zo belangrijk voor de geest als voor een geografische locatie. Je kunt de emotie en toewijding bij Micus of zijn sombere gevoel voor sfeer en emotie, niet negeren. Inland Sea is misschien wel zijn meest samenhangende release, erg melancholisch en het blijft een soort raadsel dat de moeite waard is om onderzocht te worden. Je moet er open voor staan, de tijd ook voor nemen, maar dan krijg je daar ook wel iets moois voor terug. Een prachtige plaat.