In 1983 toerde Tangerine Dream voor het eerst door Japan. Behalve een succesvolle tour, leverde dit ook nog eens een hoop inspiratie voor het schrijven van nieuwe nummers op, voortvloeiend uit het brein van Edgar Froese en Johannes Schmoelling. Vanwege omstandigheden binnen de band, kwam het er niet van om dit materiaal uit te brengen, totdat in 2005 beide heren de handen ineen sloegen en besloten het materiaal opnieuw te herzien en uit te brengen. En ondanks dat de nummers via modernere middelen opgepoetst zijn en daardoor niet helemaal authentiek klinken aan TD's muziek ten tijde van 1983, kan ik er wel voor een groot deel uit opmaken, dat het hier eigenlijk gaat om ouder materiaal.
Het album gaat vlot van start met "Streets of Kyoto", een rap sequence-georiënteerd nummer die als een speer aan me voorbij trekt, zonder dat ik hierbij overigens de aandacht verliest. Mooie inkleuring van melodieën en andere klanktapijten fleuren de boel naarmate het nummer vordert, goed op.
"Industrial Life" begint meeslepend en lijkt in eerste instantie wel een beetje op het 2de gedeelte van het titelnummer van Hyperborea, maar daarna slaat het roer om en na een mooie en sterke overgang volgt er een geweldig stuk muziek, wat ook op de soundtrack van The Park is Mine is gebruikt.
"Chilly Moons" begint aangrijpend en kabbelend en wordt naarmate het vordert nadrukkelijker en hypnotiserender. Het heeft algeheel gezien een dromerig en dwalerig karakter, maar weet toch de aandacht vast te houden. Het mooie, zweverige einde is overigens ook een vermelding waard.
"Lizard Lounge" klinkt vervolgens wel aardig, maar meer dan wat galmende en geheimzinnige synth-accenten en een sluiperig ritme is het verder niet, wat er voor zorgt dat dit nummer niet veel om het lijf heeft en vrij geruisloos aan me voorbij trekt.
"Cherry Blossom Road" is meteen weer van een véél beter niveau. Mooi piano-thema sterk uitgevoerd met daarbij de nodige synth-ondersteuning die het algehele thema alleen maar versterken maken dit nummer met gemak tot één van de beteren van dit album. Muzikaal doet deze me een beetje denken aan "Tiergarten" van Le Parc.
Persoonlijk kan ik niet veel maken van "Tamago Yaki". Vrij apart begin met de opvallende beat en rare ritmiek, hoe origineel en atmosferisch het ook klinkt. Het probleem is dat het nummer in eerste instantie nergens echt naartoe lijkt te gaan, totdat de sequencer langzaam in kracht toeneemt en er meer ritmische structuren om de hoek komen kijken. Als er vervolgens een vreemdsoortig synth-accent de muziek als het ware een bizarre schop onder de kont verkoopt, lijkt het nummer in z'n eigen structuur te verdrinken. Gelukkig is het laatste gedeelte van het nummer weer beter als de boel tot rust komt, maar een favoriet kan ik het toch niet noemen.
Nee, dan is het veel toegankelijkere "Craving for Silence" toch beter aan me besteedt. Wederom mooi piano-begin, daarna een lichte opschroeving in tempo dankzij de bescheiden ritme-ondersteuning. Het mooie thema gaat op een gegeven moment hand in hand met meer levendig piano-gekabbel waarbij het wel is alsof het nummer bij vlagen een nergens op gaande richting lijkt uit te gaan, maar storend is dit gelukkig niet.
“Mad Sumo Yamoto” klinkt als redelijk authentiek TD-materiaal uit de Froese/Franke/Schmoelling-periode en had eigenlijk zo op Hyperborea of White Eagle kunnen staan. Geen verkeerd nummer, ware het niet dat ie eigenlijk veel te kort duurt.
“Kyoto Sunrise” begint heel relaxed en naarmate dit nummer vordert blijft ie dat ook, ondanks een erg originele ritme-ondersteuning. Mooie, feeërieke dromerige klanken vinden zichzelf als het ware en versmelten zich tezamen met het aparte ritme. Opvallend en apart, maar zeker niet slecht en eigenlijk net zoals de vorige track, te kort.
“Last Train to Osaka” heeft iets droevigs en plechtigs over zich. Mooi en ingetogen, maar met een melancholieke ‘touch’ weet ook dit nummer m’n aandacht vast te houden. Maar ook hier krijg ik het gevoel, dat het nummer niet tot z’n volle wasdom komt, vanwege de krappe speelduur.
Weliswaar wat minder avontuurlijk, maar niet minder slecht, eindigt dit album op vertrouwd terrein met “Shogun’s Prayer”, een lekker mid-tempo-juweeltje, zoals ik ze vaker van TD heb gehoord. Erg lekker en aanstekelijk is ie in ieder geval wel.
Alhoewel dit een degelijk album is (vooral vanwege het historische karakter) en ik dit zeker wel een geslaagd album vind, is niet alles op m'n lijf geschreven. Wellicht te maken met de verwachtingen die ik had omtrent dit album en de authenticiteit van de muziek die me een beetje tegenvalt. Ook vind ik dit album net wat minder dan die andere unieke samenwerking (Froese en Ralf Wadephul) die resulteerde in het verdraaid goede Blue Dawn.
Niettemin kan ik zonder het hele achtergrondverhaal waar Kyoto aan ten grondslag ligt, prima genieten van deze plaat en staan er ook zeker een hoop pareltjes op.
Dus ondanks m'n kritische noten hier en daar, toch een dikke voldoende voor dit voor de rest gewoon fijne album.