Een jaar na voorganger No Brakes verscheen Mask of Smiles, de derde soloplaat van John Waite. Na de sobere zwart-withoes van de vorige plaat, hulde hij zich inmiddels in sjieke kledij op een kleurige hoes; op de cover draagt hij zwart, achterop is hij gehuld in een witte mantel, alsof hij van de catwalk komt gestapt. De haren liet hij weer lang groeien.
Waite produceerde het album met Stephen Galfas, die in de jaren ’80 een grote naam werd in de wereld van de melodieuze (hard)rock en metal. Qua sound werd gekozen voor een geluid zoals dat in 1985 ook bij hitgevoelige newwavebands klonk, de muziek is echter conservatiever: gitaargeoriënteerd, melodieus rockend met opnieuw een groeiende rol voor keyboards. In de beste Waite-traditie gaan de meeste teksten over de liefde in al haar seizoenen. Zijn passievolle stem doet je geloven dat hij alles meent, wát een kwaliteit schuilt hierin!
Dit album bevat slechts zes redelijke tot goede songs. Solodebuut Ignition steekt daar met kop en schouders bovenuit maar ook voorganger No Brakes was beter, wat ertoe leidt dat Waites derde soloplaat zijn minste is tot dan toe.
Ieder van die albums telde evenwel minimaal één juweel van een (hit)single. Op deze plaat is dat opener Every Step of the Way, wat hij met de succesvolle Tsjechisch-Amerikaanse liedschrijver Ivan Král neerpende. Het is een hartstochtelijke ode aan een vrouw. Powerpop met een tekst die ik tot op de dag van vandaag kan meezingen.
Hiermee is meteen het beste voorbij gekomen. Dat betekent echter niet dat de rest waardeloos is. In 1985 belandden de volgende liedjes op mijn cassettebandje: van de A-zijde Laydown met daarin een doedelzakachtige (!) toetsenpartij, het vrolijk-stevige Lust for Life en Ain’t that Peculiar, dat geleidelijk een bescheiden briljantje wordt, zeker als de dames in het koortje gaan zingen. Het origineel van Smokey Robinson stamt uit 1965, in deze versie moet ik zowaar aan Waites voorbije dagen bij The Babys denken.
De B-zijde opent met Just like Lovers, waarin een saxofoonsolo zit. Een aardige popsong. Op afsluiter No Brakes (waarom stond deze track niet op de vorige plaat?!) speelt op gitaar Waites stadsgenoot Johnny Thunders, bekend van New York Dolls. Met een honkytonkpiano erbij wordt het gaspedaal nog eens stevig ingetrapt.
Soms kakt de plaat in. Vooral bij de twee ballades houd ik het niet vol: op de A-zijde Welcome to Paradise en op de B-zijde The Choice. Dat laatste lied begint met de suikerspinzoete keyboardgeluiden die in die periode gangbaar waren en die je bijvoorbeeld ook bij Whitney Houston hoort. Veel te klef. You’re the One is stevig maar nauwelijks memorabel, ondanks het feit dat de stem van Waite ook deze compositie naar een hoger niveau trekt.
Misschien werd het gestaag dalende niveau van de eerste drie soloplaten veroorzaakt doordat Waite opnieuw met (andere) sessiemuzikanten werkte, waarbij hij creatieve input van bandleden ontbeerde. Te solo. Bovendien kan tijdsgebrek een rol hebben gespeeld, Mask of Smiles verscheen slechts dertien maanden na de voorganger.
Maar goed, die single hè? In Nederland en België overigens geen hit, maar dankzij Sky Channel, de eerste muziekzender die bij ons thuis via de kabel binnenrolde, kwam ik de videoclip vaak tegen. Tijdloos pareltje.