Ahhh. Folk.
Mijn grote liefde op muzikaal gebied. Sinds ik in 2004 Iron & Wine en Nick Drake ontdekte, was er geen weg meer terug. Het genre is de afgelopen jaren wat naar de achtergrond verdwenen in mijn luistergedrag, ten faveure van hip-hop en jazz, maar om de zo veel tijd komt er een artiest op m'n pad die mijn liefde voor het genre weer helemaal doet opleven. Het afgelopen jaar waren dat er zelfs opvallend veel; opvallend veel niet-anglosaxische artiesten vooral.
Zo raakte ik in september 2019 verslaafd aan de stem van
Tetê Espíndola. Begin dit jaar dook ik dieper in Ichiko Aoba's werk, nadat ze haar prachtige, nieuwe
single op ons los liet. In februari zag ik Elaha Soroor (met Kefaya) nog optreden in Utrecht en later die maand ontdekte ik de Oekraïense Svitlana Nianio. Eind maart kwam het werk van José Mário Branco op mijn pad, vervolgens de Boliviaanse Luzmila Carpio en tenslotte dook ik ook nog even de intieme, regionale, out-back folk van
Elomar in. Dat zijn al meer dan genoeg nieuwe folk-artiesten binnen een korte tijd, zou je zeggen, maar in mei geeft
aerobag mij doodleuk een eersteklas ticket richting Tsjechië, om daar een nieuw hoofdstuk aan mijn reis toe te voegen.
Ook na 16 jaar behoorlijk actief muziek luisteren, zijn er nog genoeg hiaten in mijn muzikale referentiekader te vinden. Experimentele Tsjechische Folk was er daar dus één van. Terwijl ik Tsjechische cinema uit de jaren '60 een warm hart toedraag, en enkele Tsjechische boeken uit diezelfde periode ook erg tof vind, is mijn muziek-kennis uit dat land nihil. Waarom? Geen idee. Iva Bittová stond ergens wel op mijn radar als interessante artiest (in bepaalde kringen is ze een gevestigde naam), maar die radar van mij vertoond soms wat kuren. Een combinatie van overbelasting en gebrekkig onderhoud denk ik. Dus ben ik nooit eerder aan haar werk begonnen. Oja, en haar bekendste plaat heeft een speelduur van 77 minuten, dat is wat aan de lange kant. Maar gelukkig was aero er dus voor het nodige zetje in haar richting.
Iva Bittová speelt vanaf jonge leeftijd viool, maar begint haar carrière in de 70s als actrice. In de 80s switched ze gelukkig alsnog van film naar muziek, ze is dan onder meer actief als zangeres en violist in de band Dunaj. Een kleine 15 jaar later zal ze samen met Vladimír Václavek deze plaat opnemen: haar meest gevierde werk. En hoewel de plaat onder hun beider namen is uitgebracht, is het toch vooral Iva die hier de show steelt. Gelukkig maar.
Geheel toevallig is de eerder genoemde Espíndola één van de eerste associaties die bij me opkomt tijdens opener
Vzpomínka. Vooral tijdens het stukje na zo'n 5 min in het nummer klinkt Bittová in haar uithalen - de 'iiihs' en 'aaahs' - behoorlijk als Espíndola. Een vergelijkbare, hoge stem, vocale acrobatiek en geen enkele concessie naar de luisteraar. Er zijn slechtere referentie-kaders dan een vrouw waar ik al maanden geen genoeg van kan krijgen.
Het eerste nummer bestaat uit een samenspel tussen verschillende stemmen in verschillende registers, terwijl rustig gitaarspel en prachtig vioolspel elkaar zowel aanvullen als afwisselen. De lage stem van Václavek speelt hier ook een prominente rol. Het is een bijzondere luisterervaring, zeker om de plaat mee te beginnen. Na 4 minuten valt het nummer (of vooral Iva's stem-acrobatiek) een klein beetje in herhaling, en de scepticus in mij neemt het dan over. 7 minuten aan stemacrobatiek, met in het achterhoofd dat er nog 70 zouden volgen? Dat kan wel eens een behoorlijke zit worden. Gelukkig houdt het vioolspel het nummer wel boeiend.
Uspávanka begint een stuk ingetogener. Mijn twijfel ebt tijdens dit nummer langzaamaan weg, om plaats te maken voor mild enthousiasme: dit zou wel eens helemaal mijn ding kunnen zijn. Iva wordt hier bijgestaan door cello, contrabas en speelgoedgeluiden(?). Ondertussen zingt ze alsof ze een slaapliedje voordraagt, maar dan op geheel eigen en unieke manier. Als enkele kinderstemmen haar even later in het nummer ineens bijvallen, maakt dat die associatie helemaal compleet. Bijzondere en prachtige compositie.
Op het 3e nummer horen we vervolgens een kalimba. Op het 4e nummer een trompet en contrabas. Op
Kdoule horen we o.a. een ghatam en
Zelený věneček is dan weer het enige nummer op de plaat met piano. Hierdoor krijgt elk nummer, ondanks de terugkerende elementen aan zang, gitaar en viool, een behoorlijk eigen klankkleur en identiteit. Tijdens het 4e nummer ben ik eigenlijk al helemaal om. Mijn enthousiasme heeft plaatsgemaakt voor euforie; Iva Bittová zou zich zo maar tussen mijn favoriete artiesten kunnen gaan scharen. Wat een geweldig stemgebruik en wat een ontzettend fraaie, tegendraadse, speelse composities. En dan moet die hele 2e kant nog komen.
Want wat is het heerlijk hoe een nummer als
Kdoule na 4 minuten ineens een onverwachte wending neemt. Of hoe
Moře na een vocale uitbarsting in een soort hoorspel verandert, om zich vervolgens weer rustig richting folknummer te ontvouwen. En hoe Iva op
Je tma - haar enige solo-nummer op de plaat - ontzettend bedeesd zingt terwijl ze aan de snaren van haar viool plukt. Op de achtergrond geven krakende deuren(?) en enkele andere geluiden het geheel een vervreemdend sfeertje. Een genot om naar te luisteren. Het is misschien een klein intermezzo binnen deze 77 minuten aan muziek, maar het is zo ontzettend sfeervol uitgevoerd. Het tekent Iva's muzikale visie.
En dan heb Ik het nog niet eens over de hoogtepunten van de plaat gehad. Het duo
Churý Churuj /
Svon, wat samen ongeveer een kwart van de plaat in beslag neemt, is namelijk het mooiste stuk muziek dat ik in 2020 heb ontdekt. Oké, vlak achter enkele nummers van Ichiko Aoba dan. Na een op zichzelf al hemeltergend mooie intro, krijg ik elke keer kriebels in mijn buik zodra Václavek begint te neuriën en Bittová hem langzaam bijvalt na 2,5 min. Als er na 5 minuten ook nog een flugelhorn de muzikale omlijsting komt verrijken, schiet het kippenvel m'n rug op en kan ik enkel ademloos luisteren. Ik ga niet eens een poging doen om onder woorden te brengen hoe dierbaar deze twee nummers me nu al zijn. Wat een pracht.
Vladimír Václavek z'n lage stem is ook een prachtige aanvulling en afwisseling ten opzichte van Bittová’s zang, maar het is duidelijk haar stem & presence die dominant zijn op deze plaat. En gelukkig maar, want als Václavek aan het woord is, zit ik stiekem vooral te wachten tot Iva weer gaat zingen.
Als ik dan toch 1 minpuntje op deze plaat moet aanwijzen, is dat het laatste nummer. Hier zingt Bittová in het Yiddish, vrij naar een gedicht van Mordechai Gebirtig. Los vind ik het nummer eigenlijk heel fraai, maar na het eerder genoemde duo valt het wat uit de toon en heb ik er eigenlijk niet zo'n zin in.
Ik durfde Bittová na 1 luisterbeurt al voorzichtig tot mijn favoriete zangeressen te rekenen, en de beluistering van ouder werk heeft dat inmiddels bevestigd. Haar 80s platen met drummer Pavel Fajt zijn ook allebei prachtig. Daarop is wat meer ruimte voor percussie en iets minder voor de gitaar, maar de stempel van Iva is op al deze projecten zo prominent en dominant dat ze zeker vergelijkbaar zijn met deze plaat. Gaat dat horen, aerobag. En anderen. Vooral
deze.
Zowel Václavek als Bittová hebben naast hun solo-werk ook werk met andere muzikanten en muziek met de bands Rune en Dunaj uitgebracht. Een rijk oeuvre waar ik nog wel even zoet mee ben dus. Oftwel: Jezus aero, wat heb je gedaan? Ik moest Braziliaanse platen checken deze periode, niet diep de Tsjechische folk-scene induiken. Ugh. Dat heb ik weer.
Iva.
