Royal Festival Hall Vol. 1 is deels een live- en deels een studio-album die naast de tweede volume en The Dome Event een soort van drieluik aan albums vormen, waarmee de nadruk van de muziek van Klaus Schulze voornamelijk op het sampler-gebeuren ligt. Persoonlijk vind ik deze periode niet altijd de meest sterke van hem, alhoewel Schulze zeker wel een moderne klassieker in de vorm van Beyond Recall heeft afgeleverd. Over het algemeen vind ik de muziek wisselend van karakter en kwaliteit en daardoor, ook vanwege de verschillende geforceerde overgangen tussen de verschillende passages, van tijd tot tijd wispelturig klinken. Het is ook deze periode, waarin Schulze muziek heeft gemaakt, die bij tijd en wijlen erg nerveus en chaotisch klinkt. Kortom, een periode van muziek die je moet liggen. Soms zeer intrigerend, soms erg irritant.
Waarmee ik overigens niet wil beweren dat de muziek slecht is, want dat is het in geen geval. Het is gewoon een typische, echter toch ook wel weer opvallende en zelfs ietwat gedurfde periode van Klaus Schulze. Dat e.e.a. vooruitstrevend klinkt, moge zo onderhand bij Schulze als vanzelfsprekend beschouwd worden.
Met een hoop bombarie begint "Yen", de digitaal vastgelegde opname van een live-uitvoering die Klaus gaf op 10 september 1991 in Londen's Royal Festival Hall, een drie kwartier durend werk die onderverdeelt is in tien stukken.
De eerste daarvan, "Out of Limbo", is een mengelmoes van allerlei samples van voornamelijk vervormde zangstemmen, terwijl er ook subtiele synths te horen zijn. Het lijkt soms te klinken als een chaotisch gebeuren, maar tegelijkertijd klinkt het heel apart. Het is niet zomaar een brei van klanken; hier is over nagedacht.
Na wat kabaal, begint het aangename gekabbel van "Pastorale: Awakening". Dit is heel aangename en rustige kost, waarbij een synthetische panfluit-solo voor een zwierig en exotisch karakter zorgt.
Het tempo gaat plots omhoog tijdens "Lull Before the Storm" en gaat een ander karakter uitademen.
Een snerpende solo die wel wat lijkt op eentje die niet misstaan zou hebben op een Rick Wakeman-album, laat vervolgens van zich horen tijdens "Tempest", totdat de panfluit weer terugkeert tijdens "Pastorale Too".
De muziek krijgt bijval van een solo die lijkt op die van een viool tijdens "Pastorale and Departure". Het is tijdens deze sectie dat de muziek langzamerhand wat donkerder lijkt te gaan klinken, ondanks dat de ritmiek grotendeels hetzelfde blijft. Het zijn die subtiele overgangen die toch voor een hoop dynamiek zorgen in Schulze's muziek.
Het ritme gaat uiteindelijk stuwender klinken en met een soort van knal wordt "Yearning" ingeluidt. Neuriënde klanken op de synths worden in het begin gecombineerd met subtiel verweven samples van allerlei vreemdsoortige klanken. Het doet allemaal wat bevreemd aan, maar ondanks deze overgang blijft de muziek erg lekker klinken. Vervormde zangstemmen zorgen desondanks voor een gekke sfeer, ondanks dat Schulze niet eens echt over-de-top gaat. Als er een opvallende overgang plaatsvind krijgen we een Schulze voorgeschoteld die zich even lekker wil gaan uitleven op zijn synths, compleet met gekke solo's, druk sample-gedoe en ander druk gebonk en getetter. Het klinkt allemaal erg frappant en bijzonder.
"Placid Yen" laat de boel enigszins tot bedaren brengen, ondanks dat de sfeer wat duister blijft. Het ritme lijkt wat te gaan sluimeren en een aantal solo's lijken subtiel door elkaar heen verweven te zijn. Even later wordt de muziek weer wat meer lichtvoetig van aard. Een vredig en vrolijk fluit-toontje zorgt voor wat aangenaam genot, terwijl we langzaam toewerken naar de volgende sectie.
De panfluit laat weer van zich horen tijdens "The Breath of Life" en we verkeren weer in meer exotisch vaarwater.
Uiteindelijk lijkt het leeuwendeel van alle elementen samen te komen tijdens het slotstuk en we, m.u.v. het ritme wat aan blijft houden, praktisch terug bij af zijn tijdens "Back to Limbo". En met een kakofonie aan geluids-erupties, samples en andere vreemde fratsen op de synths eindigt niet alleen deze laatste sectie, maar tevens het eerste grote muzikale avontuur van dit album.
"Silence and Sequence" is het studio-deel van deze plaat, opgenomen in 1992 en begint met een hoop snurkende, rommelende geluiden en stemmen die klinken als het lallen en uithalen in één of andere vreemde, inheemse taal. Kortom, één en al samples is hier wat de klok slaat. Letterlijk, aangezien er ook het luiden van een klok te horen valt.
"Perigee", de eerste sectie, is dan ondertussen al drie minuten aan de gang en langzamerhand zijn er op de achtergrond rustige synths te horen die er voor zorgen dat er een wat sombere, maar tegelijkertijd mooie sfeer wordt neergezet. De boel komt tijdens dit stuk wat meer tot bedaren, wat voor een fraai stukje muziek zorgt.
Dan gaat de muziek over in de sectie die "Gentle Wind" heet en krijgt de muziek een bescheiden 'groove' met zich mee. Zeevogels schetteren hun kreten uit en de gehele toonzetting is redelijk apart te noemen. Over het algemeen blijft de muziek redelijk rustig van aard, totdat na een aardige overgang uiteindelijk de volgende sectie, "Fire-riser", zich aandient.
Een behoorlijk drukke ritme-sectie knalt erin en maakt niet al te lang daarna plaats voor een vlotte sequencer. Deze gaan uiteindelijk hand in hand en vanaf dat moment trekt Schulze alle registers open voor een drukke, maar gave passage. Niet veel later stopt hij er nog wat excentrieke bombast in en zorgt daarmee voor een opvallende overgang, totdat de drukke passage uiteindelijk zijn weg weer voortzet. Het ritme wordt wat meer pompend, de muziek wat opgefokter, totdat Schulze de boel laat wegsterven tot een mooi, sfeervol eindstuk die "Clear Water" heet.
Dit laatste stuk laat nog even een paar minuten wat mooie, lang aanhoudende slotakkoorden horen waarin ook nog wat fraaie stem-samples te horen zijn, het krijsen van een zeevogel en zorgen uiteindelijk voor niet alleen een redelijk fraai einde van "Silence and Sequence", maar ook aan deze eerste volume van het zeer aardige Royal Festival Hall.
Een heel aardige, doch geen essentiële Schulze-plaat. Voor de fans interessant, maar daarbuiten niet, verdient deze schijf een 3,5.
.
.