Met: Lee Morgan (trompet); George Coleman (tenorsax); Curtis Fuller (trombone); Ray Bryant (piano); Paul Chambers (bas); Art Taylor (drums)
Als ik goed tel de vijfde plaat als bandleider van Lee Morgan, tijdens de opnames pas net negentien. Het siert Blue Note dat ze hem met veel verschillende muzikanten laten opnemen (dit album werd ongeveer een maand ingeblikt voordat hij meespeelde op Blue Train van John Coltrane).
De aanwezigheid van Chambers en Taylor op een bopplaat uit de jaren vijftig zal niemand verbazen, maar zowel Coleman als Fuller waren nog betrekkelijk nieuw, en pianist Bryant is geen enórm grote naam, maar wel iemand met een fijne speelstijl die op veel goede platen heeft meegespeeld. Meestercomponist en -arrangeur (en bandmaatje van Morgan bij Dizzy Gillespie) Benny Golson ontbreekt dit keer, maar draagt wel drie van de composities bij.
Op de eerste daarvan, opener en titelnummer, laat Morgan beleefd eerst Coleman en Fuller zichzelf voorstellen, voordat hij zelf de beste solo van het nummer speelt. Zo hoort het. Het nummer is een foutloze hardbop-oefening, net als op de tweede track lekker smeuïg wordt gesoleerd op een walstempo en op de derde Morgan zelf een ballad mag dragen, zoals we al hebben gehoord dat hij dat uitstekend kan. De langere boptracks op de B-kant zijn ook de moeite waard. Iedere speler pakt zijn momentjes, maar de trompettist straalt zelf het felst.
Prima plaat dus, maar in tegenstelling tot de indrukwekkende voorganger Volume 3 een beetje een grijze muis, in zoverre dat ik denk dat ik deze niet heel snel uit de kast zou trekken, als ik alle 26 platen die Morgan voor Blue Note maakte in bezit had op LP. Dat kost Morgan een half puntje, al zou ik waarschijnlijk 3,75 sterren geven (7 1/2) als dat op Musicmeter zou kunnen.