Donderdag aanstaande komt Joshua Redman met het
‘Back East’-trio naar de Gentse Bijloke, en omdat ik nog niet helemaal zeker was of ik het concert zou meepikken of niet, besloot ik het album alvast een keertje te draaien. Ik ben in geen geval fan van een pianoloze bezetting, maar hier en daar duiken op het net lovende recensies op over Joshua Redman, evenals in onze jazzbijbel - de Penguin Guide.
Redman wordt vaak de kwaliteit toegeschreven dat hij met transparante structuren en een simpel idioom toch hele verhalen kan vertellen. Op
‘Back East’, waarbij hij louter omringd wordt door een ritmesectie, is daar echter niet zoveel van te horen. In navolging van wat Sonny Rollins in de jaren ’60 al deed, vult hij de vele gaten die in deze onorthodoxe bezetting vallen op met weliswaar evidente thema’s, versterkt door duetten met oa. Joe Lovano of vader Redman en aangevuld met huppelende, zwalpende, voornamelijk vreemde improvisaties.
Zoals gevreesd komt de bezetting over het algemeen nogal “eng” over, en noch de composities, noch de improvisaties grijpen echt naar de keel. Redman heeft een eigenzinnige manier van opbouwen (of helemaal geen), en de ritmesectie respecteert de heersende conventies. Op zich een nogal saaie bedoening, denkt u, maar dat is buiten Redmans bezieling gerekend, die de nummers af en toe volledig opentrekt.
Meest interessant zijn dan ook de tracks die daadwerkelijk hun oorsprong vinden in Oosterse harmonieën. Wanneer Redman de laagste en de hoogste registers van zijn sax bespeelt, terwijl de begeleiding heupwiegend mee-mijmert (en vooral niet teveel aandacht opeist), komt de lyriek naar boven en horen we spiritueel getinte improvisaties die uitmonden in geestdriftige jazz pur sang. Slechts
'Zarafah' en
'Mantra No. 5' wisten mij op die manier van mijn sokken te blazen, al bevatten ook andere nummers referenties naar de Oosterse muziekbeleving.
Het gevoel dat ik aan
‘Back East’ overhoudt is echter nogal dubbelzinnig: Joshua Redman trippelt op de grens met de Oosterse muziek, maar durft zich nooit ver weg van de geijkte paden begeven. Zelfs in eigen land hebben we iemand (Manuel Hermia), die doet waar Redman alleen maar van dromen kan: de vrije improvisatie uit de jazz vermengen met hindi-raga’s, met een diep geworteld eindresultaat.
Redman heeft in het afgelopen decennium misschien heel wat betekend voor de jazz, maar donderdag zal hij het zonder mij moeten stellen.
‘Back East’ is een onvermoeibaar sprankelend glas spuitwater, zonder de exquise smaak van een groepje meesters onder elkaar. Of maak ik het nu te bont...?
